spacer.png, 0 kB
Home arrow Blog arrow Marcus 6: 34-44 (door ds. M. Visser)
Marcus 6: 34-44 (door ds. M. Visser) PDF Afdrukken E-mail
Preek op 7 februari 2010 in de Handwegkerk over Marcus 6: 34-44

 

34 Toen hij de boot uitkwam,
zag hij een grote schare;
hij werd met ontferming over hen bewogen,
omdat zij waren ‘als schapen die geen herder hebben’ (Num. 27:17).
Hij begon hen uitvoerig te onderwijzen.

35 Maar toen de tijd vorderde,
kwamen zijn leerlingen bij hem en zeiden:
‘Deze plaats is woestijn
en de tijd is al gevorderd.

36 Laat ze gaan,
dan kunnen ze vertrekken naar de gehuchten
en de dorpen in de buurt
en iets te eten voor zichzelf kopen.’

37 Maar Jezus antwoordde hen:
‘Geven jullie hun te eten!’
Zij zeiden tegen hem:
‘Moeten wij dan vertrekken,
voor tweehonderd schellingen brood kopen
en hun te eten geven?’

38 Hij zei tegen hen:
‘Hoeveel broden hebben jullie?
Ga eens kijken!’
Toen ze het nagegaan hadden, zeiden zij:
‘Vijf. En twee vissen.’

39 Hij droeg hen op om allen aan te gaan liggen,
groep bij groep op het groene gras.
40 Zij gingen zitten, perk bij perk,
in groepen van honderd en van vijftig.

41 Hij nam de vijf broden en de twee vissen aan,
en terwijl hij opkeek naar de hemel, zegende hij;
hij brak de broden en gaf die aan zijn leerlingen,
opdat die ze hun zouden voorzetten.
Ook de twee vissen deelde hij uit aan allen.

42 Ze aten allen en werden verzadigd.

43 Ze raapten de brokken op:
twaalf manden vol,
ook van de vissen.

44 En die van de broden gegeten hadden,     
waren vijfduizend man.

Jezus ziet die enorme massa mensen die hij voor zich heeft. Je zou ook kunnen zeggen: hij ziet ons. En wat ziet hij – schapen zonder herder. Een blatende, krioelende menigte. Een kudde die geen kudde is, maar een zootje ongeregeld. Mensen die niet bij elkaar horen, maar die allemaal een andere kant opgaan, zonder gezamenlijkheid, zonder richting.

En als Jezus dat ziet, als hij ons zo ziet, dan wordt hij innerlijk met ontferming bewogen. Zo staat het er in die typische bijbelse taal: het gaat hem aan z’n hart, hij krijgt er buikpijn van. Dit kan niet, dit mág niet. En dan kan hij niet anders dan zich ontfermen. De mensen moeten weer wat grond onder de voeten krijgen, weer wat houvast vinden. De mensen moeten weer het gevoel krijgen dat er een richting is, dat we sámen een richting hebben.

We zeggen dat wel eens, als een uitroep: ‘Waar moet het heen! Waar moet het heen, met de wereld, met de samenleving, met ons leven?’ En dat is nu precies wat er op het spel staat. Jezus ziet hier een zootje schapen zonder herder. En het moet weer ergens héén. We moeten met z’n allen een goede kant op. Maar we hebben geen herder!

En daarom grijpt Jezus het woord. Hij begint die mensen te onderwijzen. Hij begint ons te leren. Zo wordt hij herder van mensen. De Heer is mijn Herder, mij ontbreekt het niet, zeggen en zingen wij graag met de Psalm mee. Maar hóe is hij herder? Lieve gemeente, door zijn woord dus. Door zijn onderwijzing is hij herder. Waaraan ontbreekt het mij niet? Aan zijn woorden. Als hij spreekt, en als onze oren open zijn om hem te horen, dán vinden wij grazige weiden, dan zijn wij aan rustige wateren. Dan gaan wij in de rechte sporen.

II
Maar goed, we moeten ook een beetje praktisch zijn, natuurlijk. Ja sorry, even een punt van orde. Maar ik kijk even op de klok, het is inmiddels laat geworden. En de mensen moeten naar huis. We moeten even praktisch zijn, dus als u langzaam wilt afronden… Dan zijn we toe aan de rondvraag, kunnen we nog een liedje zingen. En dan kunnen de mensen naar de dorpen gaan en eten voor zichzelf gaan kopen.

Maar als we dan nog een keer naar Jezus kijken, en als we dan zien dat hij met heel zijn wezen nu juist probeert om ál die mensen bij elkaar te brengen als zijn kudde; als we nu zien dat hij al die mensen nu juist een thuis wil bieden en een gezamenlijke richting – dan is dat wat de leerlingen zeggen natuurlijk precies mis.

Wat zij zeggen, is letterlijk: een ieder moet voor zichzelf gaan kopen. En daarmee zijn zij de stem van onze wereld. En de stem van onze tijd. En de stem van alle tijden waarschijnlijk. Een ieder moet voor zichzelf kopen. Ieder voor zich! Dat is wat zij zeggen. En dat staat dus precies haaks op wat Jezus hier wil.

Het is bij nader inzien nogal pijnlijk, hoe in de woorden van de leerlingen onze wereld aan het licht komt. Onze wereld waarin het zozeer ieder-voor-zich is. Onze wereld waarin een ieder voor zichzelf moet zorgen. Dat ene zinnetje van die leerlingen (‘ze moeten voor zichzelf eten gaan kopen’) verplaatst ons in één klap (boem) in onze winkelstraten, in onze warenhuizen, onze supermarkten. Waar iedereen bezig is met z’n eigen winkelkarretje, z’n eigen dingen…

Maar goed, nu vind ik dat we die leerlingen daarvan niet de schuld moeten geven, we mogen ze niet in een hoek zetten. Het is immers juist aardig bedoeld van ze: ze zijn bezorgd om al die mensen. Ze willen heus niet van de mensen áf, het is uit goede zorg. Wij, aardige kerkmensen, zouden het precies zo gezegd hebben: ‘Jezus, laat die mensen naar huis gaan. Het is laat, de mensen moeten nog boodschappen doen. Gelukkig is het koopzondag.’ Zie je, het is vanuit bezorgdheid. Het is werkelijk goed bedoeld. En zo, op deze manier, is het ook –  het hoogst haalbare.

Zo zit onze wereld in elkaar. Zo zijn wij. Wij kunnen niet de verantwoordelijkheid voor zo’n hele massa op ons nemen. Een ieder moet ook voor zichzelf verantwoordelijk zijn. Een ieder moet voor zijn eigen eten en drinken, voor zijn eigen onderhoud zorgen. Ik ga me niet bemoeen met een ander z’n boodschappenwagen. Er zijn grenzen aan wat je gemeenschappelijk kunt.

Heer, laat de mensen gaan, dan kunnen ze eten voor zichzelf gaan kopen… Die vriendelijke bezorgdheid, dat is het hoogst haalbare. Ieder voor zich, zo is de wereld, en zo zal die ook blijven. Zo zijn wij en zo zullen we blijven.

III

Behalve dan dat dat niet waar is. Het is niet waar. En dat is het evangelie van deze dag. Dat is het ongelofelijk goede woord dat wij vandaag te horen en te geloven krijgen. Het is niet waar! Onze wereld is wel zo, maar zal niet zo blijven. En wij mensen zijn wel zo, maar wij zullen niet zo blijven.

De wereld wordt ánders. Wij worden veranderd. Er gaat iets gebeuren. En Jezus is het begin: het onomkeerbare, niet te ontkennen begin van die grote verandering. Inderdaad, het zou praktisch zijn om de mensen nu te laten gaan, zodat ze, ieder voor zich, eten kunnen gaan kopen. Dat zou praktisch zijn, maar Jezus is niet praktisch. Hij wil niet praktisch. Hij wil een nieuwe wereld. Hij wil nieuwe mensen. Hij zegt, met een reusachtig machtwoord: ‘Niks! Niks ieder voor zich. Niks stuur de mensen weg. Niks laat alles maar bij het oude. Geven jullie hun te eten! Wij blijven bij elkaar. Mijn mensen blijven één kudde. Ik blijf de herder van hen allen. Ik laat ze niet meer gaan, dolend en dwalend door een wereld waarin het recht van de sterkste geldt, het recht van de rijkste, de snelste. Ik laat mijn mensen niet alleen in die wereldnacht… Geven jullie hun te eten.’

En dan gebeurt het ook. Zo wordt het verteld. En die leerlingen spelen dan ook inderdaad een beslissende rol. En dat vind ik prachtig. En verrassend ook trouwens. Mijn beeld van dit verhaal, het plaatje dat ik in mijn hoofd had, was: dat die leerlingen wel de opdracht krijgen om de menigte te eten te geven, maar dat ze het niet kunnen. En dat Jezus vervolgens degene is die breekt en uitdeelt. Maar zo is het niet. Jezus breekt, en de leerlingen delen uit. Jezus zegt dus niet tegen ze: ‘Tjongejonge, jullie begrijpen er ook niets van, ga maar aan de kant, laat mij het maar doen.’ Nee, de leerlingen worden ingezet, zij krijgen hun heel beslissende rol te spelen. Geven jullie hun te eten! is de opdracht. En dan dóen ze het ook. Ze ontvangen uit Jezus’ handen, en ze delen het uit!

En dan vervolgens wordt het verhaal te gek. De verteller, de evangelist Marcus, vliegt in zijn enthousiasme een beetje uit de bocht: Jezus droeg hen allen op om aan te gaan liggen, groep bij groep in het groene gras. En zij gingen zitten, perk bij perk…

Toen u dat hoorde, daarnet bij het voorlezen, dacht u natuurlijk: ‘Daar heb je Marco Visser weer met z’n kromme vertalingen.’ Maar het staat er echt: ze gingen zitten, perk bij perk. Er staat een woord dat in het NT alleen hier voorkomt, en dat echt zoiets betekent als ‘bloemenperk’, of ‘bloembed’, of ‘tuintje’. Ze gingen zitten, tuintje bij tuintje.

Eerder hoorden we de leerlingen zeggen: Deze plaats is woestijn en het is al laat… En ze bedoelden natuurlijk: het is hier afgelegen, eenzaam. Maar nu begrijp je dat Marcus toch niet voor niks dat woord woestijn heeft laten vallen. Want even later blijkt er in die woestijn plotseling groen gras te zijn, waar de mensen lekker kunnen gaan zitten voor de picknick. En daar zitten ze dan, tuintje bij tuintje…

Zie je, dat wordt hier gezégd, in al die gekke woorden, in dit wonderlijke verhaal: de woestijn wordt één grote tuin! De woestijn zal bloeien, dat is het visioen dat wij hier voor ogen krijgen. Die plek waar mensen niet kunnen leven, die wereld waarin mensen zijn als schapen zonder herder, die wereld waarin het is ieder-voor-zich, die chaotische woestijnwereld van ons – die wordt een tuin, waar wij samen aan tafel gaan.

IV

Ruanda in Afrika is geen woestijn in de letterlijke zin. In ieder geval is de bodem voor een groot deel vruchtbaar. Maar dan, als ik wat informatie ga zoeken, lees ik al gauw dat de bevolking ongelofelijk gewond is. 15 Jaar geleden vond er een genocide plaats, die zijn weerga niet kende. We herinneren het ons nog. Waarschijnlijk voelen de Ruandezen het nog dagelijks. Er heerst een groot wantrouwen tussen de mensen. Ze zijn arm. Het land is vruchtbaar, maar de middelen en de mogelijkheden ontbreken om er goed gebruik van te maken.

Midden in dat land – dus toch op allerlei verschillende manieren woestijn, geen goede plek om te leven – midden in dat land is een groepje diaconessen bezig. In Jezus’ naam zijn zij bezig. Zij zeggen: ‘Er is een boel wat wij niet kunnen. Maar wat wij wél kunnen, dat doen we.’ Ze zetten landbouwprojecten op. Ze zamelen geld in voor goed materiaal om mee te werken. Enzovoort, zulke dingen.

En zo, op heel kleine schaal, op een paar vierkante kilometer, doen zij wat zij kunnen om – ja, om de woestijn tot een tuin te maken. Om die barre wereld tot een plek te maken waar je als mens terecht kunt. En het gebeurt! Als boeren door deze diaconessen met elkaar in contact gebracht worden, om samen te werken. Dan is het éven niet meer ieder-voor-zich, maar dan is er iets van gemeenschap. Dan gaat het ergens héén.

Wat hebben wij met deze vrouwen? Niets. Er is eigenlijk niets wat ons met hen verbindt. Het is eenvoudig te ver weg. Maar nu, heel toevallig, is vandaag de collecte voor hun project bestemd. En krijgen we wat informatie over ze. En we zingen, met horten en stoten, een liedje uit hun land.

Zie je, het heeft iets toevalligs, maar het is tegelijk prachtig. Wij worden er vandaag zomaar even bij bepaald: dat er overal op de wereld mensen bezig zijn als leerlingen. Mensen, overal ter wereld, gaan hun heel beslissende rol spelen in het verhaal van Jezus. Zij geven gehoor aan zijn opdracht: Geven jullie hun te eten! Zij gaan rond met wat Jezus heeft gebroken. Zij delen uit wat zij uit Jezus’ handen hebben ontvangen. Zij delen zijn woord uit, zijn liefde. Zij accepteren de wereld niet zoals die is, ze accepteren de mensen niet zoals ze zijn. Zij gaan aan de slag. Zij zeggen: ‘Niks ieder-voor-zich. Niks laat alles maar bij het oude. De woestijn zal bloeien, de woestijn moet een tuin worden. En dat kan hier en nu al, al is het maar op een paar hectare.’

Zie je, lieve gemeente, misschien realiseren wij ons dat wel te weinig: dat werkelijk héél de wereld leeft van de genade van deze messias. Het is in Ruanda zo. En het is hier zo: dat deze ene, deze mens van Godswege, zich ontfermt over alle mensen, omdat wij zijn als schapen zonder herder. Misschien kijken wij te vaak alleen maar naar onszelf of naar ons eigen kleine kringetje. Maar echt, heel de wereld leeft van zijn woord, van zijn brood, leeft van wat hij geeft.

Als er iets ons toegeroepen wordt, in het verhaal dat wij hoorden, dan is dat het wel: Wat Jezus geeft, dat is genoeg voor iedereen. Zeven is voldoende. Wat hij geeft, is voldoende. Het is één overvloed. Gemeente, deel het uit!

Lof zij u, Christus!

 

 
spacer.png, 0 kB