spacer.png, 0 kB
Home arrow Blog arrow Lucas 11, 14 t/m 20 (door ds. G. Manenschijn)
Lucas 11, 14 t/m 20 (door ds. G. Manenschijn) PDF Afdrukken E-mail
Lezingen:
OT:         Deuteronomium 18, 9 t/m 15
Epistel:        Romeinen 12, 14 t/m 18
Evangelie:    Lucas 11, 14 t/m 20

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Voor politici is het tegenwoordig eis dat ze transparant moeten spreken. ‘Transparant’ be-tekent letterlijk: doorzichtig. Glas is doorzichtig, cellofaan is doorzichtig, maar op welke ma-nier kan taal doorzichtig zijn?
Als je daar even over nadenkt, ontdek je dat de uitdrukking ‘transparant spreken’ zelf niet transparant is. Je kunt niet letterlijk door de taal heenkijken; je leest taal en dan zie je letters, je hoort taal en dan hoor je klanken. Maar je kijkt en hoort er niet doorheen. De vraag is al-tijd:’Wat lees je? Wat hoor je?’
Met andere woorden: de uitdrukking: ‘transparante taal’ is beeldspraak. En beeldspraak is overdrachtelijk, beeldspraak doet altijd een beroep op ons voorstellingsvermogen. Toch weet iedereen wat bedoeld wordt met de eis dan politici transparant moeten spreken. Bedoeld wordt dat ze geen wollige taal gebruiken, dat ze moeten zeggen waar het op staat en niet met veel woorden de waarheid mogen verzwijgen. Op dat laatste: met veel woorden de waarheid verzwijgen, worden ze trouwens getraind. Daar zijn ze vaak heel goed in. Want een politicus kan niet alles vertellen, veel zaken zijn vertrouwelijk. Als je met veel woorden de waarheid verzwijgt, lieg je niet, maar je spreekt ook de waarheid niet, die laat je in het midden. De eis van transparant spreken gaat daar tegen in: je woorden mogen niet voor dubbele uitleg vatbaar zijn, ze moeten één betekenis hebben en de hele waarheid vertellen.

Is Bijbeltaal transparant? Is Bijbeltaal maar voor één uitleg vatbaar? Mag Bijbeltaal alleen maar eenduidig zijn en nooit overdrachtelijk? Of is het juist andersom: is Bijbeltaal juist wel overdrachtelijk, juist wel beeldspraak?
Ik denk het wel. Bijbeltaal kan weinig anders zijn dan beeldspraak. Maar geen beeld-spraak om de waarheid te verzwijgen, maar om een diepere waarheid te openbaren. Die diepe-re waarheid wordt ons door de profeten verteld, zegt Deuteronomium, en dat geldt zeker van de grote profeet Jezus van Nazareth. Wie de Bijbelse beeldspraak letterlijk neemt, is doof voor de diepere waarheid van het evangelie. De proef op de som is het evangelie van vanmor-gen: de genezing van een stomme, zoals dat verteld wordt in Lucas 11,14 t/m 20.

De beeldspraak waarvan Lucas zich bedient, is voor ons zeker niet vanzelfsprekend, ze stelt ons voor vragen, maar ik waag een poging. De man is met stomheid geslagen. Hij kan geen woorden vinden om zijn verhaal te vertellen. Hij is zwijgzaam opgesloten in zichzelf. Onmachtig om zijn onmacht te verwoorden. Alsof een duistere macht hem de mond snoert.
En dan die schijnbaar eenvoudige mededeling: ‘Hij – Jezus – dreef een demon uit die niet kon spreken.’ Alsof het alledaags werk is. Schijnbaar even eenvoudig als de zin: ‘De psychia-ter doorbrak met zijn therapie het zwijgen van zijn gestoorde patiënt en kreeg hem aan het spreken.’ Dat is trouwens ook geen eenvoudige zaak, maar de woorden die dat vertellen zijn wel eenvoudig, voor geen misverstand vatbaar.
Maar de mededeling van Lucas dat Jezus een demon uitdrijft die niet kon spreken, heeft niet de betekenis van de uitspraak dat de psychiater met zijn therapie een gestoorde patiënt aan het spreken kreeg. Aan de orde is niet het succes van de psychotherapie, maar de bevrij-dende kracht van het evangelie. En dat wordt verteld in de taal van het exorcisme, de taal van de duiveluitdrijving. En het is de kunst die taal te verstaan, zonder exorcisme te gaan beoefe-nen als een alternatieve geneeswijze. Dat is niet eenvoudig, je moet er een goede verstaander voor zijn. Laten we het proberen.

Met stomheid geslagen zijn, dat is geen gewoon spraakgebrek. Stomheid, dat is: geen taal meer hebben, niemand hebben die naar je wil luisteren, je in de greep voelen van een macht die jou het zwijgen oplegt. Alsof je tong vastzit en je gedachten geen woorden kunnen vinden. De Bijbel spreekt dan van een demon die niet kan spreken. In het spraakgebruik van de we-reld van toen is een demon nier per sé een duivel, eerder een bovenmenselijke macht die een mens in zijn greep heeft. Er staat niet dat de stomme niet kan spreken, er staat dat de demon niet kan spreken. Die belet jou te spreken; die staat machtig tussen jou en je medemensen in.
Want taal is een brug tussen mensen. Stomheid is dat die brug is opgeblazen. Met taal uiten mensen hun gedachten en gevoelens tegenover elkaar. Ook met gebaren en een oogop-slag. Maar taal is meer. Mag ik dat verduidelijken met een persoonlijke herinnering?

Ruim twintig jaar geleden is mijn vader overleden.  Enkele dagen voor zijn dood was hij in gesprek met mijn moeder en mijn jongste zus. Op een vraag gaf mijn vader ineens geen antwoord meer. Hij was geheel bij bewustzijn, zat overeind, maar was totaal verstomd. Mijn zus riep: ‘Moeder, vader kan niets meer zeggen!’ Een herseninfarct. Tot aan zijn dood, enkele dagen later, is er geen woord meer over zijn lippen gekomen. Wel die machteloze pogingen om iets te zeggen. Het is maar een vergelijking, maar ik begreep toen ineens wat het voor een mens betekent blijvend met stomheid geslagen te zijn.
Met die man uit Lucas 11 ging het anders. De macht die hem belette te spreken, werd uit-gedreven. Hoe Jezus dat deed, staat er niet bij. Waar het echter op aankomt is dat Jezus die stomme de taal teruggeeft. Bevrijd tot spreken. Terug in de gemeenschap over de brug van de taal. Zo basaal is het evangelie. Je kunt weer betekenisvolle woorden vormen, de onmacht van de sprakeloosheid is van je afgenomen. Het staat er opnieuw zo schijnbaar vanzelfsprekend: ‘Toen de demon verdreven was, begon de stomme te spreken.’

En dan de reactie van de mensen die getuige waren van deze doorbraak van stomheid naar spraak. ‘Ze stonden verbaasd’, staat er. Begrijpelijk, zoiets is niet alledaags.
Maar er is ook diep gekoesterde argwaan. Die argwaan is theologische van aard: het is het vermoeden van toverkunsten. Daar moest de Bijbel niets van hebben, we hebben dat gelezen in Deuteronomium 18. Het verwijt aan het adres van Jezus liegt er niet om: ‘Dank zij Beëlze-bul, de vorst der demonen, kan hij demonen uitdrijven.’ Dat was voor de mensen van die tijd transparante taal. Ze bedoelden: Jezus maakt zich schuldig aan toverij. Niet: Hij werpt de stomme demon uit, maar: dat doet Beëlzebul, een soort chef generale staf die het bevel voert over de vele demonen in het leger van gevallen engelen waarover de duivel beschikt. Met dat soort zaken mocht je je niet bezighouden. Gods schepping is geen tovertuin vol boze geesten, maar een bewoonbare aarde voor mensen die toverij en afgoderij hebben afgezworen.
Nog weer anderen vragen van Jezus een bewijs van hogerhand. Er moet een teken uit de hemel komen, en Jezus moet dat maar eens regelen. ‘Als jij, Jezus, op aarde een stomme de-mon kunt uitdrijven, dan kun jij er ook wel voor zorgen dat er een signaal uit de hemel komt. Dan weten wij dat jij het ook in de hemel voor het zeggen hebt en dat je je niet met toverkun-sten bezighoudt.’  

Blijkens het vervolg komen die beschuldiging van toverij met Beëlzebul en die vraag om een hemels bewijs dat Jezus niet tovert, op hetzelfde neer. Hoewel het reacties zijn van onge-loof en spot, moeten we ze toch serieus nemen, willen we verstaan wat hier aan de hand is. Want Jezus’ optreden roept een keuze op: voor de één is Hij iemand die zich inlaat met tover-kunsten, voor de ànder iemand die met Gods hulp mensen bevrijd uit lijden en eenzaamheid. Zo werden toen de omstanders voor de keuze gesteld. En zo ook wij, de hoorders.

De argwaan van het ongeloof zegt: ‘Door Beëlzebul, de vorst der demonen, kan Hij de-monen uitdrijven.’ Beëlzebul is een verbastering van Baäl-Zebub, en dat was de god van de Palestijnse stad Ekron, dus een heidense god die in 2 Koningen 1 voorkomt in een verhaal van een koning van Israël, Amasja geheten. Die koning stuurt boden naar Ekron om Baäl-Zebub  te raadplegen of hij zal herstellen van zijn zware verwondingen ten gevolge van een val uit een vertrek op de bovenverdieping van zijn paleis. Het verhaal is te lang om na te vertellen, maar als u bedenkt dat Baäl-Zebub een scheldwoord is dat: ‘Heer der vliegen’ betekent, zeg maar: vliegengod, dan weet u het wel. Baäl-Zebub is een god die niets voorstelt, en dus Beël-zebul ook niet.

In de tijd van het Nieuwe Testament werd het scheldwoord Beëlzebul gebruikt voor de  commandant van de demonen. Dat was allemaal volksgeloof, geen Bijbels geloof. Maar Jezus begrijpt onmiddellijk wat er bedoeld wordt. In dat volksgeloof is Beëlzebul een ondercom-mandant van Satan, die zelf de opperbevelhebber is van het rijk van het kwaad. In de voorstel-ling van dat volksgeloof voerde Beëlzebul het bevel over een legertje demonen, en daarmee kon hij in opstand komen tegen Satan zelf. Dat is zoiets als rebellie in militaire gelederen, en dat is heel gebruikelijk in een militaire dictatuur, daar zijn altijd opstanden.
Ineens is het duidelijk wat er aan de hand is, dank zij dit mythische volksgeloof. Het be-vrijdende werk van Jezus, dat hij een stomme terugbrengt in de taal, hem weer aan het spre-ken krijgt, wordt voor duivelswerk verklaard. Hij handelt niet namens God, maar namens de onderbevelhebber van het kwaad: Beëlzebul.

Dat is de ergste beschuldiging die je kunt bedenken. Dat zeiden ze niet openlijk, dat sug-gereerden ze toen ze over Beëlzebul begonnen. Maar Jezus heeft ze door.  Hij kent hun ge-dachten. Hij zegt: je kunt Beëlzebul niet uitspelen tegen Satan. Een koninkrijk dat tegen zich-zelf verdeeld is, kan niet standhouden. Een huishouden dat verscheurd wordt door tweedracht, gaat ten onder. Als de macht van het kwaad tegen zichzelf verdeeld is, kan hij niet standhou-den? Maar hij houdt stand.
Daarmee is gezegd: het rijk van het kwaad vormt een eenheid, het is een gesloten colon-ne. Het kwaad houdt stand, juist omdat het niet intern verdeeld is: bijbels realisme. Dat is de werkelijkheid van een wereld waaruit de boze krachten niet zo maar te verdrijven zijn. Daar is meer macht voor nodig dan de wereld zelf kan leveren: Goddelijke macht. Vandaar dat Jezus zegt: ‘Als ik dankzij een kracht die van God komt demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God over jullie gekomen.’ En dat koninkrijk, die regeerwijze van God, willen ze die wel? Dat is de kwestie.

Gemeente, we hebben een wonderlijk verhaal gelezen, meer beeldspraak dan diagnose, maar voor de goede verstaander is de beeldspraak duidelijk: Jezus overwint kwaad niet met een nog groter kwaad, maar met de goede krachten van Gods koninkrijk. De Bijbel neemt dat kwaad serieus, het is hardnekkig, het kan zich voordoen als een duivelse betovering. Maar de leefregels om het kwaad te overwinnen worden gegeven in de klare taal van het gebod, zo transparant als een blauwe zomerhemel. Zoals Paulus ons voorhoudt in zijn Brief aan de Ro-meinen: ‘Vergeld geen kwaad met kwaad – ofwel: drijf Satan niet uit door Beëlzebul – maar probeer voor alle mensen het goede te doen.’
‘Laat u niet overwinnen door het kwade – ofwel: geeft niet toe aan de verlokking kwaad met kwaad te bestrijden – maar overwin het kwade door het goede: door het bevrijdend evan-gelie van Jezus Christus.’
Daarom: ‘Wordt krachtig in de Heer,/ en in zijn sterke macht,/ de duivel gaat te keer,/ Weest op zijn list bedacht. Maar ook: En bidt dan in de Geest / voortdurend voor elkaar. / God die de harten leest,/ dat Hij u wel bewaar!’
Amen.

 
spacer.png, 0 kB