Gemeente van Christus,
In de oosters-orthodoxe traditie leeft het verhaal van een eenvoudige Russische boer. Aan het eind van de negentiende eeuw woont hij op de vierentwintigste zondag na Pinksteren, ergens in de herfst dus, een kerkdienst bij. Het gaat daarin over Paulus’ eerste brief aan de mensen in Tessalonica. “Bid zonder ophouden”, hoort de man, en die woorden blijven hangen.
Hoe zou een mens constant kunnen bidden, vraagt hij zich af? Is dat wel mogelijk terwijl er zoveel praktische zaken zijn in het leven die aandacht opeisen? Is het überhaupt een optie om de oproep tot bidden tot richtlijn van je bestaan te maken?
Hij neemt daarop een rigoureus besluit. Hij gaat op weg om een antwoord te vinden op deze fundamentele vraag. Letterlijk. Hij verlaat zijn woonplaats en wordt een pelgrim, reizend over de steppen van Rusland, langs heiligen en heiligdommen.
“Door de genade van God ben ik een christen, door mijn daden een grote zondaar en door mijn roeping een ontheemde reiziger, zwervend van plaats naar plaats. Mijn bezittingen bestaan uit een knapzak met droge korsten brood op mijn rug en op mijn borst de heilige Schrift. Dat is alles!” Zo begint zijn verhaal, dat is overgeleverd als “de weg van de pelgrim”, of “de verhalen van een pelgrim”.
“Bid altijd, benadrukte Paulus, “ staat er achterop mijn exemplaar. “Maar hoe?”
Vandaag wil ik u meenemen in het verhaal van deze anonieme pelgrim. Want dit is de zomer van de vertellingen. Van verhalen, gelijkenissen die soms vreemd en soms vertrouwd over komen. Beelden die herkenning oproepen of juist verwarring stichten. En waarin we niet alleen de ander, maar onverwachts ook onszelf tegen kunnen komen…
De pelgrim trekt door steden en dorpen en luistert naar vele preken. Hij vindt daarin echter niet het antwoord op zijn vraag. Ook ontmoetingen met vrome mannen helpen hem niet verder. Hij hoort wel spreken over het gebed, de noodzaak ervan en de vruchten die het oplevert, maar niemand leert hem hóe onophoudelijk te bidden. Hij ziet geen mogelijkheid het gebed ook werkelijk te integreren in zijn handel en wandel. Dat maakt hem rusteloos. Wie kan hem op de juiste weg brengen?
Ga er maar aan staan, deze vraag. Het is één van de kernvragen van geloven. Want in het gebed gaat het niet alleen om het spreken tót God, maar om de wijze waarop de aanwezigheid van de Eeuwige ervaarbaar wordt in je leven. Ergens heeft dat onophoudelijke bidden te maken met zijn voort-durende nabijheid. Maar hoe? Kun je dat leren? En wat moet je er dan voor doen?
Ook voor wie niet zwerft met het hare of het zijne in een rugzak is dat een zoektocht. Bijvoorbeeld voor wie net terugkeerde naar zijn eigen huis na een paar weken vakantie. Voor wie zich nog voorbereidt op een tijd in een andere omgeving. Of voor wie anderen ziet komen en gaan maar zelf op het thuishonk blijft.
Gelukkig hebben wij verhalen die als wegwijzers willen dienen. En pelgrimeren we dus allemaal een beetje mee. Niet alleen komen we dan vandaag die Russische boer tegen, maar ook twee anderen uit een oudere traditie. Een Farizeeër en een tollenaar van rond het jaar nul.
Want in de gelijkenis die wij lazen uit Lucas gaat het eveneens over het gebed. Dat thema begint al in het eerste vers van hoofdstuk 18: “Hij vertelde hun een gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven”. De eerste vertelling gaat dan over een arme weduwe, die niet ophoudt om recht te vragen als haar dat niet gedaan wordt.
De tweede vertelling borduurt voort op eenzelfde soort thema, maar nu vanuit een andere invalshoek. Twee mensen komen we tegen. Twee mannen, die elk tot een bepaalde groepering in de samenleving behoren: iemand uit de kring van de Farizeeën, degenen die de Joodse wet trouw naleefden, én iemand uit de groep van de tollenaars, door wie het geld gemakkelijk werd verdiend, vaak ten koste van anderen.
Een man, die thuis is in de tempel én een man, die er nooit veel te zoeken heeft gehad.
Deze twee mannen staan centraal in de gelijkenis die Jezus uitspreekt, en die alleen Lucas aan ons doorgegeven heeft. Het contrast tussen de wijze waarop zij bidden is enorm. Daardoor wordt heel scherp de vraag aan de orde gesteld naar het zoeken van het contact met God, en de gevolgen daarvan. Wie mogen gerekend worden tot Gods uitverkorenen?
Hij heeft er hard aan gewerkt. Van huis uit was ie gelovig opgevoed, maar ze gingen niet zo regelmatig naar de kerk. Daar is bij hem in de laatste jaren echter verandering in gekomen. Hij is zich gaan verdiepen in de Bijbel. Nauwgezet probeert hij na te leven wat er van hem verwacht wordt. Hij leidt een voorbeeldig leven, en is daar dankbaar voor. Hij heeft alle reden God te danken.
Hij voelt zich waardeloos. Steeds verder is ie afgegleden. De normen en waarden uit zijn kindertijd zitten nog wel ergens in zijn systeem, maar in het wereldje waarin hij werkt gelden andere wetten. Die zijn zijn horizon steeds meer gaan bepalen. En het lukt niet meer om zijn leven op een ander spoor te krijgen.
Twee mensen....Als het verhaal in onze tijd verteld zou worden, zou het misschien zo klinken. Twee uitersten ontmoeten elkaar in hun opgaan naar het heiligdom. Een gerespecteerd man en iemand die met de nek wordt aangekeken.
Zelfs in hun lichamelijke houding zie je hoe verschillend ze zijn, niet alleen in andermans, maar ook in eigen ogen: de eerste, de Farizeeër, geeft blijk van een groot zelfbewustzijn. Hij staat rechtop, middenin de tempel, trots op wat hij is en volgens de normen zou moeten zijn. Hij geeft zelfs aan dat hij méér doet dan hij zou moeten doen: hij vast maar liefst twee keer per week, en niet alleen bij bijzondere gelegenheden. En hij draagt trouw een tiende af van zijn inkomsten, zoals dat in de wet, in de Thora, is voorgeschreven.
Hij voelt zich niet alleen gerespecteerd, hij voelt zich rechtvaardig: vaardig met het recht, thuis in de wetten van het geloof. Aan die standaard meet hij zichzelf en anderen, en vanuit die houding bidt hij. Niet om iets te vragen, maar alleen om te danken: dat hij is zoals hij is. En: dat hij niet is zoals die andere.....
De tweede, de tollenaar, blijft op een afstand staan. Hij heeft blijkbaar het gevoel dat hij geen deel mag hebben aan wat in de tempel gebeurt. Hij durft zijn ogen niet eens op te slaan naar de hemel. Hij slaat zichzelf op de borst, niet om zichzelf te complimenteren, maar uit berouw.
Hij heeft niets te danken: hij komt alleen maar om iets te vragen... Toch gaat hij gerechtvaardigd naar huis in het verhaal, en de Farizeeër niet. Wat is er nou eigenlijk mis met die Farizeeër? Hij kent toch zijn religieuze plichten, en hij leeft die na.... nauwkeurig en trouw. Daaraan zal het inderdaad niet liggen. Wanneer hij echter in de tempel komt, heeft hij er, en dat klinkt gek, letterlijk niets te zoeken. Hij komt niet om te vragen, las ik bij de theoloog Noordmans, maar alleen om te declareren. Zijn gebed is een bevestiging van zijn eigen kunnen, en is daardoor niet zozeer op God maar veel meer op zichzelf gericht: Hij begint met de woorden “O God”, maar daarna gaat het alleen maar over zijn ’ik’: “Ik dank U, dat Ik niet zo ben...Ik vast...Ik geef....”
Daardoor laat hij geen ruimte voor werkelijke interactie met de Eeuwige zelf. Zijn systeem is al rond. Daar past God eigenlijk niet meer in. Daar past alleen het beeld van God in dat de Farizeeër bevestigt, en van hem een klasse apart maakt: een meer dan voorbeeldig mens.
De andere bidder staat werkelijk met lege handen. Hij heeft niets rechtvaardigs in te brengen, en is zich daarvan bewust. Maar in de ruimte die dán ontstaat, kan God naar hem toekomen. Hij durft klein te zijn, zich niet groter en mooier voor te doen dan ie is, en staat daardoor, ook al is het op afstand, in het krachtenveld van Gods liefde. Hij kan ontvangen.
Onze pelgrim komt na een jaar van zoeken en zwerven in contact met een monnik die als kluizenaar leeft. Deze leert hem een gebed. Dat gebed is in de orthodoxe traditie bekend geworden als het Jezusgebed. Het is ongeveer gelijk aan het gebed van de tollenaar: “Heer Jezus Christus, ontferm u over mij” of “Heb medelijden met mij”.
In het Grieks staat er in Lucas 18 een woord dat met verzoenen te maken heeft. De tollenaar vraagt God om naar hem toe te komen, omdat hij beseft dat een mens veel in de weg staat om zelf de verbinding te maken: zijn misstappen of juist zijn perfectie. Zijn onmacht en zijn ego. Zijn wil, zijn verwachtingen, zijn trots, zijn wanhopig zoeken misschien ook wel.
De Russische boer leert van de monnik om dit korte eenvoudige gebed te bidden bij elke inademing. Meer niet. Daarmee gaat hij op pad. En al lopend, zittend en zelfs slapend wordt dit gebed hem steeds meer eigen. Het gaat zijn ritme bepalen. Het geeft hem adem. Daardoor leert hij biddend leven. Niet door voortdurend in gebed te zijn, maar door in alles wat hij doet te beseffen dat hij met Christus verbonden is en zijn liefde mag ontvangen.
Ik vind het een prachtig verhaal. Beide verhalen trouwens. Gelovig in het leven staan, zeggen ze ieder op hun eigen wijze, Gods Rijk toelaten in je bestaan, heeft niet alleen te maken met geven, maar voor alles met ontvangen.
Dat we niet perfect zijn, steken laten vallen, dat is geen belemmering, het schrijft je niet af. Sterker nog, wanneer je je ervan bewust bent kan het juist een opening bieden om toe te leren laten wat je zelf niet scheppen kunt. Om te leven van –Bijbels gesproken- genade, en dan ook met genadige ogen naar de ander te kijken.
De intentie van het Jezusgebed zou ik u en jullie dan ook graag mee willen geven. De woorden zullen voor ieder van ons persoonlijk verschillen. Wij staan niet allemaal hetzelfde in het leven en hetzelfde in het geloof. Dat is niet erg. Sommigen zullen misschien niet eens woorden nodig hebben en liever de stilte meenemen.
Maar ik wens ons toe dat de toon van openheid en ontvankelijkheid deel mag worden van onze ademhaling. Dat we op onze weg mogen oefenen in het ervaren van Gods nabijheid. En daardoor ook elkaar leren ontvangen zoals we zijn. Hier en overal. Amen
|