spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Preken arrow Exodus 24 (door ds M. Aalders)
Exodus 24 (door ds M. Aalders) PDF Afdrukken E-mail


Overweging uit de dienst van 16 mei 2010 (door ds. M. Aalders) 

Lezen:
Exodus 24:3-11
Matheus 26: 20-31

Gemeente van de Heer,

De woorden uit onze tekst hebben hun plaats gekregen in de liturgie van de kerk van alle eeuwen. Ze zijn ontleend aan Exodus 24. Een hoofdstuk van een ongekende intimiteit. Het gaat daarin over het verbond tussen God en zijn volk. Over de verbintenis tussen beide. In het voorafgaande overheerst de afstand. God is aanwezig in bliksem en donder, in luid bazuingeschal. Israel vreest hem te ontmoeten. Maar hier is alles anders. God is niet langer een God van verre. Hij is een God van nabij. Een wonderlijk verhaal is het. De enige plaats  in de bijbel waar verteld wordt dat mensen de Here God ontmoeten en toch niet sterven. Zij aten en dronken en zagen de God van Israel. Alsof er sprake is van een bevestiging van het voorafgaande, een maaltijd, als bezegeling van de verbintenis tussen God en zijn volk Israel.

Als Jezus met zijn leerlingen voor de laatste keer de maaltijd houdt, dan grijpt hij dus naar woorden die uit dit verhaal komen. Allerlei elementen uit de Paasmaaltijd laten de Bijbelschrijvers weg. Niets over de liturgie van de sedermaaltijd. Het lijkt er volgens sommigen zelfs op –vanwege de woordkeus- dat er van ongezuurd brood geen sprake is, ze menen dat Jezus ‘gewoon’ brood heeft gebroken en gedeeld. Evenmin is er sprake van een paaslam, of van een uitleg over deze nacht, die zo anders is dan andere nachten. Niets van dat alles. Zelfs als we ons realiseren dat we eigenlijk niet goed weten hoe men in de dagen van Jezus het Pascha vierde, is dat opvallend. De evangelisten leggen vooral de nadruk op wat anders ging. En daarbij komt nog iets anders. In het voorafgaande gaat het over de aankondiging van het verraad. En het wordt gevolgd door de aankondiging van de verloochening. Daar tussenin staan deze woorden, uit Exodus 24. Inhoud én opbouw van dit hoofdstuk zeggen iets over de betekenis die Jezus aan de laatste maaltijd heeft gehecht. Natuurlijk. Het was een sedermaaltijd. Maar Jezus legt de nadruk niet op de uittocht uit Egypte. Hij wijst op iets anders. Zoals het toen, in Exodus 24, ging om de verhouding tussen God en zijn kinderen, zo gaat het hier, in dit hoofdstuk, in de viering van het avondmaal, om de verhouding tussen God en zijn mensenkinderen. Daartoe horen ook Judas en Petrus. Christenen vieren niet de sedermaaltijd. Christenen vieren het nieuwe verbond, om met de woorden van Lucas en Paulus te spreken.

We lezen in Exodus 24 over vredeoffers en brandoffers die door Mozes gebracht worden. Offers wijzen op een besef van de afstand tussen God en mens. Mijn buurman kan ik zo maar aanspreken. Met God ligt dat anders. ‘God’, wie of wat dat dan ook is, God is niet je buurman, hoe dichtbij hij ook is. God zit niet in ons binnenste, hoezeer hij ook ons wezen bepaalt. God, zegt de Prediker, God is in de hemel en gij zijt op aarde. God is God, wij zijn maar mensen. De bijbel weet van de oneindige afstand tussen God en mens, in allerlei opzicht.

Och, we voelen ons heel wat, wij mensen. Iedere nieuwe generatie wetenschappers gelooft dat ze de wereld een stuk verder zal helpen. Om vervolgens te ontdekken dat het raadselachtige van het bestaan toch niet onthuld wordt. Na iedere oorlog roepen de mensen: Nooit weer. En ze geloven dat het een ongeluk was, een vergissing, die oorlog. En iedere nieuwe generatie politici belooft de hemel op aarde. En toch, wij zijn maar mensen. En deze God is zo anders dan bijvoorbeeld de goden van de Grieken, met hun strijd, hun afgunst, hun overspel. Deze God laat ons in Jezus zien hoe hij ons bedoeld heeft. En in dat licht, in Zijn licht, zien we onze kleinheid, onze beperktheid, ons tekort ook. Hoe groot is God. Gans anders is de Heer, Heilig, zegt de Schrift. God is in de hemel, en wij zijn op aarde.

Dat besef, van die oneindige afstand tussen God en mensen, ligt ten grondslag aan alle offers, in alle godsdiensten. Ook aan de offercultus van Israël. Niet dat God zich laat omkopen. Wie een offer brengt, spreekt daarmee iets uit. Hij erkent de majesteit van God bijvoorbeeld, in het brandoffer. Hij viert de gemeenschap tussen God en mensen met het vredeoffer. Hij brengt dank voor de zegen van Godswege in het dankoffer. Hij erkent dat hij zijn recht op leven heeft verspeelt, in het zoenoffer. God heeft dat niet nodig. Wij hebben het nodig. Riten en symbolen die ons doen beseffen wie God eigenlijk is.

Dat besef, van die afstand, speelt ook hier mee, in Exodus 24. Israel weet van die afstand. Israel erkent die afstand, die majesteit. En God, van zijn kant, overbrugt die afstand. Dat krijgt vorm in het ritueel dat hier beschreven wordt, in het sprenkelen van het bloed over het altaar en over het volk. Een ritueel waarmee zichtbaar wordt dat God zich met ons mensen heeft verbonden.

Als Jezus voor de laatste keer de maaltijd met zijn leerlingen gebruikt, verwijst hij naar die gebeurtenis. Een nieuwe verbintenis en verbondenheid, een nieuw verbond, om met de woorden van Paulus te spreken. Een verbondenheid met de Heer en met elkaar. Het ene brood dat gebroken wordt en uitgedeeld. Geen verhaal dat verwijst naar de nacht van de uittocht. Eerder een verhaal dat verwijst naar de wonderbare spijziging van zo velen. Niet over mensen die samen delen, maar over de Heer die overvloedig uitdeelt en daarmee de mensen  leven geeft en met elkaar verbindt. En de ene beker die rondgaat. In het ritueel van de sedermaaltijd heeft ieder zijn eigen beker. Hier is er maar één beker. Vandaar, naar Matheus, die extra aansporing. Drinkt allen daaruit. Jezus deelt uit. Opnieuw ligt de nadruk op de verbondenheid van de leerlingen met Jezus en met elkaar.

Niet de vorm overigens is het wezenlijke, maar die verbondenheid. Als Paulus later hoort over de avondmaalsviering in Korinthe, dan waarschuwt hij de gemeente. Hier de rijken, die zich tegoed doen en overvloed hebben, daar de armen, die honger hadden. Dat lijkt nergens op. Dat heeft niets te maken met een avondmaalsviering. Zo eet en drink je jezelf een oordeel. Zo verbreek je het wezenlijke van de christelijke gemeenschap. Dat je instaat voor elkaar. Dat je verbonden bent met elkaar. Dat je zorgt voor elkaar. Het ene brood, de ene beker. Je kunt losse bekertjes gebruiken in een sfeer van wezenlijke verbondenheid, je kunt allen drinken uit de ene beker, terwijl je elkaar verbijt en vereet.

Over die beker legt Jezus nog iets uit. De beker van het verbond in mijn bloed, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden. Gaat het avondmaal over de verbondenheid met elkaar en met de Heer, dan toch bij de gratie Gods. Dan toch omdat God genadig is. Wellicht speelde dat in Exodus 24 ook reeds een rol. Sommige uitleggers menen dat de verzoening van belang is bij alle offers. Maar in ieder geval brengt Jezus dit aspect naar voren. Verbondenheid, bij de gratie Gods. Er zijn in de bijbel allerlei beelden en verhalen die duidelijk moeten maken wat deze woorden over verzoening precies betekenen. Er is het beeld van het offer. Er is het beeld van de plaatsvervanging. Van het vrijkopen. En de theologen hebben hun intellect en soms hun kleinzielige spitsvondigheid gebruikt, om het ons uit te leggen. Hier, rond de instelling van het avondmaal, hier wordt het ons in beelden geschetst. In het voorafgaande, zo wees ik reeds aan, gaat het over het komende verraad van Judas. In het vervolg over de naderende verloochening door Petrus. Verbondenheid, zelf met Judas. En met Petrus. Zij hadden de dood verdiend. Niet Jezus. Maar hij stierf. En zij mogen leven. En even later lezen we hoe Barabbas vrijuit gaat, omdat een ander in zijn plaats ging staan. Daarover gaat het avondmaal.

Professor Roukema van Kampen heeft onlangs de stelling gelanceerd dat veel kerkgangers geen boodschap meer hebben aan kruis en opstanding, en velen willen niets weten van een verzoening tussen God en mensen. Het heeft ongetwijfeld te maken met ons beeld van God, en het beeld dat we van onszelf hebben. Wat hebben we niet een voorspoed gekend, en een lange periode van vrede, in Europa tenminste. Is de wereld niet met sprongen vooruitgegaan?  Bij zo’n mensbeeld passen kruis en opstanding niet echt. Maar de geschiedenis tekent ons een heel ander beeld van de mens dan dat van de vrolijke optimisten uit de late 20e eeuw.

Ooit hoorde ik een predikant vertellen dat hij zo’n mooie vakantie had gehad omdat hij het boek van Geert Mak over Europa had gelezen. Ik werd er verdrietig van, van dat boek. Een aaneenschakeling van oorlog en geweld. Zoveel doden. Zoveel moordpartijen. En dat in het zogenaamde christelijke Europa. Zal het ooit anders worden? Wat is dan toch een mens? Zal het ons ooit lukken om ons aan onze afkomst uit het dierenrijk te ontworstelen? Dat is niet alleen zo in de wereld van de machthebbers, van de generaals en de politici. Het is ook zo in de wereld van de kerk. Wie een beetje thuis is in de kerkgeschiedenis weet dat het daar vaak niet anders toegaat dan in de wereld. Als het erop aankomt, wat helpt die zogenaamde christelijkheid ons dan. En wie in de keuken van de kerk heeft mogen kijken, weet dat het tegenwoordig niet beter is dan vroeger. Heeft de catechismus geen gelijk, als hij zegt dat mij mensen geneigd zijn tot alle kwaad? Zal het ons ooit lukken om ons aan onze afkomst uit het dierenrijk te ontworstelen? Zou God er dan nooit genoeg van krijgen?

Nu ja, daarover gaat het precies, met dit avondmaal. En in al die Bijbelse beelden en verhalen over de verzoening. Daarover gaat het, dat het kan spannen in God. Dat God meer dan eens op het punt heeft gestaan er een einde aan te maken. Maar dat hij in Christus met ons steeds opnieuw een verbintenis aangaat. Wij mogen leven. Wie we ook zijn, en hoe ons leven ook is. Wat we ervan gemaakt hebben, en wat we er niet van gemaakt hebben. Hij doet ons niet naar onze ongerechtigheden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Maar zover het oosten is van het westen, zover doet hij onze overtredingen van ons.

Amen

Amstelveen, 12 mei
Handwegkerk, 16 mei 2010

 
spacer.png, 0 kB