|
Deuteronomium 15: 1-11 (met aandacht voor Oikocredit; Lucas 18 ged.) Er zit een wonderlijke spanning in het fragment uit Deuteronomium. Dat is u misschien opgevallen in dat moment van stilte. Uw oog bleef wellicht haken bij dat zinnetje: Niemand zal in armoede leven. Maar even later wordt ons meegedeeld: armen zullen er bij u altijd zijn. Wat een merkwaardig tegenstelling is dat. Laat ik het even vertalen: er zal geen muziek zijn, want musici zullen er bij u altijd zijn… Er zal niemand in ouderdom leven, want ouderen zullen er altijd zijn. Geen Amstelveners, want Amstelveners zullen er altijd zijn. Wie zulke zinnen uitkraamt, wordt, denk ik, meewarig aangekeken. Onder het mom: die is niet helemaal goed snik.
In de woorden uit Deuteronomium klinkt ervaring en wijsheid van vele eeuwen door. Het is alsof de schrijvers denken: laten we nog eens bij het begin beginnen, hoe God ons in een heerlijk land bracht, een vruchtbaar land. Tarwe, gerst, wijnstokken, vijgen, granaatappels – het ontbrak ons werkelijk aan niets. Dat was het ons gegeven land, dat ‘gegeven’ is iets om nooit te vergeten. Ook voor ons, vandaag. Hoe heerlijk is het om als zusters en broeders in het beloofde land samen te leven. Ga niet spreken over armen want armoede is onbestaanbaar. Dat is Israels droom: er zal geen arme zijn.
Maar wat gebeurt er in de loop der eeuwen? De agrarische samenleving verliest haar oorspronkelijke karakter, steeds meer boeren raken in de schulden. Meer en meer ontstaat er een samenleving van arm en rijk, van hoog en laag, van een geprivilegieerde klasse en een menigte arme sloebers. Een onmogelijke mogelijkheid.
Het bijbels Verhaal windt er geen doekjes om: er zullen geen armen zijn en als ze er toch zijn dan zijn ze arm gemaakt. Dat is een andere benadering dan te zeggen dat het de schuld van de armen zelf is, als zouden ze de handen eens wat meer uit de mouwen moeten steken. Of, wat je soms ook wel hoort: het is een economische wetmatigheid dat je armen en rijken hebt, dat is echt onvermijdelijk. Een andere beproefde strategie is om je ogen sluiten voor de feiten; om niet gehinderd door enige kennis zeggen dat er in ons land geen armen zijn. De eerste de beste bijstandsmoeder met opgroeiende kinderen kan iemand die dat zegt uit de droom helpen. Zoals er ook armen zijn in andere rijke landen, niet in het minst in ongeveer het rijkste land van de wereld: de Verenigde Staten. De sociale voorzieningen zijn daar zeer beperkt. Ooit schreven de Amerikaanse bisschoppen: ‘Dat zoveel mensen arm zijn in een land, dat zo rijk is als het onze, is een sociaal en moreel schandaal’.
Die bisschoppelijke uitspraak spoort m.i. goed met wat in Deuteronomium gezegd wordt. Armoede wordt nergens als een vanzelfsprekendheid aanvaard. Armoede is niet normaal maar een schandaal. Hoe belangrijk zijn de voorschriften rond het sabbatsjaar. Eén keer in de zeven jaar moet het land braak blijven liggen – dat is goed voor het land en dat is ook goed voor mensen. Je moet ook eens van ophouden weten. In zo’n zevende jaar kan rechtgetrokken worden wat scheef gegroeid is. Armen worden geholpen en onderdrukkers aangeklaagd. Dat is niet praat van een linkse kerk, dat is de grondtoon van het bijbels Verhaal zelf. We worden ertoe uitgenodigd om eens even bij stil te staan bij wat we bezitten, want dat bezit van ons is ons te leen gegeven. Mij valt op dat we in de gegeven leefregels in Deuteronomium niet met liefdadigheid te maken hebben. Het gaat niet om een fooi aan een hulpbehoevende maar om het recht van de arme. Als een boer bij de oogst een paar schoven vergeet, mag hij later niet teruggaan. Voor de armen zijn ze. Bij de oogst mogen de randen van het veld niet geheel afgemaaid worden. Een prachtige, humane regel die ons zegt dat de opbrengst van die randen zal zijn voor armen en vreemdelingen.
Je kunt dat vandaag wereldvreemde voorschriften vinden. We leven in een welvarend landje waar de nieuwe regering meent te moeten korten op ontwikkelingshulp. Zijn we dan ver weg geraakt van het oude verbondsvolk? Was het vroeger beter? Het is een misvatting om te denken dat die regels indertijd met gejuich werden ontvangen. Ze gingen en gaan in tegen gevestigde belangen. Weinig zaken zo heilig als het eigen bezit. Dat is vandaag zo, dat was toen zo. De rijke man (Lucas 18) gaat bedroefd bij Jezus weg. Hij heeft zijn leven niet gebouwd op wat hij is en wat hem wordt geschonken maar op wat hij bezit. Hij geeft ons te denken. Zoals die mensen ons te denken geven die, als het jaar van kwijtschelding in aantocht was, anderen niet wilden helpen. Wat je vandaag leende, zou je morgen moeten kwijtschelden. Dat is toch zonde. Wat zonde is weten we vandaag minder goed als vroeger behalve dan die éne zonde, dat wat we zonde van ons geld vinden.
Vandaar natuurlijk dat vurige appèl van de bijbelschrijvers: armoede mag je niet koud laten, houd je hand niet op de knip, laat je hart niet van steen zijn. Blijkbaar gebeurde dat en ik denk dat dat nog steeds actueel is. Een hart dat hard wordt, van steen. Afgestompt, cynisch, berustend: armen zullen er toch altijd zijn. De bijbelschrijvers gaan daar tegenin. Armen hoeven er helemaal niet te zijn, als je aandachtig naar de Eeuwige luistert. Een eenvoud waar nogal wat economen en bankiers zich vrolijk over zullen maken.
Zijn we hier niet bij de wortel van het kwaad? Israël belijdt eeuw na eeuw: we laten de Barmhartige maar praten. Zelf zijn we onze eigen wegen gegaan, we houden ons doof voor Gods aanwijzingen. Daarom zijn er armen in het land. De vraag aan ons is hoe wij in eigen land en mondiaal leven met de armen, of de samenleving mensen niet met lege handen laat staan. Mag de Onuitsprekelijke nog spreken in ons leven? Er is een stem in het heilig Verhaal die zegt dat we steeds opnieuw onze Bevrijder dreigen te vergeten, de geboden veronachtzamen die leven mogelijk maken.
Vandaag aandacht voor de ontwikkelingscoöperatie Oikocredit. Straks horen we er meer over; hoe het met mildheid lenen aan de minder-gelukkigen op de wereldbol georganiseerd is. Hoe mensen, hoe allerlei organisaties krediet, vertrouwen krijgen. Kans krijgen om iets op te bouwen. Vele miljoenen wachten op zo’n credo, zo’n vertrouwensuitspraak, zo’n krediet en wist u dat meer dan 90 procent van die microkredieten op tijd wordt afgelost.
Niet iedereen maar de meesten van ons hebben spaargeld wat maar staat te staan... Dat kan beter! Misschien dat we voor lenen te porren zijn als we ons weer te binnen brengen dat wij leven van wat God ons geeft. Elke keer als we in dit huis de Maaltijd vieren, als brood en wijn rondgaan, staan we daar nadrukkelijk bij stil. Onze handen die gevuld worden… maar dan willen we ze vervolgens toch ook openen voor wie op onze weg komt. Wie zou Gods goedheid en gulheid voor zichzelf willen houden? Als wij lenen, dan lenen wij van wat eerst aan ons is geleend. Tegenwoordig zeggen we tegen elkaar dat we de woorden van het bijbels Verhaal niet zomaar letterlijk kunnen nemen. Dat leidt tot ongelukken zegt u en u heeft gelijk. Maar voor die laatste zin uit dat Deuteronomiumfragment zou ik vanochtend zo graag een uitzondering willen maken, met u goedvinden. Er is geen woord ‘Portugees’ bij: daarom druk ik u op het hart om vrijgevig te zijn. Vrijgevig, ‘vrijlenig’, met dank aan de Levende die ons zijn wijsheid niet onthoudt.
|