spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Preken arrow Lukas 8: 4-15 (door ds. M. Visser)
Lukas 8: 4-15 (door ds. M. Visser) PDF Afdrukken E-mail
Preek op 25 juli 2010 in de gezamenlijke dienst in de Handwegkerk
over Lukas 8: 4-15 en Jesaja 6: 1-13; dienst van schrift en tafel

 
1 In het sterfjaar van koning Oezia
zag ik mijn Heer zitten op een troon,
hoog en verheven,
zijn zomen vulden de hal.
2 Serafs stonden stil boven hem,
met zes vleugels, zes vleugels elk;
met twee bedekte hij zijn aangezicht,
met twee bedekte hij zijn voeten,
en met twee vloog hij.
3 De een riep tot de ander en zei:
‘Heilig, heilig, heilig is de ENE Zebaoth,
heel de aarde is vol van zijn glorie!’
4 De deurpinnen in de drempels schudden
van de stem die riep.
Het huis werd vol van rook.
5 Ik zei: ‘Wee mij, want ik verga,
want een man onrein van lippen ben ik
en te midden van een volk onrein van lippen
ben ik gezeten!
Want: mijn ogen hebben de Koning, de ENE Zebaoth, gezien!’
6 Toen vloog één van de serafs naar mij toe
met in zijn hand een gloeiende kool,
met een tang genomen van het altaar.
7 Hij raakte daarmee mijn mond aan en zei:
‘Zie, dit heeft je lippen aangeraakt,
geweken is je ongerechtigheid
en je zonde is verzoend!’
8 Ik hoorde de stem van mijn Heer zeggen:
‘Wie moet ik zenden, wie zal voor ons uit gaan?’
En ik zei: ‘Hier ben ik, zend mij!’
9 Toen zei hij: ‘Gá! Zeggen zul je tot dit volk:
“Hoor om te horen, maar versta het niet!
Zie om te zien, maar kom niets te weten!”
10 Maak het hart van dit volk vet,
maak zijn oren zwaar en strijk zijn ogen dicht.
Anders zal hij met zijn ogen zíen
en met zijn oren hóren
en met zijn hart verstáán;
hij zal zich omkeren en genezing vinden!’
11 Ik zei: ‘Tot wanneer, Heer?’
En hij zei: ‘Totdat de steden zijn vernield,
en er geen ingezetene over is,
totdat de huizen (zijn vernield),
en er geen mens meer over is,
en de akker vernield is tot een woestenij.
12 Vér weg zal de ENE de mens brengen,
de verlatenheid zal enorm zijn
in de ruimte van het land.
13 Maar dan, als daarin nog een tiende deel over is
en als dat op zijn beurt weer zo goed als verwoest is:
zoals de godseik en de steeneik,
waarvan na het vellen een tronk overblijft –
zo zal de tronk dáárvan een geheiligd zaad zijn!’

***
4 Een grote menigte had zich verzameld;
uit alle steden waren ze naar hem toegekomen.
Toen sprak hij deze parabel:
5 ‘De zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien.
En terwijl hij zaaide, viel een deel langs de weg
en werd vertrapt;
de vogels van de hemel aten het op.
6 Een ander deel viel op de rots,
het kwam op en verdorde,
omdat het geen vocht had.
7 Een ander deel viel midden tussen de dorens,
de dorens kwamen tegelijk op en verstikten het.
8 Een ander deel viel op de goede aarde,
het kwam op en droeg vruchten: honderdvoud.’
Toen hij dit gezegd had, riep hij:
‘Wie oren heeft om te horen, laat hij horen!’
9 Zijn leerlingen vroegen hem:
‘Wat is dit voor een parabel?’
10 Hij sprak:
‘Jullie is het gegeven de geheimen te kennen
van het koninkrijk van God,
de anderen horen parabels, opdat
zij ziende niet zien
en horende niet verstaan (Jes. 6:9).
11 Dit zegt de parabel:
het zaad is het woord van God.
12 Die langs de weg:
dat zijn zij die het hebben gehoord.
Maar dan komt de tweedrachtzaaier
en neemt het woord uit hun hart,
opdat zij niet vertrouwen, niet bevrijd worden.
13 Die op de rots: dat zijn zij die, als zij het horen,
dankbaar het woord aanvaarden.
Maar zij hebben geen wortels,
zij vertrouwen een tijd lang,
maar in tijden van beproeving vallen zij weg.
14 Wat tussen de dorens viel,
dat zijn zij die wel hebben gehoord,
maar zo bezorgd zijn om rijkdom
en de genietingen des levens,
dat ze erin stikken en niet opbloeien.
15 Maar wat in mooie aarde viel, dat zijn zij
die met een mooi, goed hart
het woord gehoord hebben,
eraan vasthouden en vrucht dragen in volharding.
 


Je zou wensen dat we alleen maar de gelijkenis hadden gehad, die eerste verzen van de tekst, dan waren we snel klaar geweest vandaag. Dan waren we er gemakkelijk uitgekomen met elkaar. Dan had hier de dominee gestaan, en die had het mooi kunnen vertellen: ‘Ja, beminde gelovigen, we begrijpen allemaal hoe het zit: de zaaier is God, het zaad is zijn woord, en wij moeten zorgen dat we goede aarde zijn. Dus lieve gemeente, zet hem op. We hebben natuurlijk allemaal wel eens onze mindere dagen. Dan lijkt ons hartje een beetje op de rotsige bodem. Of dan zitten er distels in ons hart. Maar zorg nu dat jouw innerlijk goede grond is. Succes er maar weer mee in de komende week!’
Ongeveer zo zou de dominee het vertellen, en wij zouden geslagen maar gesticht naar huis gaan. En we waren best tevreden, want het was geen lange dienst geweest…
Maar de evangelist doet het anders. Hij laat het niet aan ons over. Hij laat namelijk Jezus de parabel die hij verteld heeft, toepassen, uitleggen. Nou, daar zijn we mooi klaar mee. Want het wordt er totaal niet duidelijker op. Nee, het wordt alleen maar ingewikkelder. Wat bedoelt hij nu eigenlijk? Waar gaat het hier over?

II
Eerst kijken we naar het zaad dat langs de weg valt en dat door de vogels opgevreten wordt. Daar gaat het over die mensen die Gods woord hebben gehoord. Maar dan komt de diabolos, de duivel, dat betekent letterlijk: de tweedrachtzaaier. En die neemt het weg.
Zijn wij dat? Ben jij dat? Is dat een ervaring die je kent? Dat het je ontnomen wordt: het woord van bevrijding? Dat je vertrouwen van je afgepakt wordt? …
Dan vertelt Jezus over de mensen die éven vertrouwen. Die een tijdje bij het geloof blijven. Die Gods woord horen en zich erover verheugen. Maar dan komen de beproevingen. Dan komen de zware tijden, het verdriet in je leven. En dan is het weg, dan valt het je uit handen.
Ben jij dat? Is het zo gegaan in je bestaan? Dat je het wel wilde, maar het niet kon vasthouden, dat je geloof je ontviel, tussen je vingers door gleed…
En dan vervolgens: de zorgen! Waarin je soms kunt stikken: de zorgen om de dingen die je hebt. Je huis, je baan, je toekomst, je gezondheid, je kinderen. Is dat herkenbaar? dat je stikt in zorgen en niet opbloeit. Ben jij dat? Staan wij daar in het verhaal?
Laten we eerlijk zijn: dat zou zomaar eens kunnen! En dat geldt voor al deze mogelijkheden: het zou zomaar eens kunnen dat het hier over ons gaat. Een ieder moet dat voor zichzelf nagaan. Laten we in ieder geval maar niet te gauw naar buiten wijzen: ‘Moet je kijken, al die halfgelovigen en ongelovigen daar, tsk tsk tsk allemaal rotsige bodem.’ Nee, kijk naar jezelf. En als het zo is, zie dan je eigen ongeloof onder ogen. Wees eerlijk.
Ja, óf zijn wij dit: Maar wat in mooie aarde viel, dat zijn zij die met een mooi, goed hart het woord gehoord hebben, eraan vasthouden en vrucht dragen in volharding… Diepe zucht, moeilijk gezicht. Zijn wij dat? Ik durf maar nauwelijks hardop te zeggen dat ik eigenlijk denk van niet. Eigenlijk denk ik dat deze goede aarde er niet is. Dat geen mens op die plek in het verhaal staat…

III
Hoe dan ook! In ieder geval! Het gaat in ieder geval niet aan om met dat bekende christendommelijke moralisme aan te komen: ‘Zet hem op, doe je best, wees goede aarde. Immers, foei, ongelovig-zijn mag niet.’ Nee, want neem het ze eens kwalijk, al die tallozen die het gewoon niet meer zien zitten met het woord van God, vanwege alle ellende die ze zien. Neem het ze eens kwalijk, al die mensen die stikken in hun zorgen. Om binnen het beeld van de gelijkenis te bijven: neem het de weg eens kwalijk dat ‘ie de weg is en dat daar niets wil groeien. Neem het de akker eens kwalijk als het onkruid sterker is dan het ontkiemende zaad!
Dus, kom niet aan met die prietpraat van: ‘Je moet er wel voor zorgen dat je hart ontvankelijk is, je moet wel zorgen dat je innerlijk er mooi, goed, gelovig bij ligt…’ Alsof je dat zomaar even doet, alsof die mogelijkheid voor het grijpen ligt. Dat moralisme, mensen, bah!
Maar goed, nu komen we wel, vervolgens, terecht bij de reusachtige vraag: wordt het dan wel wat met dat graan? Wordt het dan wel wat met het woord van de God van Israël in de wereld? Gaat dat woord klinken, en gaat het gedaan worden?
Zie je, dat is een reusachtige vraag. Dat is voor ons allemaal, voor ons als kerk, de diepe vraag: wat wij horen in de schrift – want dat woord, dat is natuurlijk het woord van de tora, van de profeten – dat woord van de schrift, dat wij horen, zal het vérder gaan, zal het gedaan worden? Dat woord van bevrijding, van leven, wordt het ooit wat? Zal het kiemen, zal het groeien, en komt er ooit de dag van de oogst, zo dat er ooit brood op de tafel staat, voedsel voor mensen om van te leven?
Dat vragen wij ons af, als wij naar onszelf kijken, naar de akker, naar de rotsachtige bodem die onze wereld is, naar de dorens, de distels, die welig tieren.

IV
Maar misschien is dat wel het hele probleem: dat wij teveel naar onszelf kijken. Dat wij teveel naar de akker staren, en naar de rotsbodem en naar de distels. Dat wij teveel naar ons eigen hart staren. En dat wij ons daar blind op staren. En dat we dan zeker denken te weten dat het nooit wat wordt.
Maar de zaaier is er ook nog! En de zaaier gaat uit om het zaad te zaaien!
Nu, en om die zaaier en zijn zaad voor ogen te krijgen, om iets van deze God te zien en van zijn woord, worden wij met een grote boog bij Jesaja gebracht. De schrift gaat open en er wordt iets verteld over die God en over het woord dat hij spreekt. We komen via dat gekke citaat terecht in het verhaal van de roeping van de profeet Jesaja.
Jesaja wordt geroepen om het woord van de God van Israël te spreken, dat woord van bevrijding en van toekomst. Maar wat blijkt, hij staat voor een onmogelijke opdracht. Het gaat niets worden. Dat woord gaat niet in goede aarde vallen. Het volk heeft zich afgekeerd, wil niet horen, wil niet leven met de tora, wil niet leven met zijn God.

En zo staat Jesaja voor dezelfde toestand als wij na het horen van de gelijkenis, met dezelfde vraag: hoe kan het dan ooit wat worden? Zal dat woord wel klinken en gehoord en gedaan worden? Nee. Met dezelfde vragen en dezelfde onmacht staat Jesaja daar.
Maar dan wordt er plotseling iets tegen Jesaja gezegd over een nieuw begin. Aan het einde van de tekst die wij hoorden gaat het plotseling over een rest in het volk, een groepje, waarmee een nieuw begin gemaakt wordt. Het gaat over een ommekeer. Over de onmogelijke mogelijkheid: dat er tóch toekomst is.
Jesaja krijgt plotseling het beeld voor ogen van een tronk. Er is een boom geveld, het is over en uit, het wordt niets meer. Maar dan ineens die wonderlijke woorden: die tronk zal zaad zijn. Dat kan niet, maar toch is het zo. Dat is een onmogelijke zin, maar die wil zeggen: het was uit, maar er gaat iets beginnen. Het was afgelopen, maar toch is er toekomst. Want dat betekent dat woord zaad. Dat staat in de bijbelse taal voor nakomelingschap (vandaar die overschrijffout van mij), voor toekomst. Dat staat voor toekomst, maar onmogelijke toekomst. Maar die gaat toch beginnen. Er is toekomst, hoewel dat helemaal niet kan. Het woord gaat door, de bevrijding gaat door. Daarvan leeft Israël, en daarvan moet nu ook Jesaja spreken.

Dat zaad, daarvan vertelt nu ook de gelijkenis. Dát zaad wordt er gezaaid. Terwijl wij niet zien hoe het ooit wat moet worden; terwijl wij denken dat dat zaad nergens in goede aarde zal vallen; terwijl wij die goede toekomst (Góds toekomst) nergens zien – het gaat toch gebeuren. Die toekomst is er. En die is al begonnen. Het zaad gaat op en het groeit en het is onstuitbaar. Dat zaad komt namelijk uit de hand van déze zaaier. Dat woord komt uit de mond van déze God. Zijn woord zál klinken. Zijn bevrijding gaat door.

 
V
Maar hoe dan? Hoe zal dat woord dan klinken en gedaan worden? Hoe zal dat zaad dan ontkiemen en groeien? Ik zei eerder: ik ben bang dat wij die goede aarde niet zijn, en niemand niet. Dat die goede aarde er niet is. Dus hoe moet het dan ooit wat worden!
Nee, maar dat is nu juist het hele wonder van deze tekst, het hele wonder van het evangelie. Deze zaaier gaat tóch uit om te zaaien. Hij waagt het erop. Hij neemt het risico van de mislukking. Maar omdat hij het is, zál het niet mislukken.
De God van Israël waagt het met ons. Hij neemt ons zoals wij zijn. Met heel onze geschiedenis, en ons karakter, met onze prachtige kanten en onze fouten. Hij wáágt het met ons, en gelooft in ons. Hij geeft het zaad prijs aan onze mensenharten. Hij geeft zijn woord prijs aan onze mensenoren. Hij geeft zijn zoon in de handen van mensen. Hij neemt het risico. Hij gaat de weg van de weerloosheid, de weg van ontkend worden en misverstaan. De weg van vertrapt worden en verstikt. Maar omdat hij het is, zal er toch geoogst worden en gegeten en gevierd. Omdat hij het is, zal er toch brood op de tafel staan. Genoeg voor iedereen.

Lof zij u, Christus!


Kinderverhaal bij het avondmaal

Een zaaier ging uit om te zaaien. Hij ging op een mooie ochtend zijn land op en zaaide en zaaide. Fluitend liep hij over zijn akker. Zijn vrouw stond bij het huis, aan de rand van de akker naar hem te kijken. Haar gezicht werd donker toen ze zag hoe hij bezig was. ‘Hé, je loopt niet op te letten!’ riep ze. ‘Hé, je doet het helemaal verkeerd. Kijk nou toch hoeveel zaad je naast de akker gooit. En op de verkeerde plaatsen. Oen, daar is toch de weg, je gooit allemaal zaad op de weg! En daar waar je nu bent, daar is toch die rotsige bodem, dat wordt nooit wat… O, o, o. Ach nee, niet daar, daar groeien toch allemaal distels!’ Zo stond ze te gebaren aan de rand van de akker.
Na een tijd kwam de boer naar haar toe. Zijn zaaigoed was op. Hij kuste haar en zei: ‘Kom, we gaan naar binnen. Het is nog vroeg, zullen we iets leuks gaan doen vandaag?’

Dagen gingen voorbij. Al gauw kon je het zien: het graan kwam op. Kleine, frisgroene plantjes staken overal de kop op. De boer ging regelmatig kijken en lachte dan tevreden. Zijn vrouw kwam dan wel eens bij hem staan en schudde haar hoofd.

Weken gingen voorbij. Toen was het zover: het graan stond prachtig geel en dik en rijp te wuiven in de wind. ‘We gaan oogsten,’ zei de man. ‘Ik pak de sikkels!’ zei de vrouw. Ze gingen het land op. Maar de vrouw kon haar ogen niet geloven: overal stond graan. Op de akker stond graan. Maar op de weg stond ook graan. En op de rotsige bodem stond ook graan. En tussen het onkruid stond ook graan! Sterker nog, er was bijna geen onkruid meer te zien, het graan had het aan de kant gedrukt. ‘Dat kan niet!’ riep de vrouw. ‘Al die halmen, midden op de weg, op het asfalt! En kijk nou, het graan heeft dwars door de rotsen heen wortel geschoten!’ Ze begon, nog altijd hoofdschuddend, maar lachend te oogsten, en bond grote schoven bij elkaar.

Van de graankorrels maakten ze samen meel. En van het meel bakten ze samen brood. Het was meer dan andere jaren natuurlijk, veel meer. ‘Laten we het in vredesnaam maar gaan uitdelen, al dat brood. We hebben veel te veel,’ zei de vrouw. Ze gingen naar het marktplein en begonnen uit te delen. ‘Vers brood, wie wil?’
Het was genoeg, het hele dorp at ervan. Wij eten er vandaag nóg van.

 
spacer.png, 0 kB