spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Preken arrow Psalm 103 (door ds. M. Visser)
Psalm 103 (door ds. M. Visser) PDF Afdrukken E-mail
Psalm 103

 

1 Zegen de Heer, mijn ziel,

en al wat in mij is, zijn heilige naam!

2 Zegen de Heer, mijn ziel,

en vergeet niet al wat Hij volbrengt;

3 die al je onrecht vergeeft,

die al je ziekten geneest,

4 die je leven verlost van de groeve,

die je kroont met liefde en ontferming,

5 die je verlangen verzadigt met het goede;

je jeugd wordt nieuw als van de arend.

 

6 De Heer doet gerechtigheid,

recht aan alle verdrukten.

7 Zijn wegen maakte Hij aan Mozes bekend,

aan de kinderen van Israël zijn handelen:

8 vol ontferming en genade is de Heer,

lankmoedig en rijk aan liefde.

9 Hij blijft niet voortdurend twisten,

Hij draagt het je niet altijd na.

 

10 Hij doet niet aan ons naar onze zonden,

Hij vergeldt niet aan ons onze ongerechtigheden.

11 Maar: zo hoog als de hemel boven de aarde is,

zo is zijn liefde verheven

boven wie ontzag voor Hem hebben.

12 Zo ver als het oosten van het westen is,

zo verwijdert Hij onze overtredingen van ons.

13 Zoals een vader zich ontfermt over de kinderen,

zo ontfermt de Heer zich

over wie ontzag voor Hem hebben.

14 Want Hij weet wat voor een maaksel wij zijn,

Hij gedenkt dat wij stof zijn.

 

15 Het mensje: als het gras zijn zijn dagen,

zoals de bloem op het veld, zo bloeit hij;

16 een stormwind gaat erover heen, en hij is weg,

de plaats waar hij stond, kent hem niet meer.

17 Maar de liefde van de Heer

is van eeuwigheid tot eeuwigheid

over wie ontzag voor Hem hebben,

zijn gerechtigheid is voor de kinderen van de kinderen,

18 voor hen die zijn verbond bewaren,

voor hen die zijn opdrachten gedenken,

om die te doen.

 

19 De Heer heeft zijn troon in de hemel gezet,

zijn koningschap heerst over alles.

20 Zegent de Heer, jullie, zijn engelen,

sterke helden, daders van zijn woord,

die horen naar de klank van zijn woord.

21 Zegent de Heer, heel zijn legermacht,

jullie, zijn helpers, daders van zijn wil.

22 Zegent de Heer, al zijn daden,

op alle plaatsen van zijn heerschappij.

Zegen de Heer, mijn ziel!

 

Lieve gemeente,

Ik wil vanochtend niet veel meer doen dan de tekst nog eens laten zien, en een aantal dingen nog wat onderstrepen. Als je zo’n goede en mooie en rijke tekst hebt gehoord, dan moet ik als predikant er niet te veel aan toevoegen, want dan doe ik er eerder aan áf, ben ik bang. De tekst kan voor zichzelf spreken.

 

Psalm 103 is een lied: een loflied op het verbond. Hier komt een mens aan het woord, hier barst een mens uit in zingen: een mens die in het verbond met zijn/haar God staat. Dat verbond, dat is een relatie van twee partners: de God van Israël en zijn volk. Deze God en zijn mensen.

Deze relatie is hij aangegaan, het is zijn initiatief. Maar nu vervolgens mag die mens daarin ook helemaal meedoen, die mag helemaal zijn rol gaan spelen. Het is één groot gebeuren van met elkaar omgaan, elkaar aanspreken. Een gebeuren van Gij en ik, ik en jij. Van twee die bij elkaar horen.

 

En dat komt prachtig naar voren in dat ene woordje waar het hele lied mee begint, én mee eindigt: zegenen. Zegen de Heer, mijn ziel!

Nu is het gekke, dat in ons taalgebruik (in ons kerkelijke taalgebruik) dat woord zegenen eigenlijk alleen maar gereserveerd is voor God. Alleen God zegent. En daarom vind je in alle Nederlandse vertalingen: ‘Loof de Heer, mijn ziel!’ Of: ‘Prijs de Heer, mijn ziel!’ En de gedachte daarachter zal wel zoiets zijn: Nee, zegenen, dat doen wij niet, dat doet God alleen. In het Engels is het geen probleem: Bless the Lord, my soul! Maar in het Nederlands (en in het Duits trouwens ook) zeggen we dat kennelijk liever niet.

Maar dat is nu juist het hele punt, en dat is nu juist ook zo mooi: God (deze God) zegent. Dat wordt trouwens in deze Psalm niet letterlijk zo gezegd, maar het wordt wel op vele manieren beschreven en bezongen: hij vergeeft je onrecht, hij geneest je ziekten, hij verlost je leven, hij kroont je met vriendschap en ontferming, hij stilt je verlangen… Dat zijn allemaal manieren van zeggen, die samengevat worden met dat ene: hij zegent je! Je jeugd wordt nieuw als van de arend!

En nu is dus het hele mooie, dat het daar niet bij blijft. Want in dat verbond, in die relatie, gaat nu die ander, die zoveel zegen ontvangen heeft, die gaat nu ok terugzegenen. Mijn ziel, nu moet jij ook hém zegenen! En dat betekent dan: hem liefhebben, hem grootmaken, hem bezingen, bij hem blijven…

 

Dat betekent ook: ontzag voor hem hebben. Dat horen we in die Psalm ook een paar keer. De Heer, God, hij ontfermt zich over wie ontzag voor hem hebben. In de oude vertalingen wordt dat weergegeven met de ‘vreze des Heren’. Daar gaat het dan over ‘hen die de Heer vrezen’. En dat klinkt even alsof je God ontferming en zijn toewending wel eerst moet verdienen met een flinke portie vrees. Je moet wel flink voor God door het stof kruipen voordat hij zich over jou ontfermt. Maar dat lijkt mij nou verre van de bedoeling van de Psalm. Ik denk dat hier vooral iets geschilderd wordt van dat verbond: je bent sámen in die relatie. Hij ontfermt zich over jou, en jij blijft bij hem. Hij doet zijn daden van liefde aan jou, en daar ben jij van ondersteboven, daar ben jij blij mee.

 

Hij zegent jou, en jij zegent hem. Zo gaat dat in dit verbond. Je bent met elkaar verbonden, in wederkerigheid: jij en ik en ik en jij.

 

Zie je, zo, met deze woorden, wordt de omgang van deze Bevrijder-God met zijn mensen getekend, en andersom de omgang van zijn mensen met hem. Hier wordt kortom het geloof getekend. Geloof (dat zeg ik wel vaker, dat komt doordat me dat zo aan het hart gaat), dat is dus niet theorie, niet een prachtig geheel van regels en ideeën en overtuigingen. Maar dat is omgang hebben. Dat is Gods verborgen omgang vinden. Zijn omgang met jou, en jouw omgang met hem. Je wordt aangesproken en je spreekt terug. Je wordt gezegend, en je zegent terug.

Zoals het ook is als twee mensen met elkaar verbonden zijn. Je kunt vanalles van elkaar vinden en allerlei ideeën over die ander hebben. Maar het gáát er toch om dat je elkaar aanspreekt, met elkaar omgaat. Dat is relatie.

 

II

Dat klinkt nu allemaal heel mooi. Dat klinkt allemaal heerlijk. En dat is ook mooi. Het is heerlijk! Dat is natuurlijk helemaal wat deze Psalm uitroept aan alle kanten: Wat heerlijk is dit!

Maar er staat iets op de achtergrond. Er klinkt iets door de woorden heen. En dat is: het ergste wat er in een relatie kan gebeuren. Het ergste wat er kan gebeuren, namelijk dat die relatie verbroken wordt. Dat één van de twee eruit stapt. Dat één van de twee zegt: ‘Ik wil jouw liefde niet. Ik zie jouw bevrijding niet zitten. Ik ga niet de weg die jij voor ons voor ogen hebt…’

 

Dat is het ergste wat er is.

En terwijl ik dat zeg, voel ik ook meteen hoezeer die zinnen ook pijn doen. Omdat dat is wat wij om ons heen zien, soms heel dicht bij. Of ook uit ons eigen leven. Relaties worden verbroken. Er gaat iets niet door. En dat kan duizend redenen hebben. En duizend keer doet het zeer.

Dat weet de Psalm ook. De Psalm bezingt de relatie van de Mensengod van Israël met zijn mensen. En op de achtergrond staat dus precies zo’n verhaal: van die relatie die verbroken wordt. Van die liefde, die een ongelukkige liefde is. Omdat de mens toch, steeds, niet wil en eruit stapt. Dat verbond wordt verbroken door – de zonde van de mens.

Ai! Het hoge woord is eruit. De zonde. De mens die het niet wil of het niet kan of het gewoon niet doet. Of dat allemaal tegelijk. Die mens maakt dat dat grote gebeuren van het verbond – tot stilstand komt.

 

Gemeente, wat ik nu zou kunnen doen, is enorm uitweiden over die zonde. Over alle mogelijke verschijningsvormen ervan. Over de schuld van de mens tegenover God. Over het onrecht tussen de mensen. Ik zou kunnen zeggen wat ik toch wel het állerergst vind, in de wereld, en in de kerk niet te vergeten. Ik zou u ervan langs geven. En mijzelf ook natuurlijk! En dan zouden we daar allemaal van onder de indruk zijn.

Maar de Psalm is van iets anders onder de indruk. Die is namelijk vooral onder de indruk van de vergeving. Zie je, dat is toch wat dit lied aan alle kanten bezingt. Deze Psalm wil het niet hebben over de zonde, maar over het wégdoen daarvan. En wij mogen vandaag met elkaar niet onder de maat van de bijbeltekst blijven. De Psalm wil helemaal niet over de schuld vertellen, en over de mens en over hoe slecht die is. Dat weten we ook allemaal wel. Je zou kunnen zeggen: de Psalm laat ons dat gewoon lekker zelf bedenken. Maar hier horen we iets wat wij niet zelf kunnen bedenken. En dat is: dat het uít is met de schuld. Dat dat niet meer telt. Een streep door de rekening. Een schone lei.

 

En nu moet ik even aan ons denken, zo aan het begin van een nieuw jaar. De eerste dagen van januari zijn altijd vol van de goede bedoelingen: nu gaan we het echt anders doen, opnieuw, beter… Maar we kunnen het toch niet echt. Maar deze God kán het: opnieuw beginnen. Hij begint opnieuw met ons. Dat is het wonder dat hier bezongen wordt.

De Heer, deze God, hij gaat zijn mensen steeds weer halen, als die weglopen. Als wij eruit stappen, komt hij achter ons aan om ons te halen, ons óver te halen. ‘Ach toe, kom nu weer bij me staan. Ik blijf toch van je houden. Kunnen we niet opnieuw beginnen, met een schone lei.’ En dat – dat is geweldig. Dat deze God zó is! Dat hij zo ongelofelijk, zo steeds weer een nieuw begin met ons maakt. Dat is, nou ja, te gek. En: als je dat hoort, dan moet je wel zingen. Dat kan eigenlijk niet anders. En dat doet dus deze Psalm, hier, in onze oren.

 

En hoe! Het is zó mooi. De beelden die er dan gebruikt worden. Zo hoog de hemel boven de aarde is… Weet u wel hoe hoog dat is? Héél hoog! Nu, zo is zijn liefde, zijn vriendschap, zijn bevrijding, verheven boven zijn verbondsmensen. En: zo ver het oosten van het westen is… Dat is dus heel ver! Nu, zo verwijdert hij onze overtredingen van ons.

En zo, van de hemel tot aan de aarde, en van het oosten tot aan het westen, zo is dus de héle schepping vol van zijn liefde. Waar je maar kijkt, zie je zijn vergeving, zijn ontferming. Zo alomvattend is het.

Daar gaat het om in deze woorden, natuurlijk. Het gaat erom dat wij horen hoe totaal, hoe radicaal, deze ontferming is. Dit is niet: voor sommige zonden is er een beetje vergeving. En ook niet: als je nu heel erg je best doet, dan kun je misschien rekenen op… Nee, dit is totaal: de Here God maakt helemaal een nieuw begin met ons. Ben jij in het oosten, dan zijn jouw zonden in het westen. Wég! Helemaal weg.

 

III

Nou, zo. Dat is het verhaal van deze Psalm.

Het was trouwens ook het verhaal van kerst. Ook met kerst hebben we het in vele toonaarden gezongen. En het schalde zelfs uit de speakers bij de V&D: Stille nacht, heilige nacht. Vrede en heil wordt gebracht aan een wereld verloren in schuld. Dat is het verhaal van kerst: God zelf komt naar ons toe, om ons weer binnen zijn verbond te halen. Hij komt, om ons te zoeken en te vinden en te redden. Om een nieuw begin met ons te maken. Dat is wat wij zagen in dat kind dat ons gegeven werd. Het totaal nieuwe begin van Godswege.

In hem is deze Psalm nog een keer, opnieuw en helemaal en definitief waar geworden. Want Jezus is het toch in levenden lijve: de liefde van God. Jezus is toch zelf de hand van de Vader, die ons zegent. Hij is het toch: die al je onrecht vergeeft. Die al je ziekten geneest. Die je leven verlost van de groeve. Die jou kroont met vriendschap en ontferming.

 

Gemeente, zoek dan niet langer. Want in hem zijn wij gevonden. Twijfel dan niet meer. Want hij is onze zekerheid. Vraag niet langer. Maar zing!

 

Zegen de Heer, mijn ziel!

 
spacer.png, 0 kB