|
Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben overweging uit de dienst van 10 januari 2010 (door ds. G.J. de Bruin)
(gelezen: Lucas 12: 13-21 en Exodus 16, fragm.) Over ons brood gaat het vanochtend. Na drie beden over de Eeuwige, over uw Naam, uw rijk, uw wil klinkt nu drie keer ons. Daarmee staat Jezus voluit in de joodse traditie; in het achttiengebed is er ook die tweeslag van uw en ons. Geef ons brood dat wij nodig hebben. Hoe vaak hebben deze woorden niet geklonken, in kerken, aan tafels rondom de maaltijd? Maar als je bij die bede stilstaat, komen er gelijk vragen in ons op. Geef ons brood - kun je God eigenlijk wel lastig vallen met zo'n vraag om brood? Bovendien, als je denkt aan alle overvloed hier, zijn het dan geen woorden die je het schaamrood op de kaken jagen? Wat nou geven, zegt iemand. Ik werk toch zelf voor m'n brood. Ik houd niet zo graag m'n hand op, zegt een ander. Als mij iets gegeven wordt, betekent dat toch dat ik afhankelijk ben. Ontvangen is nog niet zo eenvoudig. De juf die ik op de lagere school hielp, wilde me als dank wel eens wat geven. Mijn jongere broer ging er nogal eens met een reep chocola vandoor als ik weer 'nee, dat hoeft niet' had gezegd. 't Is immers zaliger om te geven dan om te ontvangen? Verschillende mensen vroeg ik naar hun eerste associaties bij die bede om brood. Sommigen struikelen over dat 'ons' in de bede. In de wereld van vandaag gaat het er toch om dat je zo snel mogelijk 'ik' leert zeggen. En dan is er ook nog die nadruk op vandaag. We zijn druk met morgen en overmorgen. We worden geacht te plannen. Denk aan je pensioen joh, zorg dat je voorraadschuur tegen die tijd vol ligt! Last but not least: dat woordje brood. Een mens leeft toch niet bij brood alleen; horen we niet met andere, meer verheven zaken bezig te zijn? Gaat het in de kerk niet om geestelijke zaken? Op het eerste gehoor valt er nogal wat af te dingen op de bede om brood. Maar wie de schop dieper in de grond steekt, gaat andere dingen horen. Zo kan het ons vergaan als we wat langer nadenken over de betekenis van brood. Geef ons het brood dat wij nodig hebben. Het is niet zeker hoe het Griekse woord uit de bede vertaald moet worden, met dagelijks zoals we dat gewend zijn of met nodig. In ieder geval is het geen bede van primitieve mensen die vervolgens met de handen over elkaar gaan wachten op de vruchten van de aarde. Het is een gebed van mensen die zwoegen, ploeteren, keihard moeten werken. In vroeger tijden geen geavanceerde landbouwmachines, geen kunstmest om de opbrengst van het land te vergroten. En toch: geef ons het brood dat wij nodig hebben. Daarmee druk je uit dat het leven allereerst een gave is, je hebt het gekregen. En de aarde is niet je bezit maar is je eveneens gegeven. Wat de aarde opbrengt, haar vruchten, dat alles valt je als gave toe. De vraag is of u en ik dat besef levend kunnen houden. Of je er steeds weer bij stil kunt staan wat je allemaal gegeven is. Aarde, lucht, water. Of je weet stil te staan bij de goede Gever. Het is net als bij de cadeaus die wij van elkaar krijgen. Het cadeau kan de herinnering aan de gever levend houden. Zij of hij heeft mij dit gegeven; 't is als komt er van de gever iets mee in het geschenk. Weet wat je allemaal gegeven is, drukt de bede ons op het hart. Maar is het niet prettiger om zelf te geven? De boer in Jezus' gelijkenis laat zien wat soms nog prettiger is. Als een mens kan zeggen: dit heb ik verdiend. Die man is druk in gesprek, niet met anderen maar met zichzelf. Je kunt iebel worden van het woordje 'ik'. Zovaak als hij ik zegt. Hij is het centrum van het heelal; het is ikke, ikke, ikke... Het graan en de goederen liggen in de schuren voor de komende jaren. Dat is zijn tijdsbesef, hij rekent met jaren maar hij vergeet om zijn dagen te tellen. Het is voluit naar de Schriften om bij de dag te leven. Geef ons vandaag, bidden we. Blijf niet achterom kijken (Lucas 9:62), ga je niet bezorgd maken voor de dag van morgen, die dag heeft genoeg aan zijn eigen last (Mattheüs 6:34). Nee, leef in het heden. Leef bij de dag, de dag van vandaag. Maar ja, dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan... Over in het nú leven gesproken: iemand die ik laatst sprak, moest bij het dagelijks brood denken aan het verhaal van het volk Israël, op tocht door de woestijn. We hebben het daarstraks gehoord. Het manna wordt verzameld, elke dag opnieuw. Manna als een gebedsverhoring, de Levende is niet doof voor de klaagzang van zijn volk. Kunnen mensen leren om het manna te verzamelen, zoveel als voor één dag nodig was. Leven bij de dag. Wie meer dan een 'dagvoorraad' verzamelt, komt vervolgens van een koude kermis thuis. Wat je gespaard hebt voor de dag van morgen, stinkt de volgende dag. Het is bedorven. Durf je er dus op te vertrouwen dat wat je vandaag toevalt, ook morgen zal ontvangen? Onze samenleving fluistert ons in: wees niet zo naïef. Zorg vandaag voor morgen. Als je vandaag zorgt, heb je morgen geen zorgen. Regelmatig worden we door allerlei instellingen bestookt met post: hebben we alles wel goed geregeld voor de oude dag? Tijdens het avondeten kunnen we opgebeld worden door wildvreemden en wordt er schaamteloos geïnformeerd naar onze pensioenvoorziening. Het is de bedoeling dat we het de boer uit de gelijkenis gaan nazeggen die tegen zichzelf zegt: ik heb genoeg voor vele jaren, neem rust, eet, drink en vermaak je. Terwijl de bede om brood ons juist wil bevrijden van ons 'ik'. Aan velen in de wereld wordt het meest nodige onthouden omdat anderen proosten op hun volle schuren. Maar wij leren al biddend 'ons' te zeggen. Geef ons, dat is wat anders dan geef mij. Luther heeft niet voor niets gezegd: wie alles voor zichzelf houdt, krijgt het 'Onze Vader' tegen zich. Lukt dat ons: om 'ons' te zeggen? Om te bidden in meervoud? Ons gebed is toch voor alle schepselen aan wie de Eeuwige het leven schonk? Er zijn in en tussen de kerken talloze gesprekken over het brood gevoerd. Als we de maaltijd vieren, wat gebeurt er dan met het brood? Op die vraag kwamen hele diepzinnige antwoorden. Het zou er mee te maken hebben dat het brood van gedaante verandert. Ik moet u zeggen dat ik daar eigenlijk niet warm of koud van word. Als wij vandaag bidden: geef ons het brood dat wij nodig hebben, dan gaat het m.i. niet om de verandering van het brood maar om onze eigen verandering. Kunnen wij van dag tot dag vernieuwd worden door Jezus' woorden en daden? Veranderd door hem die z'n vrienden voorging in het delen en volop oog had voor de honger van zijn volk. Hoe komt een mens tot zo iets geks, tot zo iets dwaas, om brood te breken en te delen? Dan keer ik terug naar het slot van de gelijkenis. Over die rijke man wordt gezegd: zo vergaat het iemand die voor zichzelf schatten verzamelt, maar niet rijk is bij God. Ik vind dat een buitengewoon intrigerende zin. 'Rijk zijn bij of letterlijk: in God', dat besef is die man blijkbaar kwijtgeraakt. Hij is zo druk geweest met z'n land en met de vruchten van het land dat de goede Gever uit z'n leven is verdwenen. Wat hem overkomt, lijkt me een kwade mogelijkheid voor iedereen. God die steeds meer naar de rand van je bestaan wordt geschoven. Voor het brood heb je Hem niet nodig, daar zorg je zelf wel voor. Waarom eigenlijk nog die woorden bidden? En geldt dat niet voor veel meer zaken? Het gaat sluipenderwijs... De Eeuwige die meer en meer uit je leven verdwijnt. Tot je aan je eigen grenzen komt? Of is het dan te laat? Maar in de kerk laten we het er niet bij zitten. Blijven we elkaar lastige vragen stellen. Hoe gaat het met jou; ben jij rijk in God? Gaat het er nou om wat je hebt of veeleer om wie je bent? Ed Hoornik dichtte: "Op school stonden ze op het bord geschreven, het werkwoord hebben en het werkwoord zijn; hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven, de ene werkelijkheid, de andere schijn." Hoornik windt er in zijn gedicht geen doekjes om: "Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven." Als was het een echo van Jezus' waarschuwing: hoed je voor iedere vorm van hebzucht! Straks wordt het brood gebroken en gedeeld. Brood dat niet naar schijn maar naar een geheim verwijst. Naar die intrigerende woorden van Jezus dat we rijk zijn in of bij God. Hoe zou u dat 'rijk zijn in God' voor uzelf vertalen? Zou dat 'rijk zijn' kunnen betekenen dat je je gedragen mag weten? Is het: je durven toevertrouwen? Is het niet ook het besef van je oneindige waarde? Dat je gewild bent door God. Dat besef maakt je immers rijk. Daar kunnen voorraadschuren nooit tegenop. Dat je voluit mag leven en dat de waarde van je leven goddank niet de rekensom is van wat je presteert. Dat besef, die rijkdom in God, kan in ons weer wakker worden als we brood, een hostie op onze hand ontvangen. Kinderen gaan ons daarin voor. We ontdekken: brood is meer dan brood. De eeuwen door is de Maaltijd gevierd. Mensen die brood met elkaar eten, die hun verbondenheid met elkaar vieren en zorgen met elkaar delen. Straks gaan brood en beker van hand tot hand. Om saamhorigheid uit te drukken of om in verbondenheid te groeien. Om weer te weten dat er armen in de wereld zijn die niets hebben. Zeg niet dat u het sacrament helemaal snapt, want dat kan toch haast niet. Ik versta het in ieder geval niet ten volle. Lijken we niet op de twaalf leerlingen die van Jezus brood kregen, tijdens hun laatste gemeenschappelijke maaltijd. Die twaalf begrepen weinig van wat Jezus sprak en deed, die laatste avond met elkaar, in Jeruzalem. Brood dat toen en nu gebroken wordt als een pantomime van het heil. Brood dat we vanochtend zomaar van Jezus krijgen, waar we niets voor hoeven te doen. Enkel ons hand te openen. Een gebaar aan woorden voorbij. Of we ook rijk zijn in God.
|