|
Monoloog Hanna uit de dienst van 31 december 2012 (door G.J. de Bruin)
Uit de mond van Hanna (Lucas 2: 36-38) Mijn voeten zijn langs vele wegen gegaan, mijn ogen hebben veel gezien. Hanna, begenadigde is mijn naam. Ik moet u zeggen dat er tijden zijn geweest dat ik geworsteld heb met die naam. Dagen en nachten dat ik er geen raad mee wist. Ik begenadigd? Kom nou, schiet toch op… Ooit was het anders. Mijn man en ik hadden het goed samen. We verwachtten zoveel van het leven. We vierden de feesten van ons volk. Ik hoopte dat mijn wens om moeder te worden in vervulling zou gaan. Maar ik kwam alleen te staan. Van het ene op het andere moment was mijn man mij ontvallen. Alles werd anders. Ik trok me terug, had nergens meer zin in… waar moest ik in vredesnaam heen. Hoe zo begenadigde? Ik was nog jong toen ik alleen kwam te staan. Alleen betekent in mijn cultuur dat je terug gaat naar het huis van je ouders. Maar dat wilde ik niet. Niet dat ik iets tegen mijn ouders had, integendeel… ik hield van ze. Fanuël heette mijn vader, dat betekent zoiets als: het zoeken van Gods aangezicht. Hij deed die naam eer aan en ging zijn kinderen daarin voor. Hij wist ons iets te laten zien van de verborgen omgang met de Onuitsprekelijke. Aan mijn vader kon je zien dat geloven niet alleen maar buitenkant was, nee het raakte hem. Aan de houding van mijn moeder kon ik merken hoe ze van binnenuit koos voor het leven. Tot op de laatste dag van haar leven keek ze alsof het mooiste nog moest komen. Het was te lezen in haar ogen. ik ben dan wel nooit moeder geworden, maar ik heb er wel één gehad. En wat voor één. Wat heb ik veel van mijn moeder en vader ontvangen. Uit hun liefde werd ik geboren. Hoe dankbaar ik ook was, ik besloot niet terug te gaan, toen mijn man zo plotseling overleed. Ik dacht aan het verhaal over die andere Hanna. Die was in eerste instantie ook niet direct begenadigd. Voor zover wij daar althans iets over kunnen zeggen. Ook zij had geen kinderen en waar zocht zij troost? Precies, in de tempel en daarom besloot ik om ook naar de tempel te gaan. Ik heb daar mijn verdriet geuit, niet alleen om wat mij was overkomen, ook het verdriet om mijn volk. Er was veel gebeurd, een op macht beluste koning heerste over ons land. Hij zaaide haat en onrust. God leek in die dagen verborgen, veel mensen waren lamgeslagen. Het was donker om ons heen. Dag en nacht was ik in de tempel om te bidden en te vasten. Ook daar hebben mijn ogen veel gezien. Langzaam groeide er iets van berusting in mij. Of er ook wijsheid in mij groeide moeten anderen maar bepalen. Het werd in ieder geval wat lichter in mijzelf. Is het niet juist vaak in het donker dat het licht van de Eeuwige doorbreekt? Er groeide in mij hoop op andere tijden. Niet alleen voor mijzelf maar ook voor alle jonge mensen die ik om mij heen zag. Ook voor de mensen die naar de rand van de samenleving werden geduwd. Ik deelde mijn hoop met een man die ik regelmatig in de tempel ontmoette. Simeon heette hij, wat was hij bezield en betrokken. Er was herkenning tussen ons, wij zagen het verlangen in de ogen van elkaar. We bevestigden elkaar in de verwachting die we koesterden. Moeilijk vonden we dat de priesters en levieten zoveel drukte maakten als ze hun werk deden. Natuurlijk is het goed als mensen hun godsdienstige plichten kunnen vervullen, daarbij speelden zij een rol… Maar het leek Simeon en mij of de priesters door de situatie in ons land de hoop hadden opgegeven, geen of weinig dromen koesterden. Toen kwam er een dag die ik me nog herinner als de dag van gisteren. Ik heb er nog nauwelijks woorden voor. De dag begon als iedere andere dag, er was ogenschijnlijk niets bijzonders aan de hand. Toen ik in de tempel kwam, zag ik Simeon, hij stond te praten met een moeder en vader die gekomen waren, samen met hun kind. Ik vind het altijd weer ontroerend, jonge mensen die hun kind de tempel binnendragen. Je ziet dan hun liefde en verlangen om het kind dicht bij God te brengen. Maar die dag was het toch nog anders, er was iets met het gezicht van Simeon, hij straalde. Zijn gezicht kreeg iets heel jeugdigs, maar dat had niet met zijn eigen leeftijd te maken. Er was vertedering in zijn ogen. Hij sprak over het kind tegen zijn ouders, ik hoorde hem zeggen dat het kind licht zou brengen. Niet alleen voor ons volk, maar voor alle volkeren. Toen zegende hij het kind. Laat hem gaan, bad hij. Ouders moeten hun kinderen immers altijd laten gaan, hun vrijheid en ruimte geven om te groeien. Maar hij had het ook over de pijn die dat met zich mee kon brengen. En Simeon zong. Er ging zoveel bezieling en kracht uit van zijn lied. Het was een lied dat al een leven lang met mij was meegegaan. Ik weet niet hoe het kon, maar het kreeg opeens zo’n diepe betekenis. Alsof alles wat verkeerd was weer goed zou komen. Toen Simeon stil was, nam ik het zingen over. Ons lied werd gedragen door vleugels van de hoop. Vreemd dat dit alles helemaal voorbij leek te gaan aan de mensen die in de tempel aan het werk waren. Waarom zagen de priesters en de levieten het niet… hadden zij het te druk? Waren hun handen te bezig? Ik zou het willen zeggen tegen hen en tegen iedereen: open je ogen, je oren. Hoor de stem die je roept en wenkt en lokt… Zoek het in de stilte van Gods huis. Leg je handen van tijd tot tijd in je schoot, of vouw ze. Laat de dingen van alle dag je niet geheel in beslag nemen. Blijf dromen, houd het vuur in jezelf brandend. Dan zal Gods toekomst niet iets zijn voor overmorgen of voor morgen maar voor vandaag. De laatste dagen van een jaar denk ik meer dan anders terug aan wat is geweest. Als ik me nu vergelijk met de jonge vrouw die ik ooit was…’t is allemaal zo anders geworden. Ik ben nu verzoend met mijn leven, in vrede met mijn God. Ik koester mijn naam, Hanna. De naam die ik zo lang geleden van mijn ouders heb gekregen. Hanna… ja, ik weet me begenadigd!
|