Gemeente van de Heer,
Deuteronomium laat zich verstaan als een leerhuis in de open lucht, aan de rand van het toegezegde land. Waar Mozes nogmaals zegt wat hij al gezegd heeft, maar dan geheel anders. Een leerhuis in de vorm van een kritische bezinning op het verleden. 'Heden' is een kernwoord in Deuteronomium. 'Heden, zo jullie horen naar mijn Stem', daarmee staat of valt de inzet van het boek. En dat 'heden' geldt niet alleen de daar verzamelden in de velden van Moab, het geldt elke generatie, elke synagoge, elke gemeente die zich in leerhuis en liturgie laat gezeggen door 'al deze woorden'. Deuteromium geeft geen geschiedenis, maar wil zijn 'een weg om te gaan'.
Woorden van Hem die altijd zijn volk vooruit is. Aangevochten woorden, die vaak haaks staan op wat mensen aan den lijve ervaren, de schijnbaar niet te temmen macht van de goden van geld, geweld en verderf, het maatschappelijk cynisme dat zich altijd als laatste woord en waarheid aandient. Daartegenover staat de weerloze overmacht van de woorden die in Deuteronomium verzameld zijn als onderricht om te leven in het land van belofte en dat daarvoor een drievoudig spoor uitzet:
1) dat het leven gevierd mag worden als gave en opgave ineen, 2) dat deze woorden een verbond zijn tegen de machten van chaos en vernietiging, 3) dat de Ene een hartstochtelijk appel doet op het doen van recht en gerechtigheid, omdat alleen zo een maatschappelijk verband mogelijk is dat ruimte biedt aan velen.
Daarom kijkt Deuteronomium niet alleen achteruit, maar ook vooruit. Daarom: ‘wanneer uw kinderen u later vragen …’ Want het moet verder van geslacht op geslacht, het moet worden uitgelegd en toegelicht. Het spreekt niet vanzelf, elke generatie moet zich opnieuw de woorden eigen maken.
Maar wat nu als de kinderen niet meer vragen, of –beter gezegd – als ze nog wel vragen, maar in de zekerheid dat de antwoorden van de ouders en de vormgeving daarvan in de gemeente niet die van hun is. Als de woorden nog wel op respect kunnen rekenen, maar op niet veel meer dan dat. Dat is een werkelijkheid die in onze situatie zeer herkenbaar is. Deuteronomium heeft daar geen weet van, dat boek gaat uit van de vanzelfsprekend van religie van geslacht op geslacht. Nu klopt dat wel, ook onze samenleving is veel religieuzer dan vaak gedacht wordt, maar Deuteronomium veronderstelt een voortgang en continuïteit van de traditie en dat is bij ons veel minder vanzelfsprekend geworden.
Voortgang en continuïteit zijn ook aan de orde in het evangelie van Johannes. Jezus gaat een weg om een plaats gereed te maken voor zijn leerlingen. In de taal van de bijbel kan dat geen andere plaats zijn dan Jeruzalem als stad van vrede met open poorten voor velen in de nieuwe tijd, de toekomende eeuw. Een stad waarvan in het huidige Jeruzalem weinig tot niets te vinden is en in de tijd van Jezus ook niet.
Maar toch: “Jullie kennen de weg’, zegt Jezus. Jullie kennen de Schrift, jullie hebben ervaren hoe ik daar mee omga en dus. Niks ‘en dus’ zegt Thomas, wij weten niet waar u naar toegaat en zeker niet de weg die u gaat. Want je kunt wel de Schrift kennen, maar alleen fundamentalisten hebben daar genoeg aan.
Alle anderen weten dat ‘kennen’ niet is zonder ‘verstaan’, dat gebeurt altijd vanuit de context waarbinnen verstaan wordt. En als de context verandert, verandert ook het verstaan. Dan komen de oude vragen opnieuw terug, terwijl de oude antwoorden niet meer voldoen.
Thomas heeft er niet veel vertrouwen in, dat is niet voor het eerst. Ook in hfst. 11 komt hij aan het woord. Daar roept Jezus de discipelen op om op weg te gaan naar de gestorven Lazarus. Thomas zegt dan: ‘Laten wij ook gaan om te sterven met hem’ En het is niet duidelijk of Thomas daarmee Lazarus of Jezus bedoelt of allebei. Maar het is voor hem wel een weg die naar de dood voert.
En in hoofdstuk 14 weet hij niet welke weg te gaan, terwijl het geen andere weg kan zijn dan die van het onderricht van Israël. Daarmee is, nogmaals, niet alles gezegd. Want wat dat betekent in de concrete situatie waarin de leerlingen verkeren, kan alleen in die situatie worden verstaan. Anders gezegd: als een gemeente zich af vraagt welke weg zij heeft te gaan, dan is een antwoord alleen te vinden door die vraag te stellen binnen de concrete situatie waarin zij verkeert, zij beschikt daarvoor niet over een blauwdruk en niet over voorgegeven antwoorden.
Jezus verwijst Thomas dan ook niet naar de leer, maar naar zichzelf. In antwoord op Thomas klinkt het meest indrukwekkende Ik-ben-woord: Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Dat zijn drie woorden met één strekking, drie woorden als een belofte die niet statisch bedoeld zijn, maar dynamisch, bewegelijk. De weg, dat is in Israël de wegwijzer, de Tora. Wie mij volgt, zegt Jezus, gaat op de weg van het onderricht, die bezwijkt niet aan de letter van de wet, maar gaat in geest en waarheid. Ik ben de waarheid. Dat is geen leer, dat is beweging, dynamiek. Jezus is niet de vleeswording van een catechismus, geen vlees en bloed van de leer in vraag en antwoord.
Waarheid is in het evangelie geen optelsom van feiten, het is een relationeel begrip. Waarheid wordt niet geloofd, waarheid wordt gedaan in daden die het leven dienen. Die niet vernietigen, maar heel maken, die heil brengen. Ik ben de waarheid, omdat mijn weg mensen niet tegen elkaar uitspeelt, maar ze tot eenheid wil verzamelen. Want daarin is leven gelegen en gegeven. Ik ben het leven, want binnen mijn bereik wordt in vrede en vrijheid geleefd. Zo ben ik voorbeeldig en beeld ik uit: de weg, de waarheid en het leven zoals die door God geschonken worden.
Dat wordt dan in antwoord op een vraag van Filippus toegespitst op de verhouding tussen Jezus en degene die hij zijn vader noemde. Nu is er door de eeuwen heen veel over die verhouding nagedacht en dat gaat door tot op vandaag. En het blijkt dat de antwoorden op die vraag niet alleen onderling zeer verschillend zijn, maar ook verschuiven in de tijd. Ook al blijkt altijd weer dat elk schijnbaar nieuw antwoord ooit al eerder geklonken heeft.
Maar dat laat onverlet dat de tekst, vanuit welke interpretatie dan ook, wijst op een diepe relatie tussen Jezus en de Vader. Op een onderling en wederzijds vertrouwen, waarbij de één instaat voor de ander. In die verhouding wordt de gemeente op voorbeeld-ige wijze voorgehouden hoe daar de onderlinge verhouding mag en moet zijn. Alleen zo komt de gemeente tot het rechte verstaan en tot het rechte bidden. Tot het bidden dat de naam van Jezus in z’n waarde laat en niet tot vaandel maakt van het eigen gelijk.
In de hoofdstukken 13 – 17 van het evangelie van Johannes klinkt één groot appèl tot de gemeente om de onderlinge solidariteit te bewaren en uit te dragen. D.w.z. dat de solidariteit naar binnen toe niet is zonder solidariteit naar buiten toe. Dat kan vasthouden betekenen, het kan ook loslaten betekenen.
Er zijn geen blauwdrukken. Er is alleen het woord van de Levende, Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Dat woord spellen we uit, telkens weer in het horen naar al de woorden, in smeek- en dankgebed, in klaagzang en lofzang, in de ruimte van de liturgie die richtinggevend mag zijn voor de weg die wij mogen en moeten gaan. En zo moge het zijn.
Gebed om ontferming;
Heer God, Gij één en enig verheven in uw licht, geborgen in uw hemel, Gij hebt de aarde de mensenkinderen toevertrouwd om die te bewerken en te bewaren in gerechtigheid en vrede, in solidariteit met elkaar. Maar volkeren verheffen zich tegen u en tegen elkaar, zij lopen achter angstgoden aan, waanbeelden spoken in hun hoofd, dood en verderf zaaien zij. Toch roepen wij om ontferming want Gij hoort en ziet de gebeukten en bedroefden. Daarom klinkt ons loflied tegen de feiten in Daarom roepen wij om wat gebeurd is, om wat gebeurt: Heer, ontferm U. Daarom prijzen wij uw Naam nu en door alle tijden heen.
Gebed van de zondag:
Heer God, Gij één en enig, In stem en tegenstem, in woord en weerwoord, in een veelvoud van verhalen komt uw woord tot ons en het balt samen in die Ene die tot u bad en uw Vader noemde Jezus, in en met U beeld en gelijkenis van hoe Gij de mens aanspreekt, oproept, bemoedigt en uitdaagt, Open onze oren, open onze harten Doe ons verstaan
Voorbeden:
Heer God, Gij één en enig, wij danken u voor hemel en aarde, zon, maan en sterren voor licht, lucht en leven, voor inzicht en wijsheid
Wij bidden u voor deze wereld, voor hen die met macht bekleed zijn, dat zij zorgvuldig zijn. en voor hen die van hen afhankelijk zijn, dat zij zich kunnen toevertrouwen.
Wij bidden u voor onze vorstin en haar huis, dat zij dit land tot zegen mogen zijn. Voor allen die de komende dagen weer de pijn voelen van de oorlog lang geleden, maar voor hen nooit voorgoed voorbij. Wij bidden u voor allen die geroepen zijn om ver van hier hun dienst te verrichten en voor allen hen nabij. Voor hen die lichamelijk of geestelijk gewond terug gekomen zijn, Voor alle nabestaanden roepen wij u aan.
Wij bidden u voor uw kerk in grote verscheidenheid in verschillende omstandigheden, dat zij niet zichzelf zoekt dat zij onbevangen is en moedig, dat zij zich niet opsluit in zichzelf, maar openstaat voor de wereld waar zij zelf deel van uitmaakt, dat zij solidair is met allen die dat behoeven.
Voor christenen in het MO bidden wij u, een bedreigde minderheid, dat zij standhouden en zich bemoedigd weten door uw Geest.
Wij bidden u voor allen voor wie het leven zwaar is, door ziekte, onzekerheid, eenzaamheid of angst voor de tijd die komt.
Voor allen die bezweken aan het onvermogen om te leven, Al onze doden en al onze levenden gedenk Hoor ons als. -. Hoor ons als...
|