spacer.png, 0 kB
Home arrow Wijkblad arrow Handoplegging
Handoplegging PDF Afdrukken E-mail

Een zegen onder de oplegging der handen

Op zondag 24 september zullen we weer enkele ambtsdragers  bevestigen in het ambt van ouderling en diaken. We willen over hun leven en arbeid, en over leven arbeid van enkele pastoraal medewerkers een zegen vragen. We doen dat onder de oplegging der handen. Vroeger kwam dit ritueel alleen voor bij de bevestiging van een predikant en bij de kerkelijke inzegening van een huwelijk. Wat wil dit ritueel zeggen?

We komen de handoplegging al in het Eerste Testament tegen. Het is daar vaak nauw verbonden met het geven van de zegen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het verhaal van Jakob, die zo vurig begeert deze handoplegging en zegen te ontvangen, dat hij daarbij het bedrog niet schuwt (Genesis 27). Een ander verhaal waarin het een rol speelt, is wanneer Jakob de zonen van Jozef de handen oplegt (Genesis 48). Met dit gebaar gaat een zegenwens gepaard: God ... zegene deze jongelingen zodat in hen mijn naam en die van mijn vaderen Abraham en Isaak voortleven. Jakob geeft het leven, met en onder de hoede van God, door aan Jozef en diens kinderen. Nog steeds ontvangen Joodse kinderen op Sabbat en met Pesach een zegen onder oplegging der handen. Geen wonder. De zegen heeft alles te maken met de voortgang en de bloei van het leven.

Ook kan de handoplegging verbonden zijn met een bepaalde dienst. We komen dit eenmaal tegen in het Oude Testament, namelijk in Numeri 27: 18, wanneer Mozes aan Jozua het leidersambt overdraagt. Het is hier, blijkens de tekst, vooral een ritueel waarmee de ambtsoverdracht vorm wordt gegeven. Een en ander vindt plaats omdat Mozes God om een nieuwe leider voor Israël vraagt. Mozes legt Jozua de handen op en geeft hem zijn bevelen 'zoals de Here door de dienst van Mozes had gesproken'.

Tegelijkertijd is de handoplegging meer dan dat. Want in Deuteronomium 34:9 lezen we dat Jozua de Geest van wijsheid bezit omdat Mozes hem de handen heeft opgelegd. Jozua wordt niet alleen in een bepaalde functie gesteld, maar hij wordt daarvoor ook toegerust. Wat hebben we aan leidslieden zonder wijsheid? Wat aan leidslieden die niet zijn toegerust met de kracht en de gaven van de heilige Geest?

Daarnaast speelt de handoplegging in het Eerste Testament een rol bij de offercultus. Daaraan ga ik in het kader van dit artikeltje voorbij, daar het voor ons nu niet van belang is.

Als we de betekenis van de handoplegging willen omschrijven, dan kan dat als volgt:

Handoplegging is een vorm waarin de ontmoeting tussen God en mens, tussen  oud en jong, tussen de gaande en de komende, tussen degene die geeft en degene aan wie gegeven wordt, gestalte krijgt. De een deelt zijn leven  met de ander.

Het is dan ook geen wonder dat de handoplegging in het Tweede Testament een grote rol speelt. Immers, we lezen hoe ‘het Woord vlees’ is geworden. In Christus komt de Eeuwige ons tegemoet. En wanneer lezen dat de kinderen tot Jezus worden gebracht en dat hij hen de handen oplegt en zegent, dan staat dat verhaal in een lange traditie. De moeders die hun kinderen tot Jezus brengen, doen dat omdat ze voor hen het goede wensen en menen dat ze zich met die bede tot Jezus moeten wenden.  Daarmee leeft de oudtestamentische betekenis van de zegen in de zin van levensoverdracht voort.

Maar er is meer. De lichamelijke aanraking, waaronder de handoplegging, is in het Tweede Testament ook verbonden met het genezende, helende werk van Christus. Christus deelt zijn leven met de ander. De ander krijgt als gevolg daarvan deel aan het leven aan de messiaanse volheid. Die gemeenschap met Christus bewerkt bij zieken genezing, bij mensen met innerlijke moeilijkheden bevrijding. Omdat we de handoplegging bij ziekte in het Jodendom niet kennen, is het wellicht iets dat specifiek het gebaar van de Messias is. We leven immers in een nieuwe bedeling? De Messias is gekomen!

In Handelingen en in de brieven blijft dit aspect bewaard. Daarbij komt nog iets anders: handoplegging wordt meer en meer het gebaar dat verbonden is met de uitstorting van de heilige Geest. Daarmee zijn we dicht in de buurt van Jozua, van wie we lezen dat hij de Geest van Wijsheid bezat, omdat Mozes hem de handen had opgelegd. Maar... het is niet meer exclusief verbonden aan een bepaalde taak!

Ik geef een paar voorbeelden.

•    In Handelingen 8 lezen we hoe Philippus in Samaria het evangelie verkondigt. Er worden mensen gedoopt, er worden mensen genezen. Eerst wanneer Petrus en Johannes uit Jeruzalem overkomen en hen de handen opleggen, ontvangen zij de heilige Geest. De doop zonder handoplegging wordt als onvolkomen gezien, omdat alleen het afleggen van het oude leven onvolkomen is. Het gaat ook om het begin van een nieuw leven. Daartoe ontvangen we de Geest. Het is overigens een belangrijk moment in de heilsgeschiedenis: ook niet-Israëlieten, not bene de Samaritanen, worden opgenomen in het Verbond van God met de mensen.

•    Paulus wordt de handen opgelegd, 'opdat gij weer zoudt zien en met de heilige Geest vervuld zou worden' (Handelingen 9: 17). Zijn zendingsopdracht ontvangt hij later! Dan worden hem opnieuw de handen opgelegd. Handoplegging is dus niet eenmalig, en niet louter verbonden met de vervulling van een roeping of een ambt.

•    We vinden de handoplegging ook wanneer een groep volgelingen van Johannes de Doper in aanraking komt met Paulus. Na door hem gedoopt te zijn, wordt hen de handen opgelegd, en ontvangen zij de heilige Geest (Handelingen 19).

In het licht van dit alles wordt het duidelijk dat het Tweede Testament ook de handoplegging ten behoeve van een speciale dienst of opdracht kent. Ik denk aan de handoplegging van de diakenen, Handelingen 6: 6. In dit 'ambt' van deze 'diakenen' gaat het niet om gezag zonder meer dat aan deze of gene wordt verleend, maar om de heilige Geest! Geen ambt, geen ambtsdrager, heeft in zichzelf gezag. Het gaat om de Geest. Wie het bijbelboek Handelingen op zich laat inwerken, realiseert zich dat het niet gaat om de handelingen der apostelen, maar om het werk van de verhoogde Heer door de kracht van zijn Geest. Die Geest is aan de gemeente geschonken, maar sommigen zijn geroepen tot een speciale taak. Dit alles maakt de ambtsdrager niet onaantastbaar. Zelfs Petrus werd door de gemeente ter verantwoording wordt geroepen (Handelingen 11). Deze beroept zich vervolgens niet op zijn gezag als apostel, maar op een openbaring van de heilige Geest, die hem leerde dat ook de heidenen worden uitgenodigd zich aan te sluiten bij het volk van God. De ambtsdrager wordt toegerust voor zijn taak, maar niet onfeilbaar.
 
In de oude kerk vinden we in eerste instantie een voortzetting van de lijnen uit het Tweede Testament. Maar al snel werd de handoplegging bij de bevestiging in het ambt het belangrijkste. En dit ambt werd steeds exclusiever opgevat. De heilige Geest is aan de geestelijkheid geschonken. Ten behoeve van het volk, dat wel. Maar toch ..... alleen aan de geestelijkheid.

Ten tijde van de Reformatie werd met deze exclusivistische ambtsopvatting gebroken. De weg tot God is via Christus, en de enige noodzakelijke bemiddeling tussen God en mens is die van het Woord en van de Geest. Dat Woord wil overigens wel uitgelegd worden. Vandaar dat er dienaren des Woords worden aangesteld. Er komen ouderlingen, mensen aan wie het bestuur van de gemeente, het opzicht over haar en de pastorale zorg over haar wordt toevertrouwd. Er komen diaken, die de zorg voor de armen op zich nemen. Maar dit neemt niet weg dat voor de kerken der Reformatie Jezus Christus de enige hogepriester is, en de gemeente, naar haar heilige roeping, een volk van priesters. 

De predikant staat niet boven de gemeente in rooms-katholieke zin. Ordinare non est consecrare. Iemand tot het ambt bevestigen is nog niet hetzelfde als hem heilig verklaren. Het feit dat de predikant bevestigd is, maakt hem nog niet tot een heilige middelaar. Hij ontvangt dan ook geen bijzondere status, maar een bijzondere taak. Het onderscheid tussen geestelijke en leek is niet van orde en status, maar van opdracht. Dat is het aloude reformatorische spoor. Maar......

Met de handoplegging is iets vreemds aan de hand. Voor zover deze bleef bestaan, gebeurde dat uitsluitend rond de bevestiging van de dienaar des Woords en bij het huwelijk. Met veel aarzeling: de calvinisten waren buitengewoon gevoelig voor de 'paapse stoutigheden'. De vraag is alleen: waarom heeft men die handoplegging toen beperkt tot de bevestiging van de dienaar des Woords? Mijns inziens hebben we hier te maken met een overblijfsel uit de rooms-katholieke ambtstheologie, dat doorwerkt tot in onze tijd. En waarom alleen handoplegging en zegening bij het huwelijk? Is dat zo’n zware last dat een uitzonderingspositie verdient?

Waneer we in onze gemeente mensen die een taak gaan vervullen de handen opleggen en in de naam van de Heer zegenen, menen we op bijbelse grond te staan. We geloven in dat gebaar zichtbaar en voelbaar te maken dat de Geest zelf hen wil toerusten.   

Er valt over te denken of we niet allen die een taak in de dienst vervullen met een bepaald ritueel moeten inzegenen. Ik denk daarbij onder meer aan hen die de kindernevendienst leiden. We spreken niet voor niets over kindernevendienst. Zo zijn er meer mensen aan wie we kunnen denken.

Er zijn er die hier grote aarzelingen hebben. Moet een zo kostbaar iets als de handoplegging niet heel beperkt worden gebruikt? Maar, zo vraag ik dan, hoe zit dat met het Avondmaal? Verliest het avondmaal zijn kracht als het meer dan 4 keer per jaar gevierd wordt? Wordt het daarmee platvloers? Banaal? Ik ben er nog niet helemaal uit. Maar vast staat dat we onze taak in de gemeente alleen maar goed kunnen vervullen, als de Geest in ons alle ruimte krijgt.

M.J. Aalders


 
spacer.png, 0 kB