Marcus 1: 29-39
Regelmatig is er in onze dagen een gesprek over de zondag gaande. Sommigen zien die dag als andere dagen en hopen dat de winkels ook op die dag meer en meer open zijn, anderen komen met een pleidooi voor een zondag die een andere kleur heeft, een dag zonder verplichtingen, zonder werk en zonder winkels die de hele dag open zijn. Daarmee wordt teruggegrepen op oude wortels, op de sabbat in het jodendom. Sabbat, als je het letterlijk vertaalt kom je uit bij ons woord ‘staken’. Er is een dag dat je mag staken, je werk kunt neerleggen, aandacht mag besteden aan andere zaken. Maar zie toch eens die sabbat van Jezus in Kafarnaum.
Eerst is er de dienst in de synagoge, zijn schriftuitleg die de mensen versteld doet staan en een confrontatie met iemand die het op een schreeuwen zet. Daarna is er de maaltijd bij de schoonmoeder van Simon die ziek te bed ligt. 's Avonds stroomt heel Kafarnaum toe, zieken en bezetenen worden naar Jezus gebracht. Alle inwoners van de stad voor de deur horen we; het lijkt wel haast een overdrijving van de evangelist. Jezus geneest zieken en maakt korte metten met de machten die mensen gevangen houden. De boze geesten van gekwetstheid, wraak, haat. De volgende dag blaast Jezus niet uit, maar is hij al weer onderweg, begint hij een tocht door Galilea. Die sabbat waar wij wat over horen, kun je niet bepaald een ontspannen, vrije dag noemen. Het lijkt wel of Jezus zelf 'bezeten' is, alsof een onzichtbare hand hem rusteloos voortdrijft.
Na de dienst in de synagoge is er de ontmoeting met de schoonmoeder van Simon. Schoonmoeders, boeken kunnen er over geschreven worden… In de verbeelding van vanochtend hoorden we dat ze geen vinger wilde uitsteken. Jezus steekt wel een vinger uit, zelfs meer dan een vinger, zijn hele hand, hij pakt haar hand vast en helpt haar overeind. Het lijkt wel Pasen in dat huis. Alsof die vrouw met al haar kwaadheid en kramp, haar zorgen en koorts opnieuw geboren wordt. Wat speelt hier? Wat gebeurt hier?
Als wij die vragen stellen, zijn we gauw geneigd om te komen met antwoorden die bekend in onze oren klinken. Dan zeggen we dat Jezus een bijzonder talent heeft voor het leggen van contacten. Hij geeft mensen vertrouwen, een gevoel van eigenwaarde. Van zulke ontmoetingen gaat genezende werking uit. Of we zeggen: Jezus is een bijzonder spiritueel mens en ook heel verbaal begaafd. Geen wonder dat mensen in de synagoge diep onder de indruk zijn van zijn onderricht en reageren met de woorden: wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag!
Wat is het geheim van Jezus? Een bijzondere uitstraling? Een retorisch talent? Een geneeskundige begaafdheid? Is het iets bio-energetisch, iets met voetzoolreflexen, met energiebanen? Contactuele kracht? Al die zaken zijn niet onbelangrijk, maar met die antwoorden herleiden we wat er rondom Jezus gebeurt tot zijn kunnen, tot zijn begaafdheid. Maar dan zien we iets over het hoofd, het staat prachtig midden in het evangeliefragment van vanochtend: ’s Morgens vroeg, toen het nog helemaal donker was, stond Jezus op en ging naar buiten, liep naar een eenzame plaats om daar te bidden.
Na een hectische sabbat staat Jezus in alle vroegte op. Het is nog nacht. In de nacht verliezen onze zekerheden hun vastheid. We raken de greep kwijt. We verliezen onze oordelen. We hebben geen beelden meer. Niets meer om ons op te oriënteren. De nacht is donker. We kunnen onszelf niet meer vergelijken, we zijn niet meer hoger of lager, geneeskrachtig of minder geneeskrachtig, moeilijk sprekend of verbaal begaafd, vertrouwvol of twijfelend. Dat valt allemaal weg in het duister van de nacht. We worden met onszelf geconfronteerd, we kunnen niet meer een beroep doen op anderen, of schuld op anderen schuiven. Ontdaan van alles kan er ruimte komen voor de bron van ons leven, voor de Eeuwige. Jezus loopt naar een eenzame, stille plaats om te bidden. Bidden, dat wil zeggen: Gods werk kan beginnen. Wij denken bij bidden zo gauw: wat moet ik zeggen, waarvoor mag ik danken, wat heb ik te vragen? En dat vinden we moeilijk. Ik heb regelmatig aan mensen gevraagd of ze mee willen voorgaan in de dienst van de gebeden tijdens onze vieringen. Die vraag krijgt niet altijd een enthousiast onthaal. Nou hoeven we er niet voor weg te lopen dat wij of althans de meesten van ons, bidden moeilijk vinden. Wat kan ik wel en niet zeggen en vragen, waar zijn er woorden van gebed te vinden? Maar is het eigenlijke bidden niet dat de Onuitsprekelijke, van wie wij ons geen beeld kunnen vormen, aan het woord komt, als een kracht mag gaan stromen in uw en mijn leven. Is het eigenlijke bidden niet dat wij eens even ons mond mogen houden? Eindelijk een halt aan het praten over anderen en het praten over onszelf.
Jezus zoekt een plaats, misschien dat al ons bidden daarmee wel begint. Ruimte maken, een plek zoeken. Een berg opgaan, naar de hei of het bos, een hoekje in de huiskamer, dagen in een klooster - zoveel verschillende plaatsen om aan stilte en bezinning toe te komen. Wat vraagt het leven van mij, wat vragen anderen van mij, wat hebben zij nodig, wat heb ikzelf nodig? Het gaat niet goed met ons als die vragen ondergesneeuwd raken. Jezus zoekt een eenzame plaats om te bidden. Hij trekt zich terug als mensen hem bij zich proberen te houden. Hij weet dat mensen zich op hem blindstaren, succes verblindt. In zijn tijd, in elke tijd wordt Jezus aangekleed met verwachtingen en wensen. Daar doen wij uiteraard ook aan mee. Ik zou het fijn vinden als hij mijn verlangen, mijn hoop belichaamt. Iedereen is naar je op zoek, zegt Simon tegen Jezus en stoort hem daarmee in zijn gebed. Jezus, kom mee terug. Maar hij doet het niet. Misschien wel omdat hij er niet gerust op is wat iedereen in hem zoekt. Omdat hij vermoedt dat ze zoeken, wie hij niet wil en kan zijn. Houd mij niet vast, zal hij ooit zeggen.
Jezus zoekt een stille plek. Hier raken we aan de bron van zijn leven. Niet vanuit eigen begaafdheid doet hij wat hij doet, maar vanuit zijn bron. Vanuit deze bron vloeien zijn woorden en daden voort. Die bron geeft hem genezende kracht. Vanuit de bron worden alle oordelen opengebroken, stellingen gerelativeerd, alle koortsachtigheden aan de kaak gesteld. Want niet alleen die schoonmoeder van Simon, de hele wereld heeft koorts en derhalve genezing nodig.
De bron is krachtig, onweerstaanbaar. Kwade machten leggen het loodje. Mozes stotterde maar leefde uit de bron en zo gaat het in hem stromen en heeft hij het lef om woordvoeder van zijn volk te zijn. Jeremia wist het heel zeker: God, ik kan niet spreken. Maar levend uit de bron wordt hij een groot profeet. Het gaat dus in eerste instantie niet om onze eigenschappen, vermogens, talenten. Dat is een geruststelling voor u en mij: we hoeven het niet te zoeken in het wat en hoe van onze begaafdheden en krachten. Voor alles uit gaat het om een leven met en uit de bron, dat we ons door de Eeuwige laten inspireren, ons door God laten bevrijden van onze koorts. Halleluja!
|