spacer.png, 0 kB
Home arrow Blog arrow 1 Koningen 19: 3-13 (door ds. G.J. de Bruin)
1 Koningen 19: 3-13 (door ds. G.J. de Bruin) PDF Afdrukken E-mail
1 Koningen 19: 3-13

Mam, Pom speelt vals, roept Pim nadat hij een spelletje van zijn zus heeft verloren. Heeft Pom hem een gemene poets gebakken? Of zegt die uitspraak van Pim toch vooral iets over zichzelf… dat hij een slechte verliezer is? In de omgang met elkaar ontstaan onze beelden. Of je nu negen of negentig bent: beelden hebben we allen van elkaar. Voortdurend moet je oppassen dat je elkaar niet helemaal vastlegt op een beeld. Krijgt een ander ruimte om te zeggen: zo ben ik niet, zo beleef ik mezelf niet. De beelden die we koesteren kunnen een open blik op de ander bemoeilijken. Met de beelden die we van God hebben is het niet veel anders als met de beelden die we van elkaar hebben. In elke tijd gaan mensen op zoek naar woorden en beelden die iets kunnen uitdrukken van hun eigen geloof. Wij zijn op verbeelding aangelegd, we verbeelden ons heel wat. Ontelbaar zijn in het bijbels Verhaal de beelden en benamingen voor de Eeuwige. Koning, Herder, Rots, Bevrijder, Onzienlijke en ga zo maar door. We weten dat die beelden tasten naar een geheim dat ten diepste onnoembaar is. We zijn vertrouwd met het Schriftwoord dat zegt: niemand heeft ooit God gezien, maar tegelijk beseffen we dat we zonder woorden en beelden helemaal niets over God zouden kunnen zeggen. Zonder beelden komen we niet uit.

Mam, is dat God? vraagt een meisje van vijf vlak voor kerst op straat terwijl ze op een man met een baard wijst. Nee! Even later, als moeder en dochter in de bus zitten stapt een jongeman met een baard in. Is hij dan God, vraagt het meisje. Nee, zegt haar moeder ietwat verongelijkt. Nou, dan is het zeker Jozef, zegt het kind snedig. Hoeveel beelden van God zal dit meisje in haar leven nog prijs moeten geven? Dat haar prille beelden vragen om aanvulling en correctie is haar moeder wel duidelijk.
Iemand vertelde me ooit over haar strenge God. Er kon nooit eens een glimlach bij de Verhevene af. Altijd was er een opgeheven vinger. Later kwam ze op ons gesprek terug en vertelde me dat ze zich schuldig voelde over wat ze me had toevertrouwd. De Eeuwige nam haar dit vast kwalijk. Geen vriend of vriendin was God voor haar. Steeds was er die vermanende vinger.

Onze beelden vragen om een voortdurende uitzuivering. Kunnen we onze beelden open houden voor de Onnoembare, die groter is dan al onze beelden? Kunnen we wat met onze beelden spelen? Er zijn mensen die niet zo van spel houden als het om geloven gaat. Die houden meer van zekerheid, die willen graag weten hoe het zit met God. Wordt er gezegd dat God ieder ogenblik nieuw is? Dat vinden ze niet zo'n aantrekkelijke gedachte, de kerk heeft toch de eeuwen door de onveranderlijkheid van God benadrukt? Misschien weet u zo langzamerhand wel waar u met de Levende aan toe bent. Misschien denk ik het ongeveer te weten. We lopen dan wel het gevaar dat we niets in de gaten hebben, wanneer de Eeuwige in ons leven verschijnt. Dan gaat God ons ongezien voorbij.

Een chassidisch verhaal vertelt ons over een vroom man, ergens in een achteraf dorpje in Rusland. Uren en uren brengt de man door in gebed. Op een nacht verschijnt hem in de slaap een engel. Wil je God ontmoeten? Niets liever dan dat, antwoordt de man, wat zou het geweldig zijn als God mij daartoe waardig achtte. Ga dan morgen naar het kruispunt, even buiten het dorp, rond het middaguur zul je er God ontmoeten.
De volgende dag is de man er in zijn mooiste pak, vanwege z'n zenuwen is hij meer dan een uur te vroeg. Maar hoe lang hij ook wacht, God ziet hij niet. Bitter teleurgesteld gaat hij tegen zonsondergang naar huis. Niets heeft hij op het kruispunt gezien, God niet, niemand niet. Nou ja, slechts een boer die lange tijd bezig was geweest om het wiel van zijn wagen te repareren. Die nacht krijgt de vrome man opnieuw met een verschijning te maken. Dit keer geen engel, nee, hij herkent de gestalte en het gezicht van de boer. Deze vraagt hem: waarom heb je me niet geholpen? Ik had je toch gevraagd om naar het kruispunt buiten het dorp te komen, omdat ik je nodig had? Vanaf die nacht heeft de vrome man minder tijd voor zijn gebeden. Het wil hem nogal eens overkomen dat hij onderweg naar huis wordt opgehouden.

Het verhaal illustreert m.i. treffend dat Gods verschijning niet hoeft te kloppen met onze verbeelding. Kunnen we ons door de Eeuwige laten verrassen? Kunnen we openheid leren aan het bijbels Verhaal, omdat God nog anders is dan wij denken?

Elia gaat ons in die openheid voor. Veertig dagen en veertig nachten reist Elia tot aan de Horeb. De Horeb is de berg waar het ooit begonnen is, waar de Eeuwige een verbond heeft gesloten met z'n volk. Elia gaat terug naar de bron waaruit alle leven ontsprong. Elia legt zich neer om te gaan slapen. Het vergaat hem als die vrome man, in z'n slaap hoort Elia een stem. Jij hier Elia, wat zoek je hier, wat bezielt je dat je hierheen gekomen bent? Elia verstaat de vraag als een uitnodiging om z'n klacht uit te spreken. Hoe hij zich heeft ingezet voor de zaak van de Eeuwige maar het is hem allemaal bij de handen afgebroken, het volk wil van het verbond niet weten, profeten worden gedood. Elia voelt zich wanhopig, zeer alleen. Niemand die hem nog steunt, nou ja… de Eeuwige staat toch wel aan zijn kant? Dat mag hij toch wel hopen, nu hij de wanhoop nabij is?

Elia is aangeland op de berg waar ook Mozes was. Mozes heeft de Eeuwige gezien nadat Hij voorbijgegaan was, van achteren. Wat zal Elia beleven? Op het moment dat God voorbij zal gaan, steekt er een geweldige stormwind op die bergen splijt en rotsen verbrijzelt. Elia denkt: dit herken ik, zo is mijn God, dit is de God die ik mijn volk verkondigd heb. Als de Eeuwige tot onze wereld komt, gaat het stormen, ooit waaide de Schelfzee door die wind open en konden wij op uittocht. Ja, hier is mijn God. Maar het verhaal laat ons doodnuchter weten: in die wind bevindt de Eeuwige zich niet.
Dan begint het te beven, de aarde schudt op haar grondvesten. Of Elia dit ook herkent. Maar de Eeuwige bevindt zich niet in die aardbeving. Terwijl de aarde nog ligt na te schokken, raast er een vuur over de aarde. Of Elia dit herkent, het vuur spreekt hem een tale. Is hij zelf niet een mens die in vuur en vlam staat voor zijn God? God is toch een verterend vuur, nog maar kort geleden daalde op de Karmel, het vuur uit de hemel neer. Maar het verhaal is glashelder: in het vuur bevindt de Eeuwige zich niet.

En dan.. een gefluister. Met woorden van de Statenvertaling: het suizen van een zachte stilte. Gaat het er om de verwarrende wereld te verlaten om je terug te trekken in de stilte, waar God te vinden is. Is dit een pleidooi voor de binnenkamer, voor stille tijd, voor meditatie? De stilte als ervaring van God?
Gefluister van een zachte bries luidt de nieuwe vertaling, stem die tot stilte beukt een andere, geluid van dun zwijgen een derde vertaling. Hoe moeten we dit verstaan? Is Elia hier aan het einde van zijn Latijn? Of is hier sprake van een zwijgen, omdat er niets meer gezegd hoeft te worden, zoals stilte een bekroning kan zijn van een gesprek waarin we elkaar zeer nabij gekomen zijn. Is de stilte het zwijgen van de bidder die erop vertrouwt dat zij of hij al verhoord is voordat zij of hij iets heeft gevraagd. Of is de stilte een breekpunt, een herboren worden van de mens? Kan de stilte gaan spreken tot Elia, komt hij tot de ontdekking dat de Verborgene in de stilte tot hem spreekt? Het is mysterieus, ik laat die verschillende benaderingen maar naast elkaar staan. Is God dan de God van de stilte? Zoveel is duidelijk: God schreeuwt niet. Iemand kwam bij dit verhaal tot de paradoxale uitspraak dat de enige stem van God zijn stilte is.

Als de stilte tot Elia doordringt, huivert hij en bedekt zijn gezicht. In de Sint Pieter in Rome bedekken vrouwen in de zomer hun blote schouders, de keren dat ik bij de westmuur in Jeruzalem was, zette ik een keppeltje op en de koningin droeg de afgelopen week in de moskees een hoofddoek. Niet elk gevoel voor heiligheid is ons ontvallen. Ooit hield de Eeuwige een hand voor het gezicht van Mozes, maar nu bedekt Elia zelf zijn gelaat. Elia raakte in de ban van wat aan het eigenlijke vooruitging, storm, beving, vuur. Als u en ik, net als Elia denken, dat is nu iets van God, ja zo is God, dan zijn we vaak nog maar bij wat aan de Eeuwige vooruitgaat… Net als Elia moeten we onze beelden steeds weer bijstellen. Ons kennen is onvolkomen, maar belangrijker dan ons kennen is ons gekend zijn en de roeping die daaruit voortvloeit. De stilte blijft geen doodse stilte, er is een stem, een vraag: Elia, mens, wat doe je hier?

In de stilte kan die vraag doorkomen. Hoeveel vragen hoor ik niet omdat ik in drukte gevangen ben? En wat ontgaat u? Hoe kan de stilte tot ons gaan spreken, als het nooit stil is in ons leven? Iemand vertrouwde me toe: Ten diepste staan wij zonder woorden tegenover God. Stil zijn is de meest passende houding. Ik ben steeds meer van de stilte gaan houden en het is de bron van mijn godsbeleving geworden. U wilt wel geloven dat ik van die woorden onder de indruk was.

De stilte is niet het laatste in het verhaal over Elia. Hij krijgt te verstaan: keer terug, keer terug naar waar de mensen wonen, daar waar je nodig bent. Als we de stilte zoeken, dan niet om in de stilte te blijven maar om het vervolgens in de drukte vol te houden. Een weg uit de wereld en naar de wereld toe, net als Jezus die vaak de stilte opzocht, soms om zijn dank te uiten, een andere keer om naar inspiratie en kracht te zoeken of om zich opnieuw te bezinnen op zijn roeping. Een stilte die voor hem en niet minder voor ons broodnodig is, waarin we kunnen opengaan voor God, voor onszelf en voor elkaar.

 
spacer.png, 0 kB