spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Prekenarchief arrow Kunnen we anders? (door ds. M. Bogaard)
Kunnen we anders? (door ds. M. Bogaard) PDF Afdrukken E-mail
Gemeente van Christus,

“Hier sta ik, en kan niet anders”

Deze legendarische woorden sprak, volgens de overlevering, Maarten Luther, toen hij in 1521 voor de keizer zijn ideeën over het geloof en de hervorming van de kerk verdedigde.

Het zijn letterlijk legendarische woorden: ze zijn hoogstwaarschijnlijk niet zo uit Luthers mond gekomen. Ze zijn als een soort legende later aan het verhaal toegevoegd....
 
Maar in hun kernachtigheid drukken ze exact de situatie uit waarin de man die als Hervormer de geschiedenis in zou gaan zich bevond. Hij voelde zich genoodzaakt om de consequenties onder ogen te zien van zijn overtuiging. Door de jaren heen was hij tot het besef gekomen dat het zo in de kerk niet door kon gaan. Hij werd gedreven door het verlangen om rechtstreeks geraakt te worden door het woord en door afkeer van gegroeide dogma’s en praktijken.

Een beeld van de innerlijke strijd die daarmee gepaard ging lezen we terug in gezang 402. Couplet 2 begint met de woorden “de duivel had mij in zijn macht”. Zo voelde het voor Luther. Geloven was in die tijd echter niet alleen iets persoonlijks. Het had ook  politieke dimensies. Wie zich niet conformeerde aan de gangbare orde, had op dat vlak net zo goed een gevecht te leveren.

Luthers overtuiging stuitte op afwijzing en veroordeling. Hij moest zelfs onderduiken. Dat had hij niet bewust gezocht. Maar hij kon niet anders. Of, zoals hij wél letterlijk zei:
“Tenzij ik door getuigenissen der Schrift of duidelijke argumenten overwonnen word, ben ik overwonnen door de door mij aangehaalde heilige Schriften en mijn geweten is gevangen in Gods Woord. Herroepen kan ik niets en wil ik niets, omdat het onzeker en gevaarlijk is tegen zijn geweten te handelen”.


Gevangen in Gods Woord. Overwonnen.
Misschien mogen we die woorden van Luther lenen om de gemoedstoestand in beeld te brengen van een andere Hervormer. Geen tijdgenoot, maar één die zo’n 22 eeuwen eerder leefde, in Jeruzalem, Jeremia. “u hebt mij verleid”, spreekt hij, en:  “u was te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen”.

Als ergens in de Bijbel duidelijk wordt wat Gods Woord met mensen kan doen, dan is het wel in het boek Jeremia. Tussen de profetieën door schemert zíjn innerlijke strijd, vanaf het moment dat hij geroepen wordt. De weerstand die hij voelt, het onvermogen dat hij ervaart: ze zullen hem zijn hele profetische loopbaan vergezellen.

Uiterlijk is dat niet altijd zichtbaar: Jeremia spreekt met verve van Gods trouw en van de ontrouw van de mensen. Hij analyseert genadeloos wat er in zijn maatschappij aan de hand is en hij profeteert hartstochtelijk dat dit een heilloze weg is.....
 
Maar tegelijkertijd voelt hij zich verscheurd, en levert een zwaar persoonlijk gevecht. Hij is geen onbewogen oordeelsaanzegger: Het kost hem moeite. Het snijdt door zijn ziel. Hij wil het niet, maar...hij kan niet anders...

“Als ik denk: Ik wil hem niet meer noemen, niet meer spreken in zijn naam, dan laait er in mijn hart een vuur op, dan brandt het in mijn gebeente. Ik doe moeite om het in bedwang te houden, maar ik kan het niet.”

Ook Jeremia ervaart dat hij geen keuze heeft, en ook in zijn geval gaat deze gewetenskwestie samen met vijandschap, spot en afwijzing. Hij kiest daar niet voor, maar ze zijn het gevolg van de onontkoombare noodzaak om te blijven spreken van wat vloekt met Gods gerechtigheid.

Die worsteling uit hij in de lezing van vanmorgen in een klaagzang. Een klacht tot God, waarin hij al zijn onmacht onder woorden brengt. Hij wil oprecht blijven, en luisteren naar wat hem ingegeven wordt. Daar hoort de wanhoop bij om wat hij ervaart en het oordeel dat hij daarover moet geven van Godswege.

Dat maakt hem echt. Het maakt hem ook moedig. Want door zijn vertwijfeling heen hervindt hij de kracht om opnieuw te spreken. Hij kan immers niet anders: dit is zijn weg...


De twaalf leerlingen, die door Jezus in het evangelie van Mattëus geroepen worden, hebben dit schriftgedeelte ongetwijfeld gekend. Zij kenden uit de traditie de volharding van de profeten temidden van afwijzing en haat. Die traditie zou in de tijd na Christus opnieuw zeer actueel worden voor de jonge kerk. De schriftlezing laat daar geen twijfel over bestaan.
 
Jezus zal als bron van ergernis en toppunt van dwaasheid worden genoemd, en in verband gebracht met Beëlzebul, heer van de duisternis. Zijn volgelingen zullen ook daarin hun verbondenheid met Hem ervaren: zij gaan eveneens een tijd van lijden tegemoet. Dit is de weg die zij hebben te gaan. Ook zij lijken niet anders te kunnen…

Toch klinkt hier niet alleen een toon van fatalisme. Juist vanwege de verbondenheid met hun Heer spreekt er tegelijkertijd een enorme kracht uit. Wat hen overkomt gebeurt ‘omwille van Hem’. En hoewel zelfs familieleden zich daarom van hen af zullen keren, mogen zij zich gedragen weten door Gods Geest, die hen zal inspireren en bemoedigen.

Ook Jeremia blijft niet jeremiëren. Hij blijft niet hangen in de klacht, maar zingt daardoorheen van de Eeuwige,  die ervoor zorgt dat anderen hem niet in hun greep krijgen. Hij voert de strijd die met zijn rol als profeet gepaard gaat niet alleen.

“Hier sta ik en kan niet anders”. Deze uitspraak heeft ook iets in zich van weten wáár je voor staat. Of beter: voor Wíe je er staat. Overtuigd zijn, tegen wil en dank, van de waarheid die je leven stuurt. En vooral: geloven dat er Iemand is die voor jou instaat.


Daar kun je bijna jaloers op worden, als gelovige vandaag de dag.  Op diegenen voor wie geloof nog werkelijk een keuze was die zichtbaar offers met zich meebracht. Op de grootsheid en de meeslependheid van het geloof, waarin de band met Christus zó sterk was dat men zich letterlijk in Zijn Naam gezonden wist. Op een gedeelde strijd.

De gang der dingen heeft gemaakt dat wij ons christen-zijn meestal niet zo sterk ervaren. De kerk is gemeengoed geworden door de tijden heen. Liepen onze voorouders amper een eeuw geleden nog warm voor geloofskwesties, en waren zij bereid daar zelfs nieuwe kerken voor op te richten, wij zijn maar al te blij dat we de verdeeldheid hebben kunnen overstijgen door weer één kerk te worden. Bovendien stuitten we vandaag de dag niet zozeer op spot, maar eerder op onverschilligheid. Wat wij doen als kerk heeft lang zoveel impact niet meer als voorheen.

Misschien is het daarom dat de uitnodiging van de Protestantse Kerk Amsterdam aan hedendaagse kerkhervormers om hun ideeën te verwoorden anders is getoonzet: Anders. Hier sta ik.

De persoonlijke, politieke en profetische noodzaak om de kerk te hervormen is voor ons eigenlijk niet herkenbaar meer. Woorden over God als een wal die ’t kwaad kan keren staan in tijd en beleving ver van ons af. Het fascineert, maar we kunnen ons eigenlijk maar moeilijk voorstellen hoe het echt was in de tijd van Luther…

In dat opzicht klinkt de uitdrukking “hedendaagse kerkhervormers” wat ontheemd. Een beetje Don Quichot-achtig, met zijn strijd tegen windmolens. Alsof je met man en macht een niet meer al te stevig bolwerk te lijf gaat.

De kerk is anno 2011 niet het machtsinstituut dat zij ooit geweest is. En het geloof levert niet de tegenspraak op van vroeger tijden. Maar tegelijkertijd moet gezegd worden dat we in een tijd leven waarin het wel degelijk noodzakelijk is opnieuw te kijken naar wie wij zijn, als gemeente van Christus.

Als individu hebben we misschien niet zoveel reden om “de strijd aan te gaan”, omdat we best tevreden zijn met geloof en kerk, en ons er thuis voelen. Als erfgenamen van Luther, en van Calvijn, kunnen we echter niet om de vraag heen hoe we als gemeente een levende gemeenschap kunnen blijven. Niet de dogma’s zijn onze vijand, maar het feit dat zoveel mensen niet meer aangesproken worden.

“Hervormen” in de 21e eeuw heeft dan te maken met het opnieuw zoeken naar de aansluiting van het geloof op de hedendaagse samenleving. Naar de rol die wij daarin als kerk kunnen vervullen.  Met een kritische blik op onszelf, onze vooronderstellingen, onze vanzelfsprekendheden.

De traditie van Jeremia, van de leerlingen en in hun voetspoor van de hervormers, leert ons dat de enige geloofwaardige grondslag voor zo’n proces ligt in een oprecht verlangen. Wij hervormen niet om maar te vernieuwen, maar om dichter bij het woord te komen, of om het woord van Gods Liefde dichter bij anderen te brengen.

Dat Woord, daarvan was Luther overtuigd, mag niet in de weg gestaan worden door gegroeide structuren en gewoontes. Het vraagt om een ontvankelijke benadering en een houding van vertrouwen, waarin God rechtstreeks tot ons spreken kan, in onze taal.

Een kerk die niet alleen zichzelf, maar vooral haar fundament serieus neemt kan daar niet omheen. Om het met de woorden van de vertegenwoordigers van een tweede hervormingsbeweging te zeggen, de nadere reformatie: “Ecclesia reformata semper reformanda”. De hervormde kerk moet zich altijd hervormen. Of: de gereformeerde kerk
moet zich altijd reformeren…

Op die traditie zijn wij als protestantse kerk gegrondvest. Daar mogen wij het mee doen:  met onze twijfel en ons onvermogen, maar ook met hoop en geloof in de toekomst. Hier staan wij. Kunnen we anders?                                    Amen

 
spacer.png, 0 kB