Lucas 19: 28-40 (en Zacharia 9: 9-10)
Vanochtend een dienst met een hoog ezelgehalte… Zal het lukken, dat de ezel ons een tale spreekt? Indertijd lukte dat niet, toen kunstenaar Aad de Haas een kruisweg met zestien staties had gemaakt voor de Sint-Cunibertuskerk van Wahlwiller en de figuren had afgebeeld met honden en ezelskoppen. De kunstenaar had er drie jaar aan gewerkt maar in 1949 moest zijn kruisweg verwijderd worden; pas tien jaar na zijn dood, in 1981, kwam de kruisweg weer in de kerk in Wahlwiller te hangen. Artistieke vrijmoedigheid ontmoet niet altijd begrip, zoals Gerard Reve ook zou ondervinden, denkt u maar aan het ezelsproces in de zestiger jaren. Als u op vakantie naar Zuid Limburg gaat, moet u de kruisweg van Aad de Haas gaan bekijken. Zoals je Amstelveen eigenlijk niet kent als je nooit in de Handwegkerk bent geweest, zo ben je, zonder bezichtiging van de kruisweg van De Haas, in feite niet in Zuid Limburg geweest…
Spreekt de ezel uit het intochtverhaal ons een tale? Ida Gerhardt noteerde in een kort gedicht hoe ze zich eens verraden voelde, maar tegelijk zeer getroost. Gij met uw zachtzinnige oren en uw geduldig gezicht: ik ben u zeer verplicht. Dat Gij het hebt aan willen horen hoe toenmaals het is geschied; en hoe mij de ander verried. En dat ge zelfs niet hebt bewogen, mij slechts getroost met uw ogen. Dat kunnen de mensen niet.
Door de eerbiedige toon van het gedicht krijgen we misschien een vermoeden dat Ida Gerhardt zich in haar gedicht tot God richt. Maar de titel van het gedicht spreekt boekdelen: 'Dank aan een ezel'. Het was een ezel die geduldig naar haar heeft geluisterd en haar heeft getroost. En onmiddellijk ga je denken: waren er maar meer ezels!
De dichteres was zeer vertrouwd met de bijbelse verhalen. In die verhalen aan ezels geen gebrek. We beluisterden een profetie, op naam van Zacharia. Je koning is in aantocht, nederig komt hij aanrijden op een ezel. Niet iets wat er in de dagen van de profeet gebeurt, maar een toekomstvisioen. Zacharia ziet de Eeuwige vrede verkondigen aan alle volkeren, zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee. Mensen die hun wapens restloos hebben ingeleverd, niet nog wat achter houden in geheime depots en schuurtjes. U en ik, wij zien zoiets dwaas nog niet gebeuren. Daar gelooft vandaag toch niemand in. Maar Zacharia ziet het voor zich. Alle paarden uit krijgsdienst ontslagen, die mogen weer heerlijk dartelen in de wei. Ruim baan voor de vrije kuren van de Edward Gals en Ankie van Grunvens onder ons…
Het paard is ooit door koning Salomo het land binnengevoerd en sindsdien rijden de koning en de bovenlaag van de bevolking op een paard. Het paard staat voor macht, voor aanzien, is bij uitstek het oorlogsdier. Over oorlog heeft Zacharia het ook, vlak voor waar wij begonnen te lezen. Over een oorlog die God te voeren heeft met de volkeren rondom. Maar alsof Zacharia daar zelf van schrikt, klinken vervolgens die woorden over een koning die op een ezel de stad binnenrijdt. Alsof Zacharia in gesprek met zichzelf tot de conclusie komt: een oorlog kan het doel van God niet zijn. Een oorlog kan misschien een middel zijn, een laatste noodmaatregel, een soms niet te vermijden kwaad - maar het kan Gods doel niet zijn. En dan vertelt de profeet over een koning op een ezel.
U vindt het waarschijnlijk niet vreemd dat de evangelisten bij het schrijven van hun verhaal over Jezus hebben teruggegrepen op het visioen van Zacharia. Alsof zij ons duidelijk willen maken: in Jezus zie je iets van een andere, geweldloze manier van leven, van een nieuw soort koningschap. Het koningschap van een argeloos mens die zijn volksgenoten leert om kwaad niet met kwaad te vergelden. Als iemand u op uw rechterwang slaat, sla niet terug, keer hem liever uw linker toe… Die vreemde rabbi die als hij bijna gevangen genomen wordt tegen één van zijn metgezellen zegt: weg met je zwaard. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen. Hier spreekt iemand die zijn tegenstanders niet wil vernietigen, maar strijdt met andere wapens; met de wapens van de geest, zal Paulus later zeggen. Vanuit een grote compassie met mensen, geworteld in de bron die hij Abba noemt, gelovend in de mogelijkheid van ieder mens om te kunnen veranderen. Zo bevrijdt Jezus een man van zijn corrupte praktijken in een tolhuis, verjaagt hij de zeven boze geesten die een plaag zijn voor Maria van Magdala, redt hij een naamloze vrouw van een dood door steniging. Dan is het toch niet vreemd dat de evangelisten, bij het componeren van hun goede tijding, moeten denken aan het visioen van Zacharia. Dat visioen van een nieuw soort koningschap dat over de gehele aarde vrede zal brengen. Het beeld van een ongewapende koning die op een ezel Jeruzalem binnenrijdt - het laat de evangelisten niet meer los. Ze nemen het, elk met hun eigen accenten, op in hun verhaal.
Lucas laat Jezus diepzinnig tegen zijn leerlingen zeggen: in het dorp verderop zult u een ezelsveulen vinden waarop nog nooit een mens gezeten heeft of dat nog nooit iemand gedragen heeft. Zo was Jezus ook in de wereld gekomen: door een meisje dat nog nooit iemand gedragen had. En het verhaal dat op Goede Vrijdag zal klinken zegt dat ze Jezus in een rotsgraf leggen, een graf dat nog nooit was gebruikt, of letterlijk: waarin nog nooit iemand was gelegd. Alsof de evangelist ons op het hart wil drukken: de weg die deze mens gaat is geheel nieuw en volstrekt uniek. Het is van zijn geboorte tot zijn dood een weg die nog door geen mens is gegaan.
Bij Lucas heeft haast elke zin een dubbele bodem. Maak het ezelsveulen los en als iemand er naar vraagt, moet je maar zeggen: de Heer heeft het nodig. Hier spreekt een mensenkind die er weet van heeft nodig te zijn, die weet heeft van zijn roeping. Hij heeft zich als een ezel laten losmaken om zich te verbinden met zijn bestemming. Hij laat zich brengen naar Jeruzalem, daar gaat Jezus zijn ondergang tegemoet, de uiterste consequentie van zijn nodig zijn. Het verhaal van de intocht is een verhaal dat pas kon worden geschreven na het leven van Jezus, toen alle stukjes van de puzzel op z'n plaats vielen. De oudste christelijke gemeenten hebben naar woorden gezocht om de unieke betekenis van Jezus door te geven aan komende generaties. De visioenen van Zacharia worden op Jezus betrokken. Een historicus kan dat volgens de regels der kunst niet doen. Maar Lucas is geen historicus in de moderne zin van het woord. Hij wil niet koel en zakelijk beschrijven, hij wil getuigen van de betekenis die Jezus heeft voor mens en wereld. Jezus is voor hem de koning van de eindtijd. Niet hooggezeten op een paard maar een laag-bij-de-grondse koning op een ezel, het dier bij uitstek van de armen.
In Rome is ooit een tekening ontdekt, gekrast op een muur van de heuvel Palatijn, die stamt uit de derde eeuw na Christus. Spotprenten zijn niet alleen iets van onze tijd, die had je toen ook al. Op die tekening zie je een kruis en aan dat kruis hangt een man. Het is een man met een ezelskop. Onder het kruis ligt iemand geknield, een zekere Alexamenos. Onder de tekening staan een paar woorden in de muur gekrast: Alexamenos aanbidt zijn God. Deze heidense cartoonist heeft meer begrepen van de God van Israël, dan hij zelf zal hebben beseft. Een God die neerdaalt om mens te zijn met de mensen, hun helpt hun last te dragen en die afziet van macht en geweld, zo'n nederige God draagt eerder de trekken van een ezel dan van een mens. Dat is niet menselijk meer.
Maar in het bijbels Verhaal hebben we voortdurend met omkeringen te maken die ons denken en doen ontregelen. Met oog op die mens uit Nazaret op een ezeltje zingt het geloofsverhaal: alleen wie zo nederig kan zijn, is de verhevene. Aan wie zo kan dienen, is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Paulus heeft dat in niet mis te verstane woorden samengevat: het dwaze van God is wijzer dan mensen en het zwakke van God is sterker dan mensen. Inderdaad, zo dwaas is deze God. We hebben een evangelie dat voor joden aanstootgevend is en voor heidenen, en dat zijn wij, dwaas. Zo had Alexamenos het begrepen en hij was bereid net zo dwaas te zijn als zijn God.
Aan u en mij de vraag of wij wat mee kunnen komen in die dwaasheid Gods? In onze wereld gaat het niet om een weg omlaag maar altijd weer om een weg omhoog. Het leven een eindeloos gevecht om een beter rapportcijfer. Je eigen koers uitzetten, krijgen we te horen en: leve de autonomie. Maar de diepte in, bij een ander zijn, in diepe nood, de last meedragen, dat is een ander verhaal. Hosanna roepen voor die unieke mens op zijn ezeltje is te doen, zolang hij iets voor ons doet. Dat is op palmzondag geen probleem. Maar als nu eens blijkt dat wij iets voor hem moeten doen, houdt dan ons 'Hosanna roepen' niet al gauw op?
Maar vroeg of laat gebeurt het, dat ons gevraagd wordt: mag ik dit of dat even van je lenen, want de Heer heeft het nodig. Of liever, want persoonlijker: De Heer heeft mij nodig. Laat ik mezelf losmaken, durf ik van eigenaar te wisselen om me opnieuw te laten binden, te verbinden met anderen? Zoveel nadruk ligt er vaak op ons eigen doen en laten, alles wat er gebeurt uit eigen naam, op grond van eigen plannen. Dat kan ons minder aandachtig maken voor die andere stem, die zegt dat we nodig zijn. De Heer, de ander heeft ons nodig. Dat ben je niet meer eigenaar van je eigen projecten, dan hoeven u en ik alleen maar te volgen. Zoals het ezelsveulen zich laat losmaken en meegaat. Zoals de ezel in het gedicht van Ida Gerhardt luistert en troost zonder het te weten. Zoals Jezus gaat en leeft uit de naam van de Levende die hem nodig heeft. Misschien dat we op belangrijke momenten in ons leven niet onze eigen plan hoeven trekken, maar ons laten losmaken, bevrijd worden van ons ik, ons ego, omdat we nodig zijn, voor een ander in de naam van de Levende. Is dat alles niet vreemd, niet heel anders dan wat deze wereld voor gewoon verslijt? Dat is het. Ons is dan ook een tegendraads evangelie toevertrouwd.
In de week die voor ons ligt, de centrale week van ons hele kerkelijke jaar, kunnen we proberen los te komen van alles wat ons gebonden houdt, om Jezus te volgen op zijn weg. Hij gaat een ongekende weg, een weg van liefde tot het uiterste, hij geeft zich in vertrouwen over. Het is te veel, te groot voor ons, wij kunnen dat niet. Maar we kunnen misschien, bij alles wat ons overweldigd, weer ontdekken dat de Heer ons nodig heeft. En hem, net als toen in Jeruzalem toeroepen: gezegend gij, die komt als koning in de naam van de Levende! Niet de machtigen van onze wereld, maar hij, deze dwaze mens, onze koning! Hosanna.
|