Filipenzen 2:1-11, belijdenistekst Remonstrantse Broederschap Berlicum 9 juli 2006, Engelen 27 augustus 2006, Lith 22 april 2007, Dordrecht 26 augustus 2007, Hengelo Thabor 14 oktober 2007 Delden oktober 2010, Almelo en Dronten 20 februari 2011, Amstelveen 6 maart 2011
Afgelopen najaar sprak onze synode over de nota ’Spreken over God’. Een nota die het levenslicht zag n.a.v. een boekje van collega Klaas Hendrikse die een inzicht van eind 19e eeuw weer eens oppoetste, namelijk dat je niet meer kunt spreken over het bestaan van God, hooguit over God als een gebeuren, of God in het gebeuren. Nou ja, niemand is de kerk uit gegooid en da’s mooi, maar tegelijkertijd vind de voorzitter van de synode wel dat er grenzen zijn aan wat je wel en wat je niet kunt zeggen zonder dat het vervolgens duidelijk is wat die grenzen zijn. Dat kan ook nooit duidelijk worden, want wie heeft God gezien? En wat weten wij nu op de keper beschouwd van God. Het is hoe dan ook volstrekt duidelijk, eens te meer, dat tal van geloofsvoorstellingen aan het verschuiven zijn. (Overigens is deze nota nu als gespreksonderwerp in de gemeente te bestellen) Wie durft, wie kan er nog woorden vinden om samen te vatten wat het christelijk geloof inhoudt, voorstelt, wat het zich verbeeldt?
Dat zoeken is geen bezigheid van de laatste tijd. Want zo lang als de kerk bestaat, zo lang zijn er de pogingen om het geloof – laat ik zeggen – op formule te brengen, samen te vatten, in de kern te verwoorden. We lazen net die bekende tekst die de apostel Paulus schreef aan de gemeente van Filippi en die beroemde passage over de gezindheid van Christus beëindigt hij dan met de woorden: ‘Jezus Christus is Heer’. Vermoedelijk hebben we hier met de oudste en kortste christelijke belijdenis te maken. Niet de keizer met al zijn macht en kracht is Kurios, is Heer, maar de gekruisigde, de man uit Nazareth, die geen enkele macht en geen enkel aanzien naar zich toetrok. De oudste christelijke belijdenis spreekt heel nadrukkelijk over Jezus en over hem zijn in iedere christelijke belijdenistekst woorden te vinden. Want eigenlijk direct na Goede Vrijdag en Pasen begon het nadenken over zijn betekenis en zijn persoon.
Daar kwam nog bij dat het evangelie de vertaalslag moest maken van een intern joodse aangelegenheid naar de toenmalige internationale Grieks/Romeinse wereld. Wie was die Jezus? Wat betekent dat wonderlijke verhaal van zijn opstanding uit de dood? Waar was zijn dood met terugwerkende kracht dan goed voor? Hoe verhoudt hij zich tot God? Vragen te over. Antwoorden ook trouwens. En de apostelen en zij die na hen de leiding van de kerk overnamen hadden hun handen er vol aan om ‘de boel een beetje bij elkaar te houden’.
En om dat voor elkaar te krijgen, de snel uitdijende christelijke gemeenschap een beetje bij elkaar te houden, werden na eindeloze disputen, vergaderingen en concilies belijdenisteksten opgesteld die de christelijke waarheid in de kern zouden samenvatten. Handig voor intern gebruik: voor geloofsonderricht, om mensen wegwijs te maken in het geloof, om bij de hand te hebben in tijden van onzekerheid, om de grenzen te kunnen stellen ook: dit en dat zien wij als de waarheid, zo wil het christelijk geloof verstaan worden.
En natuurlijk ook voor extern gebruik: om andersdenkenden in kort bestek te kunnen vertellen waar het uiteindelijk om gaat, om de overheden te informeren over het hart van het geloof, om mensen die nog geen kennis van het christelijke geloof hebben een korte samenvatting te kunnen geven. Belijdenissen als bakens, ijkpunten, begrenzingen van wat men op dat moment als waarheid zag. Ik zeg ‘op dat moment’. Dat klinkt nogal modern relativistisch, alsof het op een ander moment al weer anders zou zijn. Dat vind ik inderdaad, maar de schrijvers van de belijdenisteksten zagen dat anders. Het ging om niets minder dan de eeuwige waarheid en als het moest dan werd er alles teweer gesteld om die waarheid te verdedigen. Zo nodig te vuur en te zwaard. Er zijn een hoop doden gevallen in de kerkgeschiedenis ter wille van de waarheid. De zaken werden scherp gesteld.
Voorbeeld: de belijdenis van Athanasius, een van de drie algemene belijdenissen (redactie 6e eeuw n. C.) eindigt met de volgende woorden: ‘Dit is het katholieke geloof. Wie die niet getrouw en vast gelooft, kan niet behouden worden’. Einde citaat. Dan heb je toch een probleem als je in de tekst dingen tegenkomt die je inderdaad niet getrouw en vast gelooft. De tekst als scherprechter. Te vaak heeft de kerk het zo gebruikt. En voerde men het oordeel vast uit, het oordeel waarvan men zeker meende te weten dat dat ook Gods oordeel zou zijn.
De protestantse traditie is op dat spoor doorgegaan, met belijdenisteksten die ten opzichte van de vroegchristelijke flink waren uitgebreid. De grenzen moesten streng bewaakt tegenover zowel het rooms-katholicisme – menigeen heeft wellicht nog de tekst uit de Heidelbergse Catechismus over de verderfelijke paapse mis uit het hoofd moeten leren -, maar ook tegenover theologen die naar veel meer ruimte en denkvrijheid zochten. Waaronder met stip de Remonstranten, de vrijdenkers van wie we de recente belijdenistekst net gelezen hebben. Maar de Dordtse leerregels en de Nederlandse Geloofsbelijdenis stellen vlijmscherp: zulke mensen kunnen het heil vergeten.
Nu wordt de reformatorische soep doorgaans al lang niet meer zo heet gegeten als die toentertijd werd opgediend. Anekdote: toen ik mijn kerkelijk examen had gedaan moest ik als aankomend predikant met mijn handtekening instemming betuigen met de drie formulieren van enigheid, de drie protestantse belijdenisteksten die wemelen van de geloofsvoorstellingen waar een gelovige van nu veelal geen kant mee op kan. Voordat ik tekende heb ik tegen de aanwezige afgevaardigden van de classis gezegd dat ik mij inhoudelijk weinig of niets kon voorstellen bij wat ik ondertekende, maar dat ik het zou doen met hetzelfde dubbele gevoel waarmee de aanwezigen dat zelf vermoedelijk ook ooit gedaan hadden. Ik vroeg de scriba die opmerking in de notulen op te nemen. Meer dan wat ongemakkelijk gegniffel kwam er niet.
Onze kerk, de uit fusies samengestelde Protestantse Kerk in Nederland, onderschrijft formeel nog steeds die drie algemene belijdenissen, samen met de eerder genoemd drie protestantse belijdenissen uit de 16e en 17e eeuw, en sinds de fusie aangevuld met een Lutherse belijdenis. Maar slechts een deel van de kerk, vooral te vinden in de behoudende Gereformeerde Bond, ijkt het geloof nog min of meer op die belijdenisteksten. In de praktijk is onze kerk een pluralistische kruiwagen vol kikkers die lustig alle kanten op willen springen. Bovendien leven we in een tijd van individualisme en postmodernisme (volgens sommigen in de nadagen daarvan): de grote verhalen, de grote lijnen, de grote tradities ook lijken aan hun einde te zijn gekomen; maken in elk geval een tijd van verval door. Het postmodernisme: alles is een beetje waar en een ieder googelt en zoekt zijn of haar waarheid bij elkaar. Een gegeven dat in menig godsdienstsociologisch onderzoek naar voren komt.
Dat gegeven van al die shoppende mensen die hun eigen waarheidjes bij elkaar sprokkelen roept tegelijkertijd ook de behoefte op aan een nieuwe duidelijkheid en dat is inmiddels overal voelbaar. Onze landelijke kerk kwam een aantal jaren geleden met een nota: ‘Leren leven van de verwondering’. Mooie titel, enthousiast onthaal in de synode met natuurlijk naar goed protestants gebruik de nodige kritische noten overal in den lande: te veel zus, te weinig zo. De synode haalde het dan ook niet in het hoofd om de tekst het karakter van een belijdenis mee te geven. Het zou zonder twijfel de prille fusie zwaar onder druk hebben gezet. Nee, het wordt een ‘uitgangspunt voor het beleid’ genoemd. Een beleid van de ene na de andere bezuiniging, maar inhoudelijk niet goed weten welke kant het op zou moeten gaan. Ja, we moeten vooral missionair worden, naar buiten gericht, maar waarmee? Daar zijn we grondig verdeeld over.
Wie schetst mijn verbazing en verrassing toen ik vlak daarna de nieuwe belijdenistekst van de Remonstrantse Broederschap onder ogen kreeg. Even ter opfrissing van uw kennis van de kerkgeschiedenis: de Remonstranten waren de mensen die in de loop van de 16e en 17e eeuw niet uit de voeten konden met de loodzware reformatorische leer van de dubbele uitverkiezing: God zou mensen vanaf de grondlegging van de wereld al in twee groepen hebben voorbestemd: zij die behouden zouden worden en zij die verloren zouden gaan. Mocht het probleem zich nu nog serieus voordoen, dan zouden wij met z’n allen terstond Remonstrants worden, vermoed ik. Maar dat terzijde. Terzijde 2: wat ontzettend jammer dat de Broederschap niet in het Samen-op-Weg proces betrokken is geworden.
Een nieuw belijdenisgeschrift dus, inderdaad geschreven met het oog op de post-moderne verwarring, want wat is nog waar? Wat kun je nog in hedendaags Nederlands over het geloof zeggen zonder er direct alles relativerend achteraan te roepen dat je ook maar wat zegt en voor jouw opvatting een betere? De Remonstranten hebben het aangedurfd om een tekst te ontwerpen die richting geeft, en tegen alle verwarring en vaagheid en relativisme onder woorden brengt wat het christelijk geloof voor mensen van nu kan betekenen. Heel nadrukkelijk niet als begrenzing en beperking, maar als ruimte om verder te denken en te bezinnen.
En zo kom ik bij de tekst zelf. Ik moet uitkijken dat ik niet al te zeer in superlatieven over deze tekst ga spreken. Maar de aanhef vind ik magistraal en ontroerend tegelijk: ‘Wij beseffen en aanvaarden dat wij onze rust niet vinden in de zekerheid van wat wij belijden, maar in verwondering over wat ons toevalt en geschonken wordt’ Voel je wel, wat een ruimte hier direct wordt gemaakt? Je vindt je rust niet in een geschrift, in een tekst die de waarheid zou moeten bevatten. Ook deze niet dus. Nee, het gaat onmiddellijk om het leven, over de verwondering over wat ons daarin geschonken wordt. De rijkdom van het geloof wordt niet gevonden in formules van waarheid, maar in ervaringen van verwondering en genade.
Met drie van die formules waarin eerst wordt gezegd hoe het niet is, om vervolgens alle ruimte te maken voor hoe het geloof zich wel manifesteert, komen de opstellers bij de meer geloofsinhoudelijke thema’s. Tal van belijdenisteksten kennen de trinitarische opbouw van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Het is een vondst van grote eenvoud en betekenis dat die volgorde in deze tekst is omgedraaid.
Het begint dus met de Geest. En het eerste wat van de Geest wordt gezegd is dat die al wat de mensen scheidt te boven gaat. Opnieuw, wat een ruimte. En wat worden hier tegelijkertijd harde noten gekraakt over al onze onderlinge begrenzingen van wij en zij. De Geest bezielt mensen tot wat heilig is en goed. Wat een perspectief wordt hier geboden. Wat een enorme visionaire kracht ligt in deze woorden verborgen, omdat dit geloofsbesef doet zoeken naar de wijze waarop de Geest ook in andere tradities dan de onze mensen bezielt en vooruitroept naar de toekomst.
Hier worden grenzen geslecht die eeuwenlang mensen uit elkaar hebben gehouden. Ik hoor hier niet alleen de begrenzingen in tussen de christelijke kerken, maar alle begrenzingen komen onder kritiek te staan, en hoe actueel in deze tijd van groeiende spanningen tussen het ‘westerse’ christendom en de islam en tussen hindoeïsme en islam.
De tekst zet zo anders in: er is één werkelijkheid die al onze kleine en afgebakende ‘werkelijkheidjes’ te boven gaat: het is de werkelijkheid van Gods Geest. Daar waar dit beleefd, gezien, ervaren, geloofd gaat worden, daar wordt het zaad van de vrede en het Koninkrijk ruimschoots gezaaid en het zal vruchtdragen.
En dan komt dat deel over Jezus, ik zei net al, in ieder christelijk belijdenisgeschrift een belangrijk onderdeel, omdat de kerk van den beginne heeft gezocht naar woorden en beelden die zijn verhouding tot God en de betekenis van zijn lijden en opstaan wilde beschrijven. ‘Wij geloven in Jezus, een van Geest vervulde mens, het gelaat van God die ons aanziet en verontrust’.
Hoe de relatie tussen Jezus en God te beschrijven? Probleem van de kerk vanaf het allereerste moment. Ik laat ter vergelijking even de belijdenis van Constaninopel-Nicea van 325 n C. aan het woord: ‘Wij geloven in één Here Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader, en door wie alles geworden is…’ Mooie taal, maar zo zouden we het nu nooit meer zeggen.
Maar de bedoeling is dezelfde: de intense band tussen God en Jezus beschrijven. De Remonstranten houden het zo eenvoudig mogelijk, met taal die ruimte laat voor verschillende invullingen: ‘een van Geest vervulde mens’. Is hij de enige, zijn er zo meer zoals hij? Maar de tekst gaat verder: ‘het gelaat van God die ons aanziet en verontrust’. Niemand heeft ooit God gezien. Maar in de mens Jezus herkennen wij de trekken van de Eeuwige. En als wij dat herkennen in Jezus, dan verontrust ons dat. Want dan zien we tegelijkertijd alles in ons eigen leven, in de mensen om ons heen en in de samenleving dichtbij en verder weg wat zo haaks staat op zijn woorden van liefde en recht.
De discussie, de moeizame discussie die zo onbevredigend is verlopen de laatste jaren over de opvattingen van theologen als Nico ter Linden en Cees den Heyer over de opstanding, - je hoort in de zeldzame zorgvuldigheid van de hier gekozen woorden een mogelijkheid om de elkaar uitsluitende opvattingen te overbruggen: ‘Hij had de mensen lief en werd gekruisigd, maar leeft, zijn eigen dood en die van ons voorbij’.
Ten aanzien van deze geloofsuitspraak over Jezus ligt mijn belangrijkste punt van kritiek. Jezus komt mij te veel ‘uit de lucht vallen’. De apostolische geloofsbelijdenis zei nog: ‘geboren uit de maagd Maria’. Waarbij dan alle nadruk komt te liggen op de bijzondere geboorte. Ik mis de historische en theologische verbinding met Israël. En ik zou dat er als eerste bij gezegd willen hebben: wij geloven in Jezus, zoon van Israël, een van Geest vervulde mens enz.
God wordt niet de Vader, maar - overigens helemaal in de traditie van Israël - de Eeuwige genoemd. Ondoorgronde liefde, grond van het bestaan, waarmee het klassieke thema van de schepping in woorden van nu vertolkt en vertaald wordt.
De ruimte die ik net al noemde, de ruimte die de verbondenheid met de ander zoekt, komt in het laatste deel over de kerk nogmaals nadrukkelijk terug. We zijn geroepen, met Christus en allen die geloven verbonden, kerk te zijn in het teken van de hoop.
Eén kerk dus, misschien dan wel verdeeld in tal van kerkgenootschappen, maar wel één kerk. Elke aanspraak de ware kerk te zijn, of de voortzetting van de ware kerk te zijn kan wat de opstellers van deze tekst aangaat bij het gescheiden huisvuil. Het zoeken naar de waarheid mag gerecycled worden, om terug te keren als grondstof voor authentiek zoeken; maar de arrogantie en de hoogmoed: weg ermee.
En wat van Christus eerder werd gezegd, dat wordt nu ook van ons persoonlijk gezegd: dat ons leven verloopt in de tijd die God schenkt: tijd om te leven, te sterven en op te staan in het koninkrijk dat is en komen zal. We zijn mensen die geroepen worden. En dan komt het aan op horen, op verstaan. En daarom lazen we net de belijdenis van Israël, want in die traditie staan wij als christenen: ‘Hoor Israël, Sjema Jisraël, de Eeuwige, jouw God, de Eeuwige is één’. Hoor, geroepen worden, woord, verstaan. Ook nu, ook in onze tijd zal het daarop aankomen.
Het woord van Paulus dat God zal zijn alles in allen is mij uitermate dierbaar, om dezelfde redenen van ruimte en grensoverstijging die ik in het begin noemde. Menigmaal beëindig ik mijn preken er ook mee, want korter en mooier kan het niet gezegd worden. Deze belijdenistekst eindigt tot mijn grote vreugde ook met deze tekst van de apostel: God zal voor eeuwig zijn: alles in allen.
Ik ga afronden. Zonder overdrijving wil ik zeggen dat deze belijdenistekst op dit moment, in deze tijd, in ons taalgebied een zegen is voor alle kerken, en meer dan dat, voor heel onze samenleving. De Remonstrantse Broederschap kreeg in de hoofdstroom van het Nederlandse protestantisme niet de ruimte om te mogen geloven in vrijheid. Hen werd het oordeel aangezegd. Nu, zoveel eeuwen van verkettering en gescheidenheid later, reikt dit kleine kerkgenootschap ons over de grenzen van weleer een uitermate kostbare tekst aan die te denken geeft, die richting geeft, die bruggen bouwt, en ontvouwt, die de verlammende relativering van alles is wel een beetje waar achter zich laat, en die ons boven alles opnieuw op het spoor zet van Jezus, zoon van Israël, die ons in alles is vooruitgegaan op weg naar Gods toekomst, inderdaad, als de Eeuwige zal zijn, alles in allen. Hij, het gelaat Gods, dat ons aanziet en verontrust.
Laat de afsluitende lofprijzing van de belijdenis, ook die van dit moment mogen zijn: Aan God zij de lof en de eer, in tijd en eeuwigheid. Amen
|