spacer.png, 0 kB
Home arrow Blog arrow Paasnacht 2011 (door ds. G.J. De Bruin)
Paasnacht 2011 (door ds. G.J. De Bruin) PDF Afdrukken E-mail
Paasnacht: drie verhalen uit het Eerste Testament en een korte overweging

Het verhaal van de schepping (naar Genesis 1 en 2)

Lang, heel lang geleden… was er helemaal niets.
Geen zon en geen maan,
geen bossen en geen bomen,
geen mens die roept: hier ben ik!
Het is donker, chaos, het is een warboel

God zegt: Ik ga orde scheppen in de chaos
God roept: licht! En er is licht.
Midden in al het donker straalt het licht.
Uit het water van de moerassen ontstaat de zee.
En er komt land te voorschijn. Daarboven een blauw dak en witte wolken.

Omdat God het op de aarde koud vindt, maakt Hij de zon.
De zon begint het zand te verwarmen,
glinstert prachtig op het water.
Voor de nachten schept God de maan en handenvol sterren.
Dat zijn tot vandaag de lampen aan het plafond van de wereld,
God houdt niet van hele donkere nachten.

De aarde is nog kaal en saai.
Daarom maakt God van gras een groen tapijt.
Hij trekt grote stoere eiken uit de grond,
moerbeibomen en ranke, zilverwitte berken.

Ook komen er bloemen, ontelbaar veel bloemen,
rode, witte, gele, blauwe bloemen.
Klaprozen en boterbloemen, meizoentjes en fluitenkruid…
God geniet van hun mooiigheid en ziet dat het goed is.

Maar wat is het stil, wat is er zo weinig beweging.
God spreekt: ik ga dieren scheppen; alles wat kruipt en sluipt en stampt. En gelijk is het gedaan met de stilte. Er klinkt gemiauw, gekakel, gebrul en geblaf. En in de zee wemelt het van vissen. Tonijn, kabeljauw, tong… hier en daar een haring. Dolfijnen gaan buitelend door de golven, maken vreugdesprongen, walvissen spuiten fonteinen van water omhoog.

Alleen in de lucht is het nog rustig. Maar dat duurt niet lang. God krijgt een lumineus idee, hij schept vogels; die waren trouwens al gauw gevlogen. Maar overal klinkt er nu gefluit en gekoer. Merels doen een wedstrijd: niet wie het hardst maar wie het mooist kan zingen. Hun kwinkeleren klinkt God als muziek in de oren. Heel sierlijk zeilen vogels door de lucht. God hoort en ziet dat het goed is.

God merkt dat er toch nog iets ontbreekt. Ik mis iets of iemand die net als ik kan genieten en mijn naam kan uitspreken. Er is niemand die mij antwoord geeft als ik roep. Er is niemand die een beetje op mij lijkt.

De Eeuwige neemt klei en begint te boetseren. God kneedt de klei en begint naar een vorm te zoeken. Langzaam groeit er iets wonderlijks uit de klei. Armen en benen, handen en voeten, billen…oren, ogen en een neus…het lijkt wel een mens. God kijkt ernaar, houdt een moment de adem in en blaast die dan in de neus van de mens. Als God de mens ziet die hij heeft geboetseerd, voelt hij zich gelukkig. God knikt naar de mens en zegt: 'Dag mens, dag Adam.'  En krijg als antwoord: ik ben uw mens en u bent mijn God.

Zo is de aarde geschapen. De mensen trokken over heel de aarde, kregen kinderen, hakten hout om huizen te bouwen, raakten verdeeld in volken, voerden oorlog en sloten vrede. Ze bouwden tempels, kerken en moskeeën om God te zoeken.
Je kon de mensen horen roepen: Waar bent u? Wie bent u? En altijd weer ontdekken we een verlangen naar vrijheid, leeft er een vreemd heimwee naar een stem die ons roept.               
            = = = = = = =

Het verhaal van Noach (Genesis 5-9)
In oeroude tijden zijn er meerdere overstromingen geweest. Het heeft er de schijn van dat God de schepping weer ongedaan wil maken. De oerwateren bedekken de aarde, het lijkt wel het einde van de wereld. De rabbijnen vertellen dat God al gauw een hard hoofd had in zijn project schepping. De mensen luisterden niet naar hem en maakten ruzie met elkaar. De Eeuwige was de vertwijfeling nabij. Zou er nog een mens zijn die zich een kind van God wist, die recht deed?

Zo iemand is er. Bijna had de Eeuwige Noach over het hoofd gezien. Maar aan Noach kan hij zijn hart ophalen. Een gaaf, integer mens.
Bouw een grote kist, krijgt Noach te horen. En direct begint hij te timmeren, ook kleine en grote hokken voor de dieren. Als mensen en dieren na heel wat geklus in de ark zijn, is het God zelf die de deur achter hen sluit. Heel de schepping is aan boord als het begint te regenen. Zachtjes tikt de regen tegen het vensterglas. Dat is gewoon. Wat later begint het hard te regenen. Dat is ook nog gewoon. Maar het wordt steeds erger, de sluizen van de hemel lijken te zijn open gezet. Het water tilt de ark omhoog. ’t Lijkt wel een reddingsboot. Soms hoor je de stem van Noach als de wind even gaat liggen: lieve dieren, wees niet bang.

Pas na een paar maanden houdt het op met regenen en na nog een hele periode drijft de kist niet meer maar raakt vast, aan de grond
Noach laat een raaf uitvliegen maar die vindt geen landingsplek. Wat later een duif, ook die vindt aanvankelijk geen rustplaats. Maar bij een nieuwe poging komt de duif terug met een verse olijftak in haar snavel. Een teken van hoop. Noach haalt opgelucht adem, hij weet dat hij nu bijna de ark kan verlaten en voet aan wal kan zetten. Ik hernieuw het verbond met de mens, krijgt Noach te verstaan, ik zal de mens bewaren. De boog in de wolken wanneer de zon schijnt terwijl het regent, wordt het teken van de afspraak die de Eeuwige met Noach maakt. Wie in onze dagen de regenboog ziet, mag weer even stilstaan bij het verbond van God en mens, het teken van zijn trouw. Alle reden om in de wolken te zijn.
Vanavond dit verhaal als straks twee onzer het teken van de doop ontvangen. Want ook het verhaal van Noach met zijn wonderlijke reddingsboot is een doopverhaal, heel de wereld gaat door het water heen om weer boven te komen. De Eeuwige blijft trouw aan zijn schepping. Daarover gaan we nu zingen.
 = = = = = = =                                                                            

Het verhaal van het vuur en de stem (over Mozes, Exodus 3 vv.)
Mozes trok met zijn schapen over de steppe, maakte een lange tocht en kwam aan het einde van de dag bij de Horeb.
Daar zag hij een doornstruik in lichterlaaie staan. De rode gloed deed pijn aan zijn ogen. Het verbaasde Mozes dat de struik niet verteerde. Hij wilde dichter bij de struik komen. Maar uit het struikgewas klonk een stem: Mozes, Mozes, niet verder!  
Blijf waar je bent en doe je sandalen van je voeten. Waar je nu staat is heilige grond.
De stem maakte zich bekend. Mozes, ik ben de God van jouw vaderen, van Abraham, Isaak en Jakob. Ik ben een God van mensen.
Mensen die lachen en wenen, feesten vieren en in zorgen zijn.
Mensen die werken en zwoegen, planten en zaaien, de vrucht van hun werk aan anderen nalaten. Mensen die hopen dat het morgen beter wordt.
Toen bedekte Mozes zijn gezicht, want hij durfde niet met eigen ogen naar God te kijken. De stem ging verder: ik heb de nood van mijn mensen in Egypte gezien, ik heb hun hulpgeroep gehoord. Ik weet hoe de mensen lijden. Dat mag niet langer duren! Jij, Mozes, mag mijn helper zijn om het volk te bevrijden, om het weg te leiden uit dat angstland, uit de onvrijheid naar waar het goed is, naar een land van overvloed.
Mozes, de mensen gaan met jou mee en verborgen ga ik met jullie mee. Overdag als een wolk, ’s nacht als een vuur. Als je tochtgenoten vragen naar mijn naam, mag je antwoorden: ‘Ik zal er zijn’ heeft mij naar jullie gestuurd.   
= = = = = =
         
Korte overweging, na het aansteken van de Paaskaars
We beleven iets van de geboorte van het licht, het licht dat zich als een lopend vuur  verspreidt, dat gaat van hand tot hand.
Laten we nog kijken naar de weg die het licht is gegaan. Kijken om er meer en meer in te gaan delen.

God riep: er zij licht en er was licht. Dat is het daglicht waarin wij iedere dag leven. Het licht in onze ogen, ons levenslicht.
Het licht kwam bij Abraham, het licht van het geloof. Het licht dat ons kan dragen als het donker is.
Het licht kwam bij Mozes en bij Israël in Egypte. In het diepste duister van de slavernij heeft het licht ons bezocht en bevrijd. Ik-zal-er-zijn is zijn Naam. Als een vuurzuil gaat hij ons voor.
Toen ontgloeide het licht in de profeten. Mensen die als een fakkel brandden in hun ijver voor de Eeuwige, die door zijn liefde waren geraakt en beslissend beïnvloed. Zij hoorden ongekende woorden en gaven die aan ons door, woorden als vurige kolen, waarachtig en teder, verschroeiend en verwarmend. Woorden die maar al te gemakkelijk in ons kunnen doven.

Tenslotte ging het licht op in de graftuin, het was nog vroeg. Wij kwamen bij het graf, vanuit het graf sprak het licht ons aan: Hij is niet hier. Hij gaat jullie voor naar Galilea.
Hij gaat ons voor, als een lamp voor onze voeten. Sta op en wordt licht want het licht is in ons opgestaan. Dat de steen van de dood die ons opsluit in het graf weggerold mag worden in deze nacht. Zodat wij hem kunnen volgen naar het Galilea van ons dagelijks leven. In Amstelveen of waar ook maar. Dat het licht van Pasen ons zal aansteken als een vuur, ons mag geleiden op onze weg.
                                                              

 
spacer.png, 0 kB