spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Prekenarchief arrow Ruth 1: 19b-22 (door ds. G.J. de Bruin)
Ruth 1: 19b-22 (door ds. G.J. de Bruin) PDF Afdrukken E-mail
Ruth 1: 19b-22 (en Genesis 50: 7-14)

Naomi staat vanochtend in ons midden. Als opmaat enkele opmerkingen over vader Jakob. Een verhaal over zorgvuldig afscheid nemen, over tijd nemen om het verlies tot je door te laten dringen. Dat is wat Jozef en zijn broers doen. Jakob wordt niet in stilte begraven zoals je van tijd tot tijd wel tegenkomt in rouwberichten in de krant. Jammer denk ik dan soms, jammer voor de mensen die deel hadden willen nemen aan een laatste eerbetoon. Worden er door de beslotenheid niet mensen buitengesloten? Is het geen ontkenning van verbondenheden die op wat voor manier dan ook gegroeid kunnen zijn met de mens die nu overleden is. En omgekeerd, wanneer de plechtigheid in alle openbaarheid geschiedt… kan het ons geweldig goed doen, om te merken hoeveel die lieve dode, waar wij zo mee verbonden zijn, heeft betekent voor anderen, méér dan we wellicht konden bevroeden. Dat zit niet altijd in het aantal mensen dat komt, nee: die ene brief, die paar gestotterde woorden, dat gebaar, die ene blik. Al die kleine, grote dingen die een begin van een weg naar de toekomst banen.

Naomi wil van toekomst niet weten. Na tien jaar keert ze terug naar Betlehem. Ze heeft gehoord dat de hongersnood voorbij is. In Moab heeft ze niets te zoeken. Het is het land van de dood, van haar rampspoed. Ze verloor er haar man en haar beide zonen. Nu gaat ze terug naar haar wortels. Tot haar verbazing heeft Ruth haar duidelijk gemaakt dat ze meegaat naar Betlehem. In woorden heeft Naomi haar schoondochter gezegd terug te keren, maar misschien klonk er toch in door: blijf bij me, hou me vast, laat me in godsnaam niet alleen.
Naomi nadert haar geboortegrond. Hoe zullen de mensen haar ontvangen? Zullen ze haar nog herkennen? Wat zal ze te horen krijgen, als ze haar zien? Hoe fijn om te horen, dat ze haar hebben gemist. Maar als Naomi, samen met Ruth door de poort het stadje binnengaat, wordt het ijzig stil, niemand die haar aanspreekt. Wel ziet ze verbaasde gezichten, mensen die elkaar veelbetekenende blikken toewerpen en ziet ze soms iemand gauw een huis in vluchten.

Er zijn vrouwen die bij elkaar te rade gaan: is dat Naomi? Maar waar is haar man dan en haar zonen? Die jonge vrouw die bij haar is, wie is dat? Is het echt Naomi? Niet te geloven zeg, wat is ze oud geworden. Het leed is haar aan te zien. Waar heeft ze dat aan verdiend? Ze had hier ook nooit weg moeten gaan. Ach, ik hoef het u niet te zeggen: het oude volksgeloof dat beweert dat je krijgt wat je verdient is onuitroeibaar, is van alle eeuwen. Al die gefluisterde gedachten en ideeën brengen Naomi in een isolement.

Ik weet niet of u die ervaring kent dat u, toen het u voor de wind ging, kon rekenen op de steun en de sympathie van mensen, en dat u veel minder steun kreeg en
mensen zag, toen het u niet goed ging. Het is de harde ervaring van wie een verlies hebben geleden, dat ze door anderen gemeden worden, mensen met wie ze tot dan toe heel goed omgingen. Ze vertellen ons: ik zie bekenden in de supermarkt  een ander pad inschieten, op straat zien anderen me opeens niet meer. Het valt voor ons ook niet mee om naar een huis van rouw te gaan. Soms durven mensen het eerlijk te bekennen als ze opmerken: ik ben niet gegaan, ik weet echt niet wat ik zeggen moet. Misschien is juist de erkenning dat je met een mond vol tanden staat een goede basis om te gaan - maar daar is moed voor nodig. Er wordt óver Naomi gesproken, niet mét Naomi.

En dan blijft Naomi staan en vormt zich een kring van omstanders om haar heen. Ze zegt: Inderdaad, ik ben Naomi. Maar alsjeblieft, noem mij niet meer zo. U moet weten: haar naam betekent zoiets als lieflijkheid. Naomi gaat verder: ik ben mijn man en mijn beide zoons verloren. Alles had ik toen ik hier wegging. Maar zonder hen kom ik hier terug. Waarom zouden jullie mij nog Naomi noemen? Noem mij maar de verbitterde, want zo voel ik mij, noem mij maar Mara. Ik kan de kleurrijke bloei van bomen en struiken niet langer verdragen. Leeg voel ik me, mijn dagen zijn leeg en God is me vreemd geworden.

Wie van ons zal het Naomi kwalijk nemen, dat ze het grote verdriet van haar leven op rekening van de Eeuwige schrijft? Eerst een hongersnood, dan de dood die tot drie keer inbreekt en haar leven op de kop zet - wie zal het kunnen verwerken zonder geschokt te zijn, ook gelovig geschokt? De naam van Naomi's man Elimelech betekent: God is koning. Ze vraagt zich vertwijfeld af: is God wel koning? De Levende is tegen mij, is de indruk van Naomi en wie heeft dat in een situatie van rampspoed niet ook wel eens gezegd of gedacht? De spoken die ons kwellen, de ziekten die ons vellen - waar komen die vandaan? Waarom? Waarom overkomt mij dit? Heb ik iets verkeerd gedaan en is dit nu mijn verdiende loon? Naomi moet wat hebben afgepiekerd, op zoek naar een reden van de haar overkomen rampspoed. Maar waar zij haar vragen stelt en iets van een antwoord formuleert, wordt in het bijbels Verhaal in grote wijsheid gezwegen.

De Ontzagwekkende heeft het mij aangedaan, zegt Naomi. Haar ervaringen kleuren haar beeld van God. Niemand die haar tegenspreekt, gevoelens laten zich immers niet ontkennen. Maar wat Naomi zegt, wordt ook door niemand bevestigd. Nergens in het verhaal vinden haar woorden grond. Het verhaal laat het open, het geeft geen aanleiding om gebeurtenissen in ons leven gelijk te stellen met de wil of de bedoelingen van God. Dat kon in heidense religies misschien, maar Israël heeft zich daar juist van bevrijd. Niet dat zulk heidendom enkel iets van vroeger is. Ook vandaag valt te beluisteren: je moet maar denken, het zijn niet de mensen die het je aandoen. Alsof wij daar iets mee opschieten, want wie doet het ons dan aan? God? Ja, dat zou in Moab misschien kunnen… daar zit achter alles wat er gebeurt wel een god of godin.
Wat is die joodse regel toch humaan die zegt dat een mens die haar of zijn naaste verloor de eerste tijd niet hoeft te bidden. Bidden is dan een taak voor de omgeving. Als je die ene verliest die zoveel voor jou betekende, dan verlies je immers God ook een beetje, of meer dan een beetje.

Naomi spreekt over de Ontzagwekkende. De oudere vertaling had het over de Almachtige. Niet een Godsnaam die in het bijbels Verhaal vaak voorkomt. Wel bij herhaling in het boek Job, maar daar is het een aangevochten Naam, onderwerp van een heftig twistgesprek tussen Job en zijn vrienden. Het komt nog het meest voor in het laatste bijbelboek, in Openbaring, die verhalen en visioenen hoe het zal zijn als de eerste dingen zijn voorbijgegaan. 't Is alsof ons gezegd wordt: ook de Eeuwige is nog gebonden, kan zijn macht nog niet ten volle doen gelden, er zijn nog kwade machten aan het werk. Die nu nog niet te voorkomen zijn, zoals de macht van de dood. Aan het eind zal de Levende zijn doel bereiken, dan zal de liefde het winnen van alle tegenkrachten. Dan zal Gods macht blijken, dan zullen de tranen van onze ogen worden geveegd, geen dood zal er meer zijn…

Kunnen mensen dat geloven, als het donker is en de weg naar de toekomst geblokkeerd? Wij kunnen dat niet altijd, Naomi kan het niet als ze Betlehem binnengaat, daarvoor is ze te verbitterd. De Levende heeft mij met lege handen laten terugkomen. Zo in beslag genomen door het verlies kan een mens zijn, dat niet gezien wordt wat er wel is. Er is toch iemand die Naomi's lege handen heeft vastgegrepen? Maar Naomi heeft op dit moment geen oog voor Ruth. Wat moeilijk moet dat voor Ruth zijn, om te ervaren dat ze over het hoofd wordt gezien.
Misschien kent u die ervaring dat je niet of nog niet ziet wat een ander eigenlijk voor je betekent, wat die ander je geeft. Je kan zo vervuld zijn van jezelf, van je eigen zorgen en gemis, zo opgesloten zijn in jezelf. Wat een opgave voor die ander is het dan om vol te houden, om te beseffen dat het een tijd lang van één kant moet komen.

Naomi is aan het einde van haar Latijn. Noem mij maar Mara: de bittere. Dat is een naam die beter aangeeft hoe zij zich voelt. Ze is aan het éinde, maar tegelijk horen we subtiel: het is het begín van de gersteoogst. Betlehem staat opnieuw in bloei. Het is de tijd van Pasen, van onvermoed licht in de nacht, van leven door de dood heen. Naomi heeft er geen oog voor, kan het nog niet zien.
Ik zou wel een psalm voor haar willen zingen, over hoop op thuiskomst uit ballingschap. Maar dat is troost die voor Naomi nu nog te vroeg komt. Toch gloort er iets, straks is er nieuw leven voor Naomi. De goede verstaander bemerkt dat er iets op komst is. Halleluja!

 
spacer.png, 0 kB