spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Prekenarchief arrow Lucas 18: 1-8 (door drs. R. Prent)
Lucas 18: 1-8 (door drs. R. Prent) PDF Afdrukken E-mail


Overweging uit de dienst van 17 oktober 2010 (door drs. R. Prent)

Lezen: Lucas 18: 1-8; viering Heilig Avondmaal

Gemeente van de Heer,

Een maand geleden vierde de Studentenekklesia van Amsterdam haar 50-jarig bestaan. Heel die tijd ligt er voor de diensten een voorbedenboek klaar waar mensen hun gebedsintenties in kunnen opschrijven, die dan gelezen worden bij de voorbeden. Toen weer een boek vol was en een nieuw in gebruik werd genomen, zei Huub Oosterhuis daarover o.a.:

Dat voorbedenboek dat daar ligt, jaar in jaar uit, dat is een uniek boek, er is op de hele wereld geen tweede exemplaar. Daar schrijven wij eigenhandig de dagen en nachten van ons leven in, wij, sommigen van ons. Maar wel 'sommigen van óns' – dat 'ons' en 'wij' is het geheim van een ekklesia, een kerkelijke gemeente die bijeenkomt in de naam van God, een naam als een veilige ruimte. Voor het welslagen van een grote reis, schreef iemand, stervend kwam hij terug van die reis; dat onze liefde stand zal houden; voor twee die besloten hebben uit elkaar te gaan; voor het welslagen van een grote operatie; ter nagedachtenis aan ... namen, namen, oude en jonge mensen; voor mijn vader; voor mijn lieve broer, overleden vierendertig jaar oud, en voor zijn liefste: zij en  ik, we staan hier stil en klein, verbonden met elkaar door hem. Laat mij haar zusje zijn. Tot wie zijn die woorden gericht? Bidden doe je tot God? Wat denken we?
Dat God al die voorbeden, heilige wensen, soms hartverscheurende kreten, hoort? En dan vervolgens denkt: nee, dat niet - ja, die wel? Dat denken we niet. We denken niet, niet meer, dat de god in wiens naam wij hier bijeenkomen een grillig wezen is, een uitdeler, een afpakker. Ons woordenboek staat vol verlegenheid, en geen grootspraak, geen illusies; stille woorden, omdat 'geen woorden' eenzamer is; halve, voor de goede verstaanders die wij hopen te zijn; en voor God, voor die Ene en Enige over wie ooit geschreven werd dat Hij hoort;

Het was eind jaren zestig dat ik kennis maakte met het voorbedenboek. Het was in de tijd dat er nog studenten in de studentenekklesia kwamen. Bij de voorbeden klonk op een zeker moment: 'In het boek van de voorbeden staat geschreven'. Er stonden toen relatief veel verzoeken in om te slagen voor een tentamen. Dat wekte mijn protestantse argwaan en ik dacht  'gewoon Ieren en verder niet zeuren'. Bidden voor een tentamen leek mij ongepast en het verwonderde mij dat de voorgangers, goede theologen en begaafde predikers, die intenties hardop uitspraken. Ik werd getroost door de indruk dat zij dat altijd wel met een vleugje ironie deden. 'Gewoon Ieren en verder niet zeuren', dat vind ik nog steeds, maar nu weet ik ook dat  degenen die die intenties opschreven dat zelf ook wel wisten. Dat het gebed niet in de plaats van het Ieren kwam, maar iets wilde toevoegen aan de kwaliteit van voorbereiding. Dat de intentie evenzeer tot het eigen-ik was gericht als tot God.

De kracht van een voorbedenboek is dat persoonlijke intenties opgenomen worden in het gebed van heel de gemeente, waardoor die gemeente verzameld wordt tot eenheid door herkenning, jouw pijn - onze  pijn, jouw gemis – ons gemis, jouw vreugde – onze vreugde. Herkenning in de hoogte en diepte van elk mensenleven. Dat gebeurt niet op sentimentele maar op sacramentele wijze, d.w.z. dat die relatie van ‘ik en wij’ gegrond is in de gezamenlijke relatie tot het verhaal van de Schrift, tot vlees en bloed verdicht  in Jezus van Nazaret.

Bij Lucas gaat het ook om ‘ ik en wij’, in die zin dat de gelijkenis bewust getekend wordt in de strijd tussen één rechter en één weduwe, maar m.n. de weduwe staat voor een collectief. Zij is een persoon, maar wordt bewust in haar maatschappelijke status benoemd, n.l. als weduwe.

Het gaat om een als-dan verhaal. Als een rechter die geen ontzag heeft voor God en die zich aan mensen niets gelegen laat liggen een volhardende weduwe toch recht doet, hoeveel te meer zal dan de God van liefde recht doen aan zijn geliefden.

De gelijkenis wil een antwoord zijn op een vraag die alleen beantwoord kan worden met een verhaal. Dat zijn vragen die niet allereerst betrekking hebben op het verstand, maar op het hart. De gemeente van Lucas heeft de verkondiging van het komende Rijk gehoord. En ze heeft gehoord dat Jezus dat Rijk belichaamde, heeft uitgebeeld en voorgeleefd. Maar Hij is niet meer en de wereld is nog zoals ze is. Het Rijk van recht en vrede is ver weg.
Er is onrecht, er zijn armen, er is gruwelijk geweld en de vraag is: 'hoe lang nog'. Dat is een blijvende vraag, een onoplosbaar probleem voor alle godsdiensten die uitgaan van één god die het al bestiert of omvat. Altijd weer komt dan de vraag terug: 'Als God bestaat waarom dan...’ vult u maar in, ‘Als God bestaat hoe lang dan duurt het nog voor...'

Het verhaal is dan ook geen afdoend antwoord op de bekende vragen. Ook Jezus heeft niet meer dan dit verhaal dat een appèl wil zijn. Een oproep tot volharding zoals die weduwe volhardt. Zij behoort tot een kwetsbare groep aan de onderkant van de samenleving, de weduwe, de wees en de vreemdeling. Niemand die zich erg druk maakt om hun lot, weinigen die zich inzetten voor hun lot. Zij zijn aangewezen op zichzelf.

Het is voor die mensen en voor de gemeente dat Lucas dit verhaal vertelt. Zo, zegt hij, heeft Jezus willen zijn. Als iemand die de verarmde schare heeft gezien, die hun wanhoop kent, die hun daarop niet afrekent en hen geen valse hoop biedt, maar die oproept tot volharding. De weduwe is geen persoon op zich, zij staat voor dat Israël dat zich niet laat verlammen door de harde werkelijkheid, maar dat volhardt in een roepen uit de diepte. Zij staat daar niet alleen voor haar eigen recht, maar voor dat van allen die vermoeid en benauwd zijn door het leven. Zij is de stem van de psalmen die roepen 'en toch..., al ga ik door een dal van dood..
'al zijn mijn vijanden oppermachtig ..., dan nog klamp ik mij vast aan jou, dan nog roep ik jouw Naam als een naam van ontferming en bevrijding'. Zij weet wat eeuwen later door de joodse filosoof Walter Benjamin gezegd is: 'Alleen vanwege de hopelozen is ons de hoop gegeven'.

In die zin is de vrouw ook een beeld voor de gemeente, beeldt zij die uit als de voorsprekende bij God. Zoals zij volhardt, zo mag de gemeente volharden in het gebed. Het gaat daarbij ook om het ritueel van het gebed, maar om ritueel dat uitdrukking is een innerlijke houding, een instelling, een zuchten, verlangen, hartsverwachting die zich realiseert een diaconale houding en in woorden van bemoediging voor wie dat behoeven.

Veel uitleggers hebben aarzelingen bij het laatste vers, dat zien zij als een toevoeging. 'Als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde'. Ook als ze gelijk hebben, dan nog staat er wat er staat. Er staat niet: als de messias komt, al is ook dat bedoeld. Er staat 'als de mensenzoon komt'. Dat is de waarachtige mens, de eindelijk mensgeworden mens, zoals bedoeld in beginsel, in oorsprong. Kan die mens überhaupt komen als er geen verlangen of verwachting naar is. De mensenzoon, dat is een inclusieve aanduiding. Geen mensenzoon zonder waarachtige menselijkheid, zonder mensen in een onderlinge betrokkenheid op elkaar, in solidariteit met elkaar. Vooruitlopend, vooruithopend op het openbaar worden van het nu nog verborgen Rijk van God.  Dat overeind houden vraagt een houding van openheid en verwachting. Van volhardend gebed als een levensinstelling die evenzeer gevouwen handen veronderstelt als geopende, ontvangende en uitdelende, gevende handen.

In de liturgie is ons het gebed gegeven en zoals in het evangelie heel de Schrift verdicht wordt in vlees en bloed van Jezus van Nazaret, zo is ons in de liturgie ook het delen en ontvangen van brood en wijn gegeven als verdichting van heel ons bidden om het komende Rijk.
De viering van het Avondmaal verbindt de biddende gemeente met de diaconale gemeente. Als wij de handen openen om brood te ontvangen en als wij het dopen in de beker, dan ontvangen wij vanuit de liturgie gezien heel het verhaal van Jezus verdicht tot brood en wijn, heel ons bidden wordt in de gave daarvan geconcretiseerd. En we lopen daarmee vooruit op de komende werkelijkheid van God zelf, waarin geen enkel mensenkind meer uitgesloten wordt van de tafel van de overvloed van de Eeuwige. In de diaconie laten we daar even bescheiden als vastberaden tekenen van zien.

De viering van de tafelgemeenschap is gebed tot ritueel gelouterd, wil behalve de oren en de mond ( want bidden is minstens zozeer luisteren als spreken) ook de ogen en de handen en de voeten in beweging zetten. De viering van de tafel is inclusief, gericht op elkaar in het licht van Christus worden wij tot eenheid gebracht. Maar zijn licht schijnt altijd ook naar buiten toe, de gemeente als lichaam van Christus isoleert zich niet, maar staat midden in de samenleving, als teken, als beeld en gelijkenis, niet tot meerdere eer en glorie van zichzelf, maar van hem die de ziel is van al onze gebeden en  die voor ons wil zijn: brood van leven en wijn van liefde.  Zo moge het zijn.

 
spacer.png, 0 kB