|
© M.J. Aalders , 19 december 2010, preek in de Handwegkerk Amstelveen. Overname van een (deel) van de preek alleen met toestemming van de auteur.
Gemeente van de Heer,
Hij was zijn werk kwijtgeraakt, en gezien zijn leeftijd was het nog maar de vraag of hij weer wat zou vinden. Kom je je dagen een beetje door? vroeg ik hem. Maar dat bleek mee te vallen. Hij was, zo vertelde hij, maar eens begonnen aan zijn stamboom, en allengs steeds enthousiaster geworden. Tot zijn verbazing was hij niet de enige die aan deze geslachtsziekte leed. Toen hij het archief voor de eerste keer bezocht, was hij getroffen door de talloze grijze hoofden die zich daar buigen over hun stamboom. Allemaal vutters en gepensioneerden, op zoek naar hun wortels. Op zoek naar een antwoord op de vraag: wie ben ik eigenlijk? Waar hoor ik eigenlijk bij? Vroeger, toen ze nog werkten, was het simpel en duidelijk. Maar met hun werkkring was een deel van hun identiteit verdwenen. Vandaar die vraag. Wie ben ik nu eigenlijk? Wie ben ik nu nog? Nu, nu ik geen werk meer heb? Tot zijn schrik had mijn vriend ontdekt dat er nogal wat predikanten onder zijn voorgeslacht voorkwamen, en een flink stel armoedzaaiers.
Ook in het oude Israel waren stambomen van belang. Wie een taak in de tempeldienst begeerde, moest met zijn billen bloot. Hij moest zijn stamboom op tafel leggen. Die moest onberispelijk zijn. Maar Matheus kan niet verhelen dat die stamboom van Jezus geen stamboom is om trots op te zijn. Sterker nog, hij lijkt er zelfs geen poging toe te doen. Voordat het hele verhaal begonnen is, heeft hij de toon gezet.
Het eerste deel, dat ging nog wel. De familie van Jezus bestond uit sociale stijgers. Van Abraham tot en met David. Veertien geslachten. Van herdersvorst tot koning over heel Israel. Dan heb je het toch niet slecht gedaan. Maar daarna ging het bergafwaarts, richting ballingschap en verder het moeras in. Weer veertien geslachten. Verspeeld land van belofte. Vervreemding. Afgodendienst. En dan, na de ballingschap, weer veertien geslachten. Tijd van vreemde overheersing, van emigratie ook: er woonden meer Joden buiten het beloofde dan erin. Op de vlucht voor de armoede. Hoezo, land van melk en honing?
Men zegt wel dat de getalswaarde van het woord David 14 is. Iedere letter heeft een bepaalde waarde, en samen geeft de naam David een waarde van 14. Driemaal wordt gezegd dat Jezus de christus is, driemaal wordt impliciet verwezen naar David.
En dan, dan is er nog iets dat opvalt. Het is nota bene een stamboom met vrouwen! Nogal logisch, zult u zeggen. Zonder vrouwen geen nageslacht, en zonder vrouwen geen voorgeslacht. Maar dat is niet zo logisch als het lijkt, want in het Joodse erfrecht speelden vrouwen geen enkele rol. Ze konden gemist worden als het om dat soort zaken gaat. Juist daarom vallen deze vrouwen zo op. Vier vrouwen worden er genoemd. Omdat het vrouwen zijn. En vanwege de rol die zij speelden. Tamar, Rachab, Ruth en Bathseba hebben twee dingen gemeen: in seksueel opzicht waren ze bepaald niet behept met een victoriaanse preutsheid, en het waren nog buitenlanders bovendien.
Tamar, dat is die prachtige vrouw die zichzelf prostitueerde en met haar schoonvader Juda sliep om de schande en de zorg van de kinderloosheid te ontkomen.
Rachab woonde op de wallen van Jericho, en had van de prostitutie zelfs haar broodwinning gemaakt. Maar niemand gaat voor zijn plezier de prostitutie in.
Ruth deed haar verleidelijkste kleren aan, zocht een prikkelend parfum uit, en kroop bij Boaz in bed. Ze was tenslotte maar een vreemdeling, een moabitische nog wel. Met weinig kansen in deze samenleving.
Bathseba, die het met de echtelijke trouw klaarblijkelijk net zo moeilijk had als David. Misschien had ze niet durven weigeren, uit angst voor haar mooie hachje.
Nee, onberispelijk is deze stamboom niet. Het is bepaald geen stamboom om trots op te zijn. Ballingschap. Schande. Verspeeld paradijs. Straf op de zonde. En dan die vrouwen, met de mannen natuurlijk die daarbij horen. Het is alsof Matheus hier even de vuile was buiten hangt. Moet dat nou, Matheus, moet je dat nu allemaal aan de grote klok hangen?
Ja, dat moet Matheus aan de grote klok hangen. Dat is nu precies waar het om gaat. Om die hele geschiedenis van moreel verval, van falend koningschap, van ballingschap. Hij moest dat wel aan de grote klok hangen. Want daar gaat het nu juist over in onze mensengeschiedenis. Een verloren paradijs, daar heeft Matheus het over. Over ons mensen, in onze zwakheid, in ons falen. Al die geheimen, van Juda en Tamar, van Ruth en Boaz, van David en Bathseba, de Heer kent ze. De Baalshoogten, de valse profeten, de corrupte priesters. Israël keerde God zij dank terug uit de ballingschap. Opnieuw veertien geslachten. Maar opnieuw: afgodendienst, bezetting. Romeinen in het land. De tempel versierd met een afgodsbeeld. Opnieuw: het beloofde land verspeeld. En ondertussen gaan en komen de geslachten. Eleazar verwekte Matthan, Matthan verwekte Jakob. En Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus verwekt werd. Uit wie Jezus verwekt werd.
Ho. Dat is opmerkelijk. Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus werd verwekt. Dat is, in heel die stamboom, de enige keer dat er een passieve werkwoordsvorm wordt gebruikt. En dat er geen man genoemd wordt als verwekker. Alsof Matheus ons hier vertelt dat heel die wereld van mannelijke potentie uitloopt op ballingschap en onderdrukking. Op pijn en moeite. Op vervreemding en armoede, op honger en oorlog. Dat is waar de wereld van de mannelijke potentie ons brengt. Dat wil Matheus niet verhelen. Dat kan hij niet verhelen, want daar gaat het nu juist om. Het gaat om Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus verwekt is. Jezus, dat wil zeggen: de Heer zal ons redden. Concreet: hij zal zijn volk redden van hun zonden.
Dat gaat niet om pekelzonden, om een kleine zonde. Zelfs niet om doodzonden. De bijbel kent trouwens dat onderscheid niet. Maar zonde, dat is, naar Bijbels spraakgebruik, je doel missen. Niet toekomen aan je bestemming. Dat kan een individu betreffen, maar veel vaker betreft het in de bijbel de koers van de samenleving. Vandaar dat er in Bijbel nooit een koning is zonder dat de Heer ook een profeet meezendt. Macht corrumpeert, zo simpel is het. Dus moet er iemand zijn die dat aan de orde stelt. Macht corrumpeert. De meeste mensen zijn blijkbaar niet in staat de weelde van de macht te dragen. In de kerk niet, en in de politiek niet. Micha wist waar alles van. Hij was één van de radicaalste profeten uit de bijbel, met vlijmscherpe kritiek op de dames en heren in Jeruzalem. De vraag is altijd weer: wat voor samenleving zou je willen? De apenrots, met bovenop de grootste en de sterkste? Of een samenleving waar ook de weduwe en de wees hun plaats hebben? Waartoe zijn wij op aarde? vraagt een leerboek uit de katholieke kerk. Dat is de vraag. Waartoe zijn wij op aarde? Hoe zullen we onze samenleving inrichten? Als Matheus zijn boek over Jezus met deze stamboom begint, als de kerk dit verhaal al eeuwenlang leest in de tijd van advent, als wij in deze weken van boete en voorbereiding uit Micha lezen, dan gaat het over deze vragen. Waartoe zijn wij op aarde? En: hoe zullen we onze samenleving inrichten?
Wie hier een antwoord verwacht van de natuurwetenschappen, komt vast en zeker uit bij de apenrots en bij het alfamannetje, en bij de survival of the fittest, bij de natuurlijke selectie. Deze week deed een van de Tweede Kamerleden een oproep om aan Iran de oorlog te verklaren. Een preventieve oorlog tegen de Islam, om de eigen vernietiging te voorkomen, tegen Iran, tegen Turkije, en natuurlijk tegen alle islamieten in ons goede vaderland. En alle Palestijnen mogen naar Jordanië, want die Palestijnse staat is er al lang. Ik weet niet of iemand deze man serieus heeft genomen. Men is er in die partij al weer op terug gekomen, en dat moeten ze zelf weten. Ze hebben in ieder geval weer de krant gehaald, en misschien was dat het enige doel. Maar er zit weinig christelijks aan, aan zo’n oproep. Wie het kind waar Matheus het over heeft, serieus neemt, droomt toch van een andere samenleving. Die herkent dat de weg van het menselijk verwekken uiteindelijk doodloopt in de ballingschap. Dit kind kiest niet de weg van het geweld, niet de weg omhoog naar de top van de apenrots, niet voor het recht van de sterkste. De nadruk is in de loop der jaren komen te liggen op de maagd die zwanger zal worden, maar dat is niet waar het Matheus om te doen was. Het gaat hem erom om te laten zien hoe de eeuwige in de gestalte van een kwetsbaar mensenkind zijn volk opzoekt. De geboorteverhalen vormen de opmaat voor een kwetsbaar leven. Zo, zo kwetsbaar als een kind, zo is hij onder ons aanwezig geweest. Van het begin tot het eind. Van Herodes tot en met Pilatus. Van Bethlehem tot in Jeruzalem.
Van deze Jezus heet het in de brief van Petrus: 22 die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden; 23 die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; 24 die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft, opdat wij, aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven; en door zijn striemen zijt gij genezen.
Nee. Dit is geen stamboom om trots op te zijn. Dit is een stamboom om dankbaar voor te zijn. Een stamboom die laat zien hoe God zich betrokken weet bij ons voortdurend zoeken naar het verloren paradijs. Hoe hij ons in onze ballingschap komt opzoeken. Onze pijn deelt. En ons de weg wijst uit de woestijn. Waar onze menselijke wegen doodlopen door onze schuld, schept God nieuwe ruimte, waar onze menselijke wegen eindigen in ballingschap, schept God een nieuwe toekomst. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Amen.
|