spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Preken arrow Jesaja 25:6-9 en Lukas 14:12-24 (door ds. M. Visser)
Jesaja 25:6-9 en Lukas 14:12-24 (door ds. M. Visser) PDF Afdrukken E-mail
Preek op 15 mei 2011 in de Handwegkerk over Jesaja 25:6-9 en Lukas 14:12-24
dienst met avondmaal


Gemeente van Christus!
Wat is de kerk? Ik wil het vandaag eens heel kort zeggen: de kerk is de plek waar mensen plezier hebben. De plek waar gevierd wordt. Waarom? Omdat Jezus onze zonden teniet gedaan heeft, toen hij gekruisigd werd. En omdat hij, toen hij opstond uit de dood, ons nieuw leven gegeven heeft! Plezier dus – vanwege die bijzondere God van Israël. Zie je, dat is de kerk: de plek waar mensen plezier hebben. Omdat daar alle reden toe is.

Dit plezier, dat is trouwens wel iets anders dan dat we nu heel jolig met elkaar zouden zijn. Hoewel dat best zou mógen. Maar ik bedoel: jolige mensen zijn er al genoeg. Een gemeentelid in de Paaskerk wees daar laatst eens op. Zij vertelde dat haar opviel dat er op televisie in allerlei programma’s de hele tijd ontzettend hard gelachen wordt. ‘Waarom moet er de hele tijd zo gelachen worden?’ zei zij. Ze vond het een ontkenning van hoe onze wereld eruit ziet. En ik denk dat ze gelijk heeft. Sinds die vrouw dat zei, is mij het ook gaan opvallen: dat lachen. Bij nader inzien klinkt het heel onecht. Het lijkt wel alsof daardoor iets overschreeuwd wordt. Ik weet niet precies wat…

In de kerk gaat het dus niet om dat jolige. Het gaat om een ander plezier, een ander soort vreugde. Het is een blijdschap, vanuit een diep weten (of althans een sterk vermoeden) dat de God van Israël een feest voor ons in petto heeft. Dat begrijpen we niet, maar we belijden het! En we ervaren het niet (let wel: we ervaren dat niet!), maar we horen het en we zingen ervan! Het gaat zelfs dwars tegen alle ervaring in. Wij weten ook wel dat het er in onze wereld en in ons leven niet op lijkt. Maar dwars daar tegen in, nemen we in de kerk toch nu al een voorschot op dat feest.
We komen naar de kerk en daar wordt het ons alvast aangezegd. En we zingen alvast dat lied. En we proeven er alvast iets van. We nemen alvast een klein hapje, aan deze tafel: het is natuurlijk een teken van niks, maar éven hebben toch maar mooi de smaak in onze mond van het brood des levens. Even de smaak van de wijn van het koninkrijk van God. En je doet je ogen dicht en heel even ben je, met Jesaja, op die berg Sion. Sta je daar met álle volkeren aan die ongelofelijke maaltijd: met vette spijzen zonder dat iemand nog aan de lijn hoeft te denken. En met goede wijnen, die lang gelegen hebben en precies op dronk zijn.

Dáár nemen we een voorschot op: op dat feest dat georganiseerd wordt door de God-van-mensen zélf. En dat is dus de kerk: de plaats waar dat feest alvast een beetje gevierd wordt. Waar we dát plezier nu al hebben. Als een enorm tegengeluid, een tegenervaring: tegen alle verdriet in. En ook tegen al het onechte grappige gedoe.

II
En zo is dus God. Zó is hij dus! Wij denken eindeloos na over wie God nu eigenlijk is, we breken ons hoofd erover. Maar zo is hij dus: een gastheer, een organisator van een feest. Zo komt hij plotseling tevoorschijn, midden in dat boek Jesaja: als een God die van de wereld een feestzaal maakt, met de berg Sion als het stralend middelpunt. Daar staat de tafel.
Zo is deze God. En dat is precies de reden waarom in het Nieuwe Testament Jezus voortdurend met mensen aan tafel gaat. Omdat de maaltijd het koninkrijk van God-in-het-klein is. (En tussen twee haakjes: wij kunnen daar ook iets van ervaren, gewoon in onze eigen dagen. Als we samen aan tafel gaan, met je gezin, met vrienden, of juist met vijanden, met wie dan ook. Rond de tafel, kaarsen aan, schalen aan elkaar doorgeven: dat kan niet anders dan op z’n minst een teken zijn van wat de bijbel bedoelt!)

III
Wij hoorden een gedeelte uit het Lukasevangelie waarin Jezus ook aan tafel zit (of ligt). En wel met Farizeeërs. Farizeeërs, de schriftgeleerden, de mannen van de wet – ze komen er in het evangelie vaak niet goed vanaf. Het zijn vaak de opponenten van Jezus. Maar Jezus gaat ook met hen aan tafel. En dat op zich is natuurlijk al opvallend. Wij leven in een tijd van een ongelofelijk wij-zij-denken. Je bent moslim of je bent het niet. Je bent Nederlander of je bent allochtoon. Je bent voor Amerika of je bent tegen. Zo is dat vandaag. Misschien is dat wel nooit anders geweest. Omdat mensen altijd scheidingen aanbrengen tussen mensen, muren bouwen. Maar Jezus gaat met zijn opponenten aan tafel.

En aan die tafel geeft Jezus op een gegeven moment een wat wonderlijk advies: als je een maaltijd organiseert, en je wilt mensen uitnodigen – nodig dan liever maar niet je vrienden uit, of je rijke buren. Want ze zouden je nog terugbetalen! En dan wordt je er beter van, en dat is niet de bedoeling. Dat zegt Jezus. Zo, denk daar maar eens over na.
Hoe dan ook, een van de tafelgenoten reageert enthousiast: Zalig al wie brood eet in het koninkrijk van God! Nou, prachtig, het lijkt wel liturgie, niets mis mee, zou je zeggen. Maar Jezus heeft iets gehoord in dat zinnetje. Hij heeft gehoord dat zijn tafelgenoot zichzelf bedoelt! Dat hij naar zichzelf en om zich heen wijst: ‘Heerlijk, kijk ons eens, wat zijn wij, wij met ons kluppie, er goed aan toe! Het lijkt het koninkrijk van God wel.’

IV
Een zeker mens richt een grote maaltijd aan. En hij nodigt velen uit. Maar dan het ongehoorde: op het moment dat de maaltijd dan gereed is, en er nog even een slaaf op uit gestuurd wordt om de gasten te zeggen dat het nu echt zover is – dan, op het allerlaatste moment, zeggen ze allemaal af.
Eén heeft er net zijn vakantie geboekt. ‘Het spijt me echt. Maar ik moet nu echt nog even een keer in de folder de plaatjes bekijken. Dat begrijp je natuurlijk.’
En een volgende is net getrouwd en zegt: ‘Ja sorry, ik zit aan die vrouw vast…’

En zo gaat het feest dus niet door. Het feest kan niet doorgaan. Want als er geen gasten zijn, dan is er ook geen feest. Maar dan gebeurt het. Onbegrijpelijk, absurd wat er dan gebeurt. Want het is voor de gastheer namelijk niet denkbaar dat het feest niet doorgaat. Hij piekert er niet over om de verse koffie weg te gieten, het eten in te vriezen. Nee! Het feest gaat door. Het zál doorgaan.
Hij laat gewoon alle armen en misvormden binnenbrengen. Wij zouden zeggen: de mensen in het Zonnehuis, van de gesloten afdeling, in hun rolstoelen, in hun bedden. En die mensen worden niet vriendelijk uitgenodigd. Nee, die worden gewoon gehaald. Ja, sterker nog die worden er aan hun haren bijgesleept. Dwing ze om binnen te komen, want mijn huis moet vol worden! roept de gastheer. Dwing ze! Ik vind het zo prachtig dat dat woordje er staat. Onze reformatorische traditie heeft op een gegeven moment een prachtig woord geïntroduceerd: de onwederstandelijkheid van Gods woord. Hij is onwederstandelijk. Onweerstaanbaar. En zo is het maar net: Dwing ze!

V
Lieve gemeente, het feest gáát door. De God van Israël zál van zijn wereld een feestzaal maken. Hij zal midden in de wereld een tafel neerzetten waar iedereen omheen past, waar iedereen van kan eten. En er is niets wat deze heer kan tegenhouden.
Mensen verpesten het. Wij gaan niet in op de uitnodiging, wij kunnen niet of we willen niet of we geven niet thuis. Dat is wat wij op t.v. zien, en om ons heen: het feest wordt aan alle kanten verpest! Maar lieve mensen, heel ons geklungel, en onze schuld, onze domheid en onze traagheid; dat we niet willen – dat alles maakt niet dat dit feest niet doorgaat. Het gaat door. Het komt er. En het is er ook al.
Dan wel op zijn manier. En wat is zijn manier? Tot ieders stomme verbazing: met de zieken, de mismaakten, de gemankeerde, gekwetste mensen. Je zou er bijna van verzuchten: het is ook altijd hetzelfde liedje in die hele bijbel. Het is steeds weer die omkering: de laatsten zullen de eersten zijn. En zo is het maar net: dat is hét liedje van de bijbel.

En zometeen staan wij aan deze tafel. Om íets te proeven van dat feest. om even een voorsmaak te krijgen van dat gekke feest van de God van Israël. En hoe staan wij hier dan? Hoe komen we hier dan naar toe zometeen? Net zoals die Farizeeër, die zei: ‘Kijk ons nou eens, wat zijn we er goed aan toe! Boffen wij even, dat wij bij het kleine clubje van welwillenden horen’?
Nu, het zou wel eens kunnen dat wij ontdekken, dat wij veelmeer die mensen zijn die er aan hun haren bijgesleept zijn. Dat denk ik. Ik denk dat dat het is wat je ontdekt aan deze tafel. Dat je dát gaat zien op dit feest: dat God zo is. Dat hij juist oog heeft voor de mensen met hun makken, hun gebreken, hun blessures. En dat hij óns ook zo ziet. En dat hij ons daarom liefheeft, en ons daarom op zijn feest wil hebben. Niet omdat je zo welgesteld bent, niet omdat je zo’n goed mens bent of zo gelovig. Nee, hij ziet jou, en hij gaat jou halen, waar je ook bent, met heel je gebrek, en je pijn, en je ongeloof en je twijfels en je angst. Zo gemankeerd als wij zijn mogen wij zijn feestgangers zijn. Sterker nog, we móeten het!


Lof zij u, Christus!


 
spacer.png, 0 kB