|
Hebreeen 11: 1-4; 8-16 (laatste zondag van het kerkelijk jaar)
Vandaag gedenken we onze doden. Uiteraard zijn wij voor ons gedenken niet van vandaag afhankelijk; iedere dag kunnen dankbare of pijnlijke herinneringen bij ons bovenkomen. Er is immers zoveel dat ons verbindt met wie ons zijn voorgegaan. Zij hebben ons gestempeld, ons doen en laten beïnvloed. Je kunt je nauwelijks voorstellen wie of wat je geweest zou zijn zonder hen. Het is goed om ook in de kerk op gezette tijden stil te staan bij moeders, vaders, oma's, opa's, kinderen, gelieven, vriendinnen en vrienden, allen die in ons leven belangrijk waren en zijn. We moesten afscheid nemen, iedere dag verder van hen vandaan kan wat meer ruimte geven maar ook pijn. Als mens moet je voort, al weet je soms niet hoe, maar bij ieder afscheid dat ons aangrijpt, zijn we ons ervan bewust dat het leven niet meer zal zijn zoals het was. Ook de schrijver van de Hebreeenbrief gedenkt de doden. Al gaat hij verder terug in de tijd. Hij noemt de geloofsgetuigen van eeuwen her, Abel, Henoch, Noach, Sara en Abraham. Hij hoopt dat zijn lezers zich zullen spiegelen aan die mensen. Hij kiest ze niet willekeurig, nee, deze mensen stonden ergens voor of liever: ze liepen ergens op af, ze leefden toe naar een stad die door God gereed gemaakt wordt. Mensen waren het die niet thuis raakten in hun wereld, die zich er vreemd voelden, ontheemd. Over deze eerste geloofsgetuigen zegt hij: God schaamt zich er niet voor hun God genoemd te worden.
God schaamt zich niet voor hen. Dat vind ik een prachtig zinnetje. Het heeft iets van een moeder of vader die enthousiast tegen iemand anders zegt: O heb je het over die en die, dat is mijn dochter, dat is mijn zoon. Niks gêne of schaamte, hier stuiten we op gepaste trots. Een God die uit hoge hemel laat weten: naar Abel en Henoch, naar Sara en Abraham wil ik heten. Een God die zich er niet voor schaamt hun God te zijn. Ontroerend mooi. Er zijn ongetwijfeld mensen die dit maar moeilijk kunnen vatten. Ze hebben altijd gehoord dat de mens niet deugt, dat zij zelf dus niet deugen. Dat zij mensen zijn die horen tot een verdorven geslacht. Hoe kan er dan sprake zijn van mensen voor wie God zich niet hoeft te generen? Hoe bestaat het dat er mensen zijn, op wie Hij trots is. Wat zijn dat dan voor mensen?
De schrijver van de Hebreeenbrief noemt een aantal mensen, teveel voor vanochtend, maar twee licht ik er voor u uit. Abel en Abraham. Aan hen kunnen wij een voorbeeld nemen. Als eerste wordt Abel genoemd. Niet zonder reden, lijkt me. Alsof onmiddellijk duidelijk moet worden dat de keuze voor de God van Israel je niet een ongestoord of succesvol bestaan garandeert. Messiaans leven is iets anders dan een geslaagd leven leiden. Abel, ademtocht betekent zijn naam. Je kunt die naam ook vertalen als damp, nevel, vergankelijkheid. Een lang leven is Abel niet vergund, hij sterft een gewelddadige dood.
In Genesis krijgt Abel nauwelijks aandacht; het gaat om Kain; die voelt zich miskend, hij vindt dat hij achtergesteld wordt. We weten hoe levensgevaarlijk gevoelens van miskenning kunnen zijn; hele volksstammen voelen zich in onze wereld achtergesteld. Waar kan dat niet toe leiden? Wat moet er van mensen als Kain terecht komen? Hoort op moord niet de doodstraf te volgen? Heeft hij nog recht op leven? In ons land waar al een tijd van verharding sprake is als het om deze vragen gaat, wordt niettemin schande gesproken van culturen waar een moord het begin is van een keten van geweld, waar bloedwraak aan de orde van de dag is. Wat is het lot van de moordenaar in het bijbels Verhaal? We zouden het zelf vermoedelijk niet verzinnen maar de Eeuwige neemt Kain onder zijn hoede, al is Kaïn dan ook een stuk van zijn ziel kwijtgeraakt. Hij dacht Abel tot zwijgen te kunnen brengen, maar dat is niet waar. Het bloed van je broer uit de aarde schreeuwt naar Mij, zegt de Barmhartige tot Kain. Abels stem klinkt nog steeds ook al is hij gestorven, maakt de schrijver van de Hebreeenbrief ervan. Je hoort hem tussen de regels door verzuchten: Jullie denken dat de drammers, de ellebogenwerkers alle aandacht opeisen, de geschiedenis beheersen. En is er dan niemand die zich bekommert om de slachtoffers? Maar het is anders. Abel spreekt nog. Want mensen als Abel mogen rekenen op eeuwige aandacht van Israels God; gelukzalig de zachtmoedigen zegt Jezus in zijn bergrede, als een onderstreping daarvan. In een lied uit ons liedboek heet het: 'Al wie zijn broeder haat, begaat een moord. God heeft ons niet geroepen om te doden, samen te leven heeft Hij ons geboden. Alleen de liefde plant zijn schepping voort.' Dat lied zou in politieke arena’s gezongen moeten worden, samen met al die beleidsmakers die de illusie koesteren dan strenger straffen helpt.
Door stil te staan bij geloofsgetuigen als Abel en Abraham wordt ons heel wat over God onthuld. De Barmhartige wordt geschilderd als een God die niet kan aarden in onze wereld, een God die er maar niet aan kan wennen als ergens onschuldig bloed vergoten wordt, die er zich niet bij kan neerleggen dat het recht van de sterkste geldt op aarde, die geen rust kent voordat de schepping is geworden wat Hem voor ogen stond: een oase van vrede.
Bij deze rusteloze God horen mensen die overal wonen maar nog nergens echt thuis zijn, die zich vreemdeling voelen. Het zijn onaangepaste figuren die zich niet settelen omdat ze uitzien naar een andere wereld. Sara en Abraham werden uitgedaagd tot een zwervend bestaan. Toen er een stem klonk, zijn ze gegaan, op hoop van zegen. Zie Sara en Abraham gaan: van Ur naar Haran, van Haran naar Kanaan, van Kanaan naar Egypte en weer terug. Zij zijn allochtonen bij uitstek. Illegalen zouden ze vandaag misschien genoemd worden. Hun leven strookt met de Eeuwige die voortdurend in beweging is. Israels God zoekt mensen die ook in beweging blijven omdat het leven nog niet is zoals het worden moet, omdat we niet mogen berusten in wat krom, onrechtvaardig is.
Voor de duidelijkheid: het gaat bij de geloofsgetuigen niet om geslaagde mensen of succesrijke mensen. Want zo goed of succesvol zijn de genoemde getuigen niet. Noach heeft op een gegeven moment een probleem met alcohol, Abraham neemt een loopje met de waarheid als hij in het nauw gebracht wordt: Sara is dan opeens zijn zus. Sara op haar beurt schiet venijnig uit haar slof tegen Hagar. Deze mensen zijn geen heilige boontjes, hun leven gaat niet altijd van een leien dakje. Maar God voelt zich met hen verwant omdat zij op aarde ontheemden en bijwoners gebleven zijn, hun leven lang. Zij zijn gestorven zonder de beloften te hebben verkregen. Het herinnert me aan de bekende woorden van Adriaan Roland Holst:
Ik zal de halmen niet meer zien noch binden ooit de volle schoven maar doe mij in de oogst geloven waarvoor ik dien...
U en ik, wij kunnen ons leven zien als deel van een groter geheel, denken aan een verder reikend doel, een oogst. Doe mij in de oogst geloven... Met dat perspectief hebben de geloofsgetuigen geleefd, hun arbeid op de akker was ten dienste van een latere oogst. Kunnen zij een voorbeeld voor ons zijn? Om hun geloof worden zij geprezen, zegt de schrijver van Hebreeen. Wil je weten wat geloven is, kijk dan naar die wonderlijke trekvogels, naar Sara en Abraham en die anderen van het eerste uur. Lijken u en ik wat op die vreemdelingen? Ik vind dat een lastige vraag. Voor ik er erg in heb, voel ik me thuis in de wereld van alledag. En vind ik alles gewoon en vanzelfsprekend. Maar ik kan toch niet steeds mijn ogen sluiten voor het lijden van de tegenwoordige tijd? U toch ook niet? Wat laten wij het zwaarste wegen: de toekomst van God of het heden met al zijn aanspraken?
Altijd weer is er die tegendraadse boodschap. Een God die niet wenst te berusten in het bestaande... En mensen meekrijgt die zich niet neerleggen bij onrecht en geweld. Abel, Henoch, Noach, Sara en Abraham hebben vele navolgers gekregen. Die vormen samen een lange stoet door de eeuwen heen en die stoet vraagt om steeds nieuwe mensen die het estafettestokje aanpakken, die stoet vraagt om ons.
We gedenken vanochtend wie ons zijn voorgegaan. Heel die wolk van getuigen... Mensen uit het verleden die we niet persoonlijk kenden maar over wie we gehoord hebben en soms nog tot ons spreken. Mensen met wie we nauw verweven waren, die we missen, meer dan we zeggen kunnen,
Opa, wat wilt u eigenlijk worden, vroeg een kleinkind aan z'n opa, een paar maanden voor zijn dood. Dat is toch opmerkelijk… Je hebt de leeftijd van de sterken bereikt, bent je meer dan ooit bewust van je eindigheid maar je kleinkind ziet je als iemand met nog een hele toekomst voor je. Alsof je nog groeien kan: opa, wat wilt u worden? Het was een vraag die die grootvader ontroerde en is bijgebleven, de laatste maanden van zijn leven. Maar is die vraag van dat kind niet de kortste samenvatting van de Hebreeenbrief? Dat wij aan de toekomst zullen horen? Dat het er niet om gaat wat achter ons ligt maar om wat voor ons ligt. Dat we afgaan op het Koninkrijk?
Over maanden, jaren, eeuwen heen kijken vele geloofsgetuigen ons vandaag even aan. Ik zie Sara en Abraham zitten voor hun tent, de wind strijkt langs hun gezicht. Ik hoor het tentdoek klapperen; een flinke windstoot en hun behuizing loopt waarschijnlijk schade op. Toch zijn ze voor het moment tevreden met hun onderdak omdat ze nog niet thuis zijn. Daarin lijken ze op hun God die onderweg is. Kan hun verlangen ons verlangen wekken? Ik vertrouw erop dat de belofte die zij kregen ook geldt voor ons en voor degenen van wie wij afscheid moesten nemen. We hoorden toch dat God zich niet schaamt te heten naar mensen? Maar dan wil Hij ook heten naar onze doden en heten naar ons. Die belofte kunnen, mogen we beamen als we gaan zingen: Geef o God, dat onze namen in uw licht te lezen zijn.
|