spacer.png, 0 kB
Home arrow Blog arrow Lucas 20 (door ds. M. Visser)
Lucas 20 (door ds. M. Visser) PDF Afdrukken E-mail
Preek op 8 aug. 2010 in de Dorpskerk over Jesaja 5:1-7, 27:1-6 en Lukas 20:9-19

 
1 Laat ik toch zingen van mijn geliefde,
het lied van mijn liefste, over zijn wijngaard!
Een wijngaard had mijn geliefde,
op een helling heel vruchtbaar.
2 Hij woelde hem om, ontsteende hem,
beplantte hem met edele wijnstokken,
bouwde een toren op zijn plek
en ook een perskuip hakte hij erin uit.
Hij hoopte dat hij druiven voortbracht –
maar hij bracht stinkbessen voort!

3 Welnu, ingezetene van Jeruzalem
en manvolk van Juda,
spreek toch recht tussen mij en mijn wijngaard!
4 Wat nog te doen aan mijn wijngaard
dat ik niet al aan hem heb gedaan?
Waarom,
terwijl ik hoopte dat hij druiven voortbracht,
bracht hij stinkbessen voort?
5 Welnu, laat ik u toch doen weten
wat ik ga doen aan mijn wijngaard:
zijn doornhaag weghalen,
opdat hij wordt om kaal te plukken,
bressen slaan in zijn muur,
opdat hij wordt om te vertrappen.
6 Ik maak een wildernis van hem:
hij wordt niet gesnoeid en niet behakt,
doorn en distel zal oprukken;
en de wolken zal ik gebieden
geen regen over hem te regenen.
7 Want de wijngaard van de ENE, Zebaoth,
is het huis Israël;
en het manvolk van Juda
is de planting waarin hij zich verheugde.
Hij hoopte op recht, en zie, het werd slecht,
op gerechtigheid, en zie, geschrei!

* * *

1 Te dien dage
zal de ENE met zijn zwaard,
staalhard, groot en sterk,
bezoeking brengen over de Leviatan,
de vluchtende slang,
over de Leviatan, de slang die kronkelt;
ombrengen zal hij de draak in de zee.
2 Te dien dage:
een begeerlijke wijngaard!
Zing een beurtzang daarover!
3 Ik, de ENE, ben haar behoeder,
alle ogenblikken drenk ik haar.
Opdat niemand haar beschadigt
zal ik haar dag en nacht behoeden.
4 Een ommuring heb ik niet.
Vond ik een doorn, een distel,
strijdvaardig zou ik haar doorschrijden
en ze samen aansteken.
5 Men klampt zich vast aan mijn sterkte,
sluit vrede met mij,
men zal vrede sluiten met mij.
6 In de dagen die komen, zal Jakob wortelschieten,
uitspruiten en bloeien zal Israël;
de oppervlakten van de wereld
zullen vol zijn van gewas.

* * *

9 Toen begon hij weer tot het volk te spreken,
deze parabel:
‘Een mens plantte een wijngaard,
gaf hem in de handen van wijngaardeniers
en ging voor een lange tijd op reis.
10 Toen de tijd daarvoor gekomen was,
zond hij een slaaf naar de wijngaardeniers,
dat zij hem van de vrucht van de wijngaard
zouden geven.
Maar de wijngaardeniers sloegen hem
en leeg zonden zij hem weg.
11 Hij gaf niet op en stuurde een andere slaaf.
Ook hem sloegen en beledigden zij
en leeg zonden zij hem weg.
12 Hij gaf niet op en stuurde een derde.
Ook hem brachten zij wonden toe
en wierpen hem buiten.
13 Toen sprak de heer van de wijngaard:
“Wat zal ik doen?
Ik stuur mijn zoon, mijn geliefde.
Voor hem hebben zij misschien ontzag.”
14 Toen zij hem zagen, de wijngaardeniers,
overlegden zij met elkaar en zeiden:
“Hij is de erfgenaam.
Laten wij hem doden,
opdat de erfenis van ons wordt.”
15 En zij wierpen hem de wijngaard uit
en doodden hem.
Wat zal de heer van de wijngaard nu met hen doen?
16 Hij zal komen,
hij zal ze vernietigen, de wijngaardeniers,
en de wijngaard zal hij aan anderen geven.’
Toen zij dat hoorden, riepen zij:
‘Dat nooit!’
17 Hij keek hen aan en sprak:
‘Maar waarom staat er dan geschreven:
De steen die de bouwlieden hadden verworpen,
die is tot hoeksteen geworden? (Psalm 118:22)
18 Wie op die steen valt, valt te pletter;
op wie hij valt, wordt verbrijzeld.’
19 Toen hadden de schriftgeleerden
en de hogepriesters hem willen grijpen, dat uur,
maar zij vreesden het volk –
zij begrepen heel goed dat zij het waren
over wie hij deze parabel gesproken had.
 

Het was pas halverwege de ochtend, maar de hitte van de middag die zou komen, was al voelbaar. We zaten aan de rand van het tempelplein, in de schaduw van de machtige muren van het heiligdom. Jezus zat temidden van een grote groep mensen. Het was een bonte, vreemde verzameling van allerlei verschillende mensen om hem heen. Dicht bij hem, aan zijn voeten, dat kleine groepje dat je altijd bij hem zag. Daaromheen een menigte van mensen uit Jeruzalem en omstreken. Ik woon zelf ook in de stad. Ik was gekomen om hem ook eens te horen, die vreemde verhalenman uit Galilea.
Nu ja, en een beetje terzijde zaten en stonden wat schriftgeleerden, Farizeeën, magistraten, theologen – met hun armen over elkaar. Hun aanwezigheid maakte de hele sfeer grimmiger. Ik begreep toen, op dat moment, nog niet waarom dat eigenlijk was. Was er een stille strijd, een ruzie aan de gang? Zie je, ik was een buitenstaander, ach, ik was zomaar eens komen aanlopen. Wist ik veel. Later begreep ik het wel, nadat het allemaal gebeurd was. Nadat Jezus gekruisigd was. En nadat ik had begrepen dat juist zij zo’n grote rol gespeeld hadden bij zijn veroordeling.

Maar wacht even, laat ik nu bij het begin beginnen! Ik kan het nog zo navertellen. Dat verhaal, mensenkinderen, het staat in mijn geheugen gegrift. Onuitwisbaar is het voor me geworden, alsof het mijn verhaal is. En dat is het eigenlijk ook.
Zie je, ik kwam aanlopen en ik ging er maar tussen zitten, ergens in die menigte. En Jezus was aan het woord, en het ging over vanalles en nogwat. En toen, even later, vertelde hij dus dit verhaal.

II
Een mens plantte een wijngaard. Zo begon het. En wij, die zaten te luisteren, wij keken elkaar aan, en we wisten het allemaal: Jesaja! We hebben het allemaal zo vaak gehoord, op tora-school al, toen we kinderen waren, en later in de tempel. De profetie van Jesaja begint zo ongeveer met dit beeld: onze God is een landman, hij plantte een wijngaard. Ik heb het altijd al een prachtig beeld gevonden! JHWH God – gezegend zij zijn naam! – midden in de wereld legt hij een wijngaard aan.
En je voelt het als je het leest, bijna próef je de zeggingskracht van deze gelijkenis bij Jesaja. Zo is onze God. Dit is wat hij wil. Hij wil dat er in de wereld deze wijngaard is: zodat heel de wereld de beste wijn zal drinken. Het symbool voor het goede leven. Heel de wereld zal deze wijn drinken, de wijn van het beloofde land. Heel de wereld zal dit goede leven hebben. Midden in de wereld is daar die wijngaard. Midden in de wereld is daar dat veelbelovende land. Midden in de wereld is daar dat gezegende volk. En daarvandaan zal al het goede komen. Kanaän, Israël, de wijngaard: heel de wereld ziet er reikhalzend naar uit. Want hier komt het vandaan: bevrijding en vrede en goed leven voor iedereen.

En Jezus, daar op die ochtend op het tempelplein, nam dus dit beeld van Jesaja op. En hij maakte er zijn eigen verhaal van. Een ánder verhaal. Want bij Jesaja is de landman er. Die is erbij, als er geplant wordt, en als er gewerkt wordt en als de druiven groeien, en tenslotte als de druiven geoogst worden. Maar in Jezus’ versie van het verhaal legt de landman de wijngaard wel aan. Maar dan gaat hij weg. Dan gaat hij voor lange tijd op reis. Hij is er niet meer bij. En de wijngaard wordt in de handen van knechten gegeven. De zorg voor de wijnstokken, voor de vruchten, voor de oogst – ligt nu bij de beheerders.
Zo vertelde Jezus het verhaal. Zo was zijn versie van die gelijkenis van Jesaja. En ik denk dat wij allemaal, terwijl we daar zo zaten te luisteren – dat wij het allemaal een mooi idee vonden. Ik vond het in ieder geval mooi. Stel je voor, dat is toch prachtig: onze God geeft zijn plan, zijn wil, in de handen van mensen. Hij stelt zijn vertrouwen in ons. (Immers, wij zijn dat toch, die pachters. Die wijngaardeniers, dat zijn wij, dat kan niet anders.) JHWH God – gezegend zijn naam! – hij vertrouwt op mensen. Hij laat het aan ons over om dat plan te laten lukken, om er wat van te maken. Dat dat goede leven over heel de wereld zal gaan, dat het uitgedeeld zal worden, dat heel de wereld die goede wijn kan drinken – dat is aan ons!

III
Een prachtig idee. En inderdaad, even zat ik zo te genieten van het verhaal, zoals Jezus het vertelde op het plein. Maar toen ging het mis. Toen werd het verhaal lelijk. En toen begon ik ook te voelen, dat dit verhaal niet bedoeld was om ons een veer in de kont te steken. Niet bedoeld om ons te bemoedigen. Niet bedoeld om ons te zeggen: ‘Goed zo, zet hem op, ga door!’ Nee, ik kreeg al gauw door dat dit verhaal ongelofelijk stekelig, kritisch was. Niet leuk. Dit verhaal was als een spiegel, waarin wij zichtbaar werden met heel onze lelijkheid.
Het gaat mis. Juist op het moment in het verhaal dat het er op áán komt, namelijk als de tijd van de oogst er is. Op het hoogtepunt van het verhaal gaat het mis. En het wordt steeds erger. Er komt een eerste slaaf langs; die wordt geslagen. Een tweede; die wordt geslagen en beledigd. Een derde; die wordt verwond en eruit gegooid. En dan komt de zoon…

Zie je, het verhaal dwong mij om naar mijzelf te kijken. Dwong óns, zoals wij daar zaten te luisteren, om naar onszelf te kijken. En wat wij daar zagen aan onszelf, in dat verhaal, dat was niet mooi. Pijnlijk! Jezus hield ons voor dat wij totaal vergeten zijn wat onze opdracht ook al weer was. Ja, dat wij überhaupt een opdracht hébben. Dat wij mensen zijn met een taak, dat zijn wij vergeten. Dat wij slechts knechten zijn. Dat wij alleen maar pachters zijn, alleen maar beheerders zijn.
Zie je, zoiets wil dit verhaal toch zeggen? Wij denken dat deze wereld van ons is. Dat ons leven van ons is, dat wij heer in eigen huis zijn. God is ver weg, en wij zijn hier. En wij moeten ons eigen leven vorm geven. Dat is wat wij denken: onze wereld is van ons. En ons leven is ons eigen project. En of wij er wat van maken, dat bepalen wij zelf.
Jezus vertelde: Nee, dus niet, want je bent slechts een beheerder. Weet je nog? Je bent een pachter, een knecht. En je hebt een opdracht, die je mag uitvoeren. En wat een mooie taak! Je mag werken in de wijngaard! Je mag de vruchten oogsten en de wijn schenken van het koninkrijk van God. Je mag dat goede leven van Godswege verderhelpen, uitdelen in onze wereld. Tora moet er gedaan worden, menselijkheid moet er gedaan worden. En jij, mens, jij mag daaraan meehelpen. Jij mag in die beweging voorop lopen. Je hebt een opdracht, je bent een beheerder in Gods eigen wijngaard. Niet meer dan dat. Ook niet minder dan dat!

IV
Maar het komt er niet van. Dat is wat Jezus vertelde. Dat is waar Jezus ons ongelofelijk mee confronteerde. Wij willen geen opdracht. En wij willen daar niet op aangesproken worden.
Het komt er niet van. Die wijngaard, die mislukt. Die vruchten worden niet uitgedeeld. Of nog erger, er zijn helemaal geen vruchten! In het hele verhaal komt immers geen druif voor. Er is helemaal geen oogst die opgehaald kan worden. Geen vruchten, geen wijn. Zo ging het verhaal. En dat kan toch niet anders betekenen dan zoiets: dat goede leven – het komt er niet van. Zoals er vanuit die wijngaard druiven uitgedeeld hadden moeten worden, overal heen; zoals de wijn geschonken had moeten worden, voor iedereen; zo had het goede leven naar alle kanten uitgedeeld moeten worden. Gods menselijkheid had allerwege gedaan moeten worden.
Maar de wijn wordt niet geschonken en uitgedeeld. Er wordt geen menselijkheid gedaan, dat goede leven, het komt er niet van.

Zo zaten wij daar. Zo zat ik daar, tussen al die mensen. En Jezus vertelde. En ik merkte – verzet. Ik merkte dat ik dacht: zo erg is het toch ook weer niet! Zo mág het verhaal niet gaan! Je kunt toch niet zeggen dat er helemáál geen goeds gebeurt. Je kunt toch niet zomaar van ons beweren dat wij de knechten van God slaan en wegjagen. Wij zullen toch de zoon van de landheer niet doodslaan. In dit verhaal zijn die wijngaardeniers alleen maar slecht. Maar ik ben niet alleen maar slecht. Dit verhaal gaat te ver.
Even later bleek dat ik niet de enige was die door Jezus’ woorden zo getroffen en geërgerd was. Want toen het verhaal verder ging, en toen Jezus vertelde dat de heer van de wijngaard uiteindelijk terugkomt en de pachters gewoon doodt, dat hij ze vernietigt (ik weet het nog goed, dat Jezus dat woord gebruikte: de heer van de wijngaard zal ze vernietigen), toen Jezus dat zei, begon plotseling iedereen te roepen: ‘Nee! Dat kan niet! Dat nooit!’
Het was ergens nog wel grappig ook. Het deed me denken aan vroeger. Als kinderen keken we wel eens naar het poppenspel. Als het dan gevaarlijk werd in het verhaal, als de wolf kwam om onze held op te vreten, dan zaten we ook met z’n allen te wijzen en te roepen: ‘Pas op! Kijk uit, achter je!’ Zoiets gebeurde nu ook. We zaten met z’n allen zozeer in die gelijkenis, dat we helemaal vergaten dat het een verhaal was. ‘Nee, dat nooit! Vernietigen… Dat gaat te ver.’

V
Het was niet lang na deze dag. Deze dag, waarop ik naar het tempelplein was gekomen, en waarop Jezus dit allemaal verteld had – niet lang daarna gebeurde het dat Jezus het verhaal nog een keer vertelde, maar dan met zijn eigen leven. Dat hij het vertelde met zijn eigen lichaam. De heer van de wijngaard stuurde zijn eigen zoon. Dat bestaat niet, dachten wij. De wijngaardeniers brachten de zoon om. Dat gaat te ver, riepen wij. Maar zo vertelde Jezus het. En zo gebeurde het aan hem.
En nu fluisteren wij wel eens onder elkaar dat deze zoon niet alleen zijn eigen dood gestorven is, maar ook die van de wijngaardeniers. Dat Jezus niet alleen zijn eigen dood gestorven is, maar ook de onze.
En als dat waar is, dan zóuden wij vernietigd worden – maar dan zíjn we niet vernietigd. Dan leven we. Dan drinken wij de wijn van Gods eigen wijngaard. En dan mogen wij die uitschenken en uitdelen. Dan mogen wij opnieuw, toch weer, Gods mensen zijn, zijn wijnboeren.

Wij zouden vernietigd worden. Maar we zijn niet vernietigd. Ja, ik hoor mezelf dat nu zo eenvoudig zeggen. Maar dat is natuurlijk absurd! Wat zeg ik daar nu eigenlijk? Dat wij niet sterven, maar léven, en het verhaal van de Heer mogen vertellen (Psalm 118:17). Dat wij niet als waardeloze knechten aan de kant gedaan worden, maar dat we opnieuw onze rol mogen gaan spelen in Gods wereld. Zijn genade – dat is alles waar ik van leef. En waar wij allemaal van leven. Waar heel de wereld van leeft, als je het mij vraagt.
Dat is dus absurd. En ongelofelijk. En geweldig: dat deze Heer dus toch steeds weer zelf instaat voor zijn wijngaard. Dat hij zijn tuin niet verloren laat gaan. Maar dat hij er zelf voor instaat dat die groeien en bloeien zal, en dat die vruchten zal dragen en dat de wijn geschonken en gedronken zal worden, overal.

Te dien dage: een begeerlijke wijngaard!
Zing een beurtzang daarover!
De HEER, de God van Israël, is haar behoeder.
Alle ogenblikken drenkt hij haar.
Opdat niemand haar beschadigt, zal hij haar dag en nacht behoeden!
(Jesaja 27:2-3)

 
spacer.png, 0 kB