|
Lucas 15: 11-24 (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
Die gelijkenis van Jezus over die vader en zijn zonen roept van alles op. Er kan van alles gaan resoneren uit ons eigen leven als Jezus met dit verhaal komt, je ontkomt er niet aan om aan je geboortehuis te denken, aan je ouders die je hebt gehad of nog hebt, aan je kinderen als je die mocht ontvangen, aan eventuele zussen of broers. En voor je het weet identificeer je je met de oudste zoon omdat je zelf de oudste bent of als jongste kind met de jongste. Het begint zo onschuldig: iemand had twee zonen. Maar o wee, o wee, wat is dat verstrekkend. Dat eerste kind krijgt na verloop van tijd een zusje of broertje. 't Is voorgoed gedaan met de rust. Die ander wil ook aandacht en na een tijdje is het speelgoed van de oudste niet meer veilig. Een grote uitdaging is geboren: om met elkaar te spelen, om samen te leven. Nu mag jij Jeroen; voorzichtig nou toch Benjamin met de auto van je broer; Tess, vraag maar of je met die pop van Maud mag spelen. Hier begint het levenslange gevecht tegen de rivaliteit. Krijgt zij niet meer aandacht, wordt hij niet voorgetrokken?
Er zijn mensen die hun hele leven een gevoel hebben en houden: ik ben door mijn ouders niet op waarde geschat, ik ben achtergesteld. Soms wordt dit gevoel ondubbelzinnig bevestigd door de feiten. Als we denken aan al die vrouwen die als meisje zo snel mogelijk moest gaan werken, al hadden ze graag een studie opgepakt. Maar het broertje, dat minder gemakkelijk leerde, moest en zou een opleiding volgen. Er zijn anderen die zichzelf wegcijferden en vele jaren zorgden voor een zieke moeder of vader. Helaas moeten zij het vaak zonder erkenning, zonder waardering doen van carrière makende zussen en broers!
Van alles uit ons eigen leven doet dus mee als we Jezus' parabel overwegen. Eerst maar eens een spot op de jongste zoon. Hij voelt een vreemde onrust in z'n bloed. In het ouderlijk huis begint hij zich opgesloten te voelen. En de troubadour van alle eeuwen zingt: dag vader, dag moeder, dag zuster Ursula; ik zie het hier niet meer zitten, ik ga naar Amerika. Tegen gevoelens van je gevangen weten is geen kruid gewassen. Velen rond de twintig hebben rare kriebels, de wereld moet worden verkend, de zwerver in henzelf moet worden uitgelaten. De vader in de parabel legt z'n kind niets in de weg. Wat is er tegen dat kinderen het ouderlijk huis verlaten? Er zijn zelfs ouders die hun kinderen aanmoedigen om die stap te zetten, omwille van hun geluk.
Dat geluk ligt overigens niet voor het grijpen. Je zal soms pijnlijk ontdekken dat je niet zomaar vindt, wat je zocht. De zelfstandigheid waar wij al jong naar verlangen, blijkt nogal breekbaar. De vrijheid waar zo naar is uitgezien, kan omslaan in slavernij, daar helpt geen lieve moeder of vader aan. Toen kwam die jongen tot zichzelf. Dat vind ik een ontroerend zinnetje. Het is immers gemakkelijker om je eigen waarheid maar niet te zien. Je kan ook anderen de schuld geven. Je kop in het zand steken. De schijn ophouden. Hoe is het? Alles goed? Ja hoor, alles goed! Maar die jongen denkt: het gaat met mij niet goed. Het leven dat ik leid, is geen leven. Wat ben ik ver van huis geraakt. Moedig van die jongen, om z'n eigen waarheid niet te verbloemen.
Maar wat moet hij nu doen? Met hangende pootjes terug naar huis? Z'n vader zal hem zien aankomen, zeg… Ik moet denken aan gesprekken die ik vroeger voerde met jongens die ontdekt hadden dat ze homoseksueel waren. Soms durfden ze met die boodschap niet naar huis te gaan. Dan zei zo'n jongen: m'n vader is een nogal autoritaire man, dadelijk trapt hij me nog het huis uit, als hij hoort hoe het met mij zit. Wat een beeld heeft zo'n jongen van z'n vader… In de praktijk bleken de meeste vaders trouwens mee te vallen. Hielden ze, goddank, hun kind vast en lieten ze hun vooroordeel los.
Wat voor beeld van z'n vader zou er door het hoofd van die jongen rondspoken die temidden van de varkens tot zichzelf komt? Is hij bang voor z'n vader? Mag hij nog thuiskomen? Ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden, is zijn conclusie. Is dat sluwe berekening of juist het toonbeeld van bescheidenheid?
Dan die oudste zoon. Er zijn heel wat dingen die voor hem spreken. Het is een keurige jongen, één en al toewijding. Hij zal niet gauw door een rood stoplicht rijden, regels zijn er om je aan te houden. Spreek je om drie uur met hem af dan is hij er ook om drie uur. Hij loopt niet weg voor wat hij als zijn plicht ziet. Op zulke mensen kun je bouwen. Zonder dat ze op de voorgrond treden, houden ze een vereniging, sportclub of kerkelijke gemeente draaiend. Als deze oudste na een dag hard werken thuiskomt, schrikt hij van de muziek. Wat zullen we nu beleven, mompelt hij, het is toch geen officieel erkende feestdag? Dat het gemeste kalf er de pest in heeft dat de jongste zoon is thuisgekomen, laat zich verstaan. Maar dat die jongen zo boos is over de terugkeer van zijn broertje - wat jammer is dat. Gelijk vliegt de deksel van de put en zijn er weer zijn gevoelens van gepasseerd zijn. De rivaliteit wordt weer helemaal in hem wakker. Ach, wij kunnen ons er wel iets bij voorstellen. In een gezin draait het vaak om een zorgenkind. Dat kind staat in het licht van de schijnwerper, de kinderen waar niks mee aan de hand is, krijgen minder aandacht.
Jezus spreekt de gelijkenis naar aanleiding van het gemor van Farizeeën en schriftgeleerden die schande spraken van Jezus' doen en laten. 'Moet je toch kijken, hij ontvangt zondaars en eet met hen.' Vreemd is dat toch, dat er in het hart van vromen zo weinig vreugde is. Roep je tegen de oudste zoon met woorden van Marsman: groots en meeslepend wil ik leven, dan kijkt hij je wat meewarig aan. Eigenlijk is hij zo vreselijk gewoon, zo onopvallend. Zet je hem in een kerkbank, geen sterveling die hem herkent… Hij lijkt als twee druppels water op al die anderen. Maar dat z'n jongere broer beloond wordt voor het rommeltje dat hij van z'n leven gemaakt heeft, dat gaat er bij hem niet in. De vraag is natuurlijk of dat er bij u en bij mij wel ingaat. Is een kerkelijke gemeenschap vaak niet geworden tot een verzameling van oudste zonen, de oudste dan als type?
Wat moeten we immers met de ruimhartigheid van de vader? Deze vader heeft zijn jongste laten gaan, toen hij in de ban raakte van het avontuur. Bij het afscheid kwam hij niet met allerlei wijze lessen of waarschuwingen. Maar in z'n hart is die vader met z'n kind verbonden gebleven. Hoe vaak heeft hij niet naar hem uitgekeken? Dan stond hij voor het huis en tuurde of hij in de verte iemand zag komen. Dat stipje aan de horizon, zou dat hem zijn? U weet hoe die vader reageert als z'n verloren kind uiteindelijk naar huis komt. Hij rent op zijn kind af. Zo snel als z'n benen hem kunnen dragen. Vader, ik ben het niet meer waard… Stil m'n kind, je was m'n zoon, je bent m'n zoon, je blijft m'n zoon.
Wat een vader. Daarom spreekt deze gelijkenis ook zo tot ons hart. Want we horen dat we onvoorwaardelijk worden bemind. Hier is een vader bij wie je altijd weer terug kan komen, die je niet vastpint op je stommiteiten. Hij heeft ons in dit bestaan gewild en blijft ons zijn trouw bewijzen, zichzelf verloochenen kan hij niet. Ik zeg nu 'Hij' maar ik hoef u niet te vertellen dat het beeld van een moeder net zo ter zake is.
Soms zie je op televisie hoe ouders en kinderen weer herenigd worden na jaren van verwijdering. Je realiseert je dat er andere moeders en vaders zijn die een dierbaar kind nooit meer in de armen kunnen sluiten. En dat er ook kinderen zijn die met de beste wil van de wereld niet meer terug naar huis kunnen, als er nog een thuis is. Daarvoor is er teveel gebeurd. Zelfs als u het met thuis goed getroffen had of heeft, dan nog ontkomt u niet aan gemengde gevoelens over uw al of niet in leven zijnde eigen vader en moeder. Daarom moeten we over die vader uit Jezus' parabel zeggen: op aarde kom je zo'n vader niet tegen. Geen aardse vader schildert Jezus ons maar een hemelse. Die vader was hem uit de verhalen van het eerste testament duidelijk geworden. Bijvoorbeeld uit het verhaal van de profeet Hosea. Als Israël God vaarwel gezegd heeft, ver van huis is, hoort Hosea de Eeuwige zeggen: hoe kan Ik je opgeven, Israël… Mijn hart keert zich om in Mij, mijn ontferming komt helemaal in beweging.
Iemand had twee zonen… Zegt u maar wie u wezen wilt, de oudste of de jongste. Of kunt u helemaal niet kiezen, wonen zij beiden bij u in huis, zijn het twee kanten van uw persoonlijkheid? Zou dat kunnen? We zijn toch plichtsgetrouw, laten ons geweten spreken, we nemen onze verantwoordelijkheid toch niet licht? Maar zit er ook niet een verloren zoon of dochter diep verscholen in ons, op zoek naar vrijheid, op zoek naar dingen die wellicht buiten de orde zijn; soms kunnen ons al die regels toch niets schelen? U en ik, wij kunnen de jongste in onszelf naar een ver land verbannen, we kunnen eventueel de oudste in ons belachelijk maken: ach, jij met je geweten, met je moraal, maar heelheid ontstaat er pas als de oudste en de jongste elkaar de hand schudden; dan genezen wij pas van onze éénzijdigheid. Die vader ziet niets liever dan dat beide kinderen samen aan tafel gaan, zeg maar de verantwoordelijkheid en de spontaniteit, de plicht én de vrijheid.
Rembrandt heeft de gelijkenis van Jezus meerdere keren in beeld gebracht. Aan het eind van zijn leven schilderde hij de vader als een oude man, gekleed in een dieprode mantel, die zijn stramme handen op de schouders van zijn zoon legt die voor hem knielt. Het middelpunt van het schilderij zijn de handen van de vader. Het licht waar Rembrandt op zijn doeken zo in bedreven is, valt op die handen. In het zegenende gebaar ontdek je een vader die zichzelf niet opdringt maar weet te wachten, een vader die zich niet terugtrekt maar blijft hopen dat z'n kinderen zullen terugkeren. Z'n enige wens is om te zegenen.
Gemeente, de gelijkenis van de verloren zoon, zoals hij vaak wordt genoemd is vooral de gelijkenis van de liefde van de Vader. Wat een geluk, voor ons.
|
|
|