Gemeente van de Heer,
In Luc. 9 zijn we nog aan het begin van het grote reisverhaal, de opgang van Jezus naar Jeruzalem, alwaar Hij zijn uittocht zal voltooien. In Luc. 14 zijn we halverwege en blijkbaar moet de ernst van het begin nog eens benadrukt worden. Vanaf 9:51 is Jezus veel aan het woord met uitspraken, gelijkenissen en gesprekken met anderen. Bij Lucas 9 gaat vooral over de haast die geboden is bij het volgen van Jezus en bij Lucas 14 over de consequenties daarvan. Beide verhalen drukken een radicaliteit uit die ons vreemd voorkomt. Het lijkt er op dat de teksten hooggestemd idealen formuleren dat zeer ver gaat, voorwaarden stellen die nauwelijks te vervullen zijn en we worden dan ook gewaarschuwd om te berekenen of we aan het ideaal kunnen voldoen of dat we er vanwege de consequenties maar van af moeten zien.
Dat soort teksten is moeilijk te verstaan, je hebt het idee dat je er telkens net naast zit. Je zegt er te veel over en in het te veel zeg je net weer te weinig. Of je komt uit bij een onhaalbare opgave, maar waaraan we eigenlijk wel zouden moeten voldoen, of je snijdt de tekst op je eigen maat en dan is de vraag of wij nog wel horen wat er gezegd wordt. Er zit één waardevol element zit in het onbehagen dat dit soort teksten oproept; het doet ons weten dat we met al onze goede bedoelingen toch telkens net langs het verhaal van Jezus heen schieten. We realiseren ons weer dat dat verhaal zijn verhaal en niet het onze is. Maar het verhaal is wel voor de gemeente bestemd, niet om die neer te drukken, maar om die op te richten. Evangelie is bevrijding, vanuit die vooronderstelling moeten we proberen om te verstaan..
Allereerst geldt dat het in het evangelie niet gaat om de spanning tussen ideaal en werkelijkheid, maar om de weg van Jezus. Er wordt niet voor niets gezegd dat Hij op de weg reist. 'De weg' dat is de weg van het onderricht, de weg van de hebreeuwse bijbel, de weg van de Heer. Op andere wegen reizen, dat is zonde omdat die wegen je niet op je bestemming brengen. De weg van Jezus, hoe kan het anders als het de weg van de Tora is, is de weg naar Jeruzalem. Maar op weg zijn naar Jeruzalem is iets anders dan van A op weg zijn naar B. Jeruzalem is stad Gods, stad van de humaniteit, van de lofzang, wie in Jeruzalem komt, komt thuis.
Maar dat is het Jeruzalem van de Schrift, het Jeruzalem dat we horen bij profeten en dichters. Hoe dat Jeruzalem zich verhoudt tot het aardrijkskundige, het aanwijsbare Jeruzalem, is altijd weer een spannende vraag. Het aanwijsbare Jeruzalem wordt door een belofte gedragen, maar in hoeverre zij die vervult, moet altijd maar weer blijken. Het aanwijsbare Jeruzalem is het Jeruzalem waarover de mensenzoon klaagt en weent. Jezus mag dan op de weg reizen, de weg gaan die door de hemel gewild wordt, het is geen hemelse weg die hij gaat, wel een weg op aarde die uitloopt op het kruis, op de slavendood.
Het gaat niet om onze verhouding tot een ideaal, maar om onze verhouding tot die messias en tot zijn weg en tot de 'zaak' waarvan hij getuigde, het komende Rijk van God. Ook dat is geen ideaal, maar de proclamatie van zijn koninklijke heerschappij over deze aarde. Dat dat een aangevochten, weggehoonde, nauwelijks waar te nemen heerschappij is, is ook waar, dat is dan ook het volgende wat gezegd moet worden, maar de volgorde is belangrijk.
Als onze ervaring en waarneming voorop gaat -en in onze beleving is dat natuurlijk zo- dan lopen we hopeloos vast met dit soort teksten.
Toch is het -historisch gesproken- zo dal de radicale woorden van Jezus wel degelijk gedaan zijn. Er zijn mensen die met het loslaten van alles wat zij bezaten op hun wijze de weg van de navolging gegaan zijn. Er zijn mensen geweest die rond het jaar 30 radicaal voor Jezus gekozen hebben, die het gewaagd hebben om met hem mee te gaan. En in de tijd daarna hebben mensen zich aangesloten bij een beginnende gemeente en zij zijn op onbegrip gestoten bij hun omgeving en de kerk kent een lange traditie van monniken en zusters die de wereld vaarwel hebben gezegd om te kiezen voor een kloosterleven. Daar is natuurlijk van alles fout gegaan, maar inzet, intentie en opoffering waren en zijn veelal uiterst respectabel.
Er zijn mensen geweest die op grond van hun geroepen zijn door Jezus hun leven op het spel hebben gezet door op te komen voor vervolgde en opgejaagde mensen en er zijn mensen geweest die op grond van hun geroepen zijn door Jezus hun leven op het spel hebben gezet in de strijd tegen onmenselijke maatschappelijke systemen en ze zijn er nog. En ze waren en zijn er omdat deze radicale woorden door Jezus gesproken zijn én omdat er een gemeente is die ze doorspreekt tot op vandaag. Ook deze radicale woorden van Jezus zijn niet leeg tot hem terug gekeerd, maar hebben mensen in beweging gezet. Er zijn mensen geweest en er zijn mensen die deze woorden geleefd hebben en leven en ze ervaren hebben en ervaren met heel hun lijf, heel hun hart en heel hun ziel,
Het is veelzeggend dat de tekst van Lucas 14 volgt op een gelijkenis die gaat over het ingaan in het koninkrijk der hemelen, uitgebeeld in de vorm van een maaltijd waarvoor mensen genodigd worden, maar zij excuseren zich en komen niet. De excuses die zij maken hebben allemaal betrekking op familierelaties en bezit. En precies die keren terug in de tekst van vanmorgen. Als wij die tekst willen verstaan, dan moeten we niet vanuit het nu en vanuit de gegeven werkelijkheid denken, maar vanuit de toekomst-werkelijkheid van het koninkrijk van God. Binnen die nog verborgen werkelijkheid worden relaties niet gemeten aan familie en bezit.
De betekenis van familie-relaties en bezit worden gerelativeerd en afgewezen in zoverre ze ons weerhouden om gericht te blijven op het komende rijk. Familie- verhoudingen en bezit staan hier voor de gegeven werkelijkheid. Voor zover die werkelijkheid het komende rijk in de weg staat, voor zover moet er afstand van genomen worden. Dat is niet vanzelfsprekend, het gaat ons beter af om ons te nestelen in en binnen de wereld om ons heen en de messias kunnen we daar maar tot op zekere hoogte bij gebruiken. Liever is ons de geborgenheid van het verleden dan de onzekere contouren van het toegezegde rijk. Het is die neiging die in de tekst 'ons eigen leven' genoemd wordt en als we ons niet groter houden dan we zijn, dan herkennen we de spiegel die ons voorgehouden wordt.
Navolging van de messias vraagt niet per definitie om het loslaten van alles, dan zou de tekst een platte, algemene waarheid zijn, toepasbaar voor alle tijden en plaatsen, maar het relativeert wel alle bestaande verhoudingen, d.w.z. dat al die verhoudingen gerelateerd moeten worden aan de relatie tot de messias.
Dat is niet alleen negatief, dat betekent niet alleen afwijzen, want het is ook zo dat in het licht van de messias de bestaande verhoudingen een nieuwe betekenis krijgen, ja, eerst dan tot de rechte verhoudingen worden.
Daarom is er, denk ik, in de tekst sprake van berekeningen, omdat wij ons telkens weer de vraag moeten stellen hoe de verhouding is tussen ons als gemeente van en binnen deze wereld en ons als gemeente die aankondiging is van zijn Rijk dat komt. Het eerste kan niet worden weggestreept tegen het laatste, maar de vraag is in hoeverre het daaraan dienstbaar is ofwel in de weg staat.
De gerichtheid op het rijk van God heeft een keerzijde: de gerichtheid op de geringen en niet-getelden. Het een is niet zonder het ander. Want als in de voorafgaande gelijkenis de bezittenden het laten afweten, dan wordt de maaltijd niet afgelast, maar worden de mensen van de zelfkant genodigd en binnen gehaald, de mensen die niets in te brengen hebben, die geen enkele macht of belang vertegenwoordigen. En in het stuk dat volgt op de tekst van vanmorgen gaat het tot driemaal toe om het zoeken van wat verloren is, om wie verloren zijn.
Een kerk die gericht is op eigen aanzien, macht, bezit, prestige, zo'n kerk raakt het spoor bijster, raakt af van de weg die is uitgetekend en voorgegaan door de messias. Bij haar wordt het zout van het Woord van de levende Heer krachteloos en smakeloos, gestolde liturgische taal die in eigen schoonheid ten onder gaat, dode letter, die de feitelijke werkelijkheid niet meer raakt en ontmaskert, maar toedekt en bevestigt. (zie omgang met misbruik in RK-kerk)
Wat in de tekst wordt aangeduid is dat de gemeente gesteld wordt in de ruimte van die God die afdaalt om te bevrijden, om de verlorenen te zoeken, die in Jezus zondaren genadig tegemoet treedt en zo de heersende verhoudingen omkeert en die zo ons voorhoudt om gericht te blijven op de toekomst als toekomend Rijk van Hem en die zo ons verwijst naar Zijn verbondenheid met geringen en verlorenen, in hun aangezicht licht Zijn aangezicht op.
Zo, zegt de tekst, is de weg van de Heer en durf je, wil je, lieve gemeente, geloven dat je mag gaan met Hem, niet op grond van je eigen religieuze prestaties, maar omdat je in al je eigen verlorenheid gevonden en gewild bent door Hem en durf je, wil je geloven dat in die weg ook jouw eigen bevrijding gelegen is, dat die weg met alle problemen vandien de weg is die het lichtend spoor van Zijn genade trekt in een genadeloze wereld.
Zo gaat Hij ons voor, zo mogen wij gaan met Hem, zo moge het zijn,
Luc. 9:57-62, 14:25-35
|