|
Monologen Kerstdienst, 25 december 2009 (door ds. G.J. de Bruin)
Lezen: Jesaja 9: 5-6 Lucas 1: 26 e.v. Lucas 2: 1-7
monologen door: Fanny Legerstee, Maxim Schoemaker en ds. G.J. de Bruin
Het verhaal van Maria
Heerlijk vind ik het om voor een paar weken weg te zijn. Om Nazareth even achter me te kunnen laten. Ik merk de laatste tijd dat er over me gekletst wordt. Mensen zie ik raar naar me kijken. Ze zeggen tegen elkaar: Heb je het al gehoord? Maria krijgt een kind. Ik zie ze smoezen achter hun hand. En nieuwsgierig dat ze zijn… Ze willen natuurlijk heel graag weten wie de vader is. Maar dat gaat ze niets aan. Dat is mijn geheim, dat is het geheim van Jozef en mij. Je denkt toch niet dat ik dat ga delen met al die mensen uit mijn dorp. Jozef en ik houden het voor onszelf. Ze zullen ook wel over hem kletsen. Maar ik weet dat Jozef mij niet in de steek zal laten. Dat was toen we erover spraken een hele geruststelling. Als Jozef iets belooft, dat houdt hij zich daar ook aan. Zo goed ken ik hem wel. Nu ben ik op weg naar Elisabet. Dat is een hele reis maar dat heb ik er graag voor over. Mijn geheim is bij haar veilig. Ze is als een moeder voor mij. Als klein meisje kon ik het al heel goed met haar vinden, vertrouwde ik haar door en door. Elke zomer logeerde ik bij haar. 't Is gek maar ik zeg soms dingen tegen haar, die ik nog nooit tegen iemand heb gezegd, nog niet eens tegen mijn eigen moeder… Heerlijk vind ik het, om haar straks te zien. Om haar uitgebreid te spreken. En ik houd van Judea, van deze streek, van de groene heuvels hier, van de gekromde olijfbomen, van de wind door m'n haren. In het dorp van Elisabeth wordt er gelukkig niet op me gelet. In Nazaret heb ik de laatste tijd steeds lopen fluisteren. Jij mijn lief kind, je hebt heel wat verhalen van me moeten aanhoren. Ik heb je al bij je naam genoemd. Jezus zul je heten. Ik heb je verteld over je grote opdracht, over de troon die jou wacht. De troon van koning David. Jouw roeping is eigenlijk te groot voor woorden. Hoe kan ik het je duidelijk maken? Het is een groot geheim. Ik kan er maar beter over zwijgen. Zo klein als je bent in mijn buik, ben je nu al op reis. Moet je kijken m'n kind, daar… tegen die heuvel ligt het dorp van Elisabet en Zacharias. We zijn er bijna. Elisabet weet dat ik kom. Dat zij nu toch ook in verwachting is. Toen ik dat hoorde, kon ik het eerst bijna niet geloven. Maar het is echt zo. Wat een geluk voor haar en voor Zacharias. We zijn er bijna, lief kind. Je snapt wel waarom ik onderweg soms loop te zingen. Te zingen van vreugde. Rozen zullen bloeien. Er komt een nieuwe lente. Dat duurt niet lang meer. Nog een paar maanden. Voorbij die herberg moeten we naar links en dan zijn we er. Ik weet bijna zeker dat Elisabet op de uitkijk staat. Wie is dat daar in de verte… die vrouw met die buik…? Ja hoor, daar staat ze. Elisabet! Joehoe! Elisabet! Verhaal van de ezel (voor de kinderen) Meisjes en jongens, als je bij de stal gaat kijken, kom je ook de ezel en de os tegen. Wat zou hun verhaal over de geboorte van dat kind zijn? Het verhaal van Jozef en Maria en het kind kennen jullie, maar als die ezel nou eens ging balken, wat zouden jullie dan te horen krijgen? Het zou zo kunnen gaan: “Ik krijg er nog tranen van in mijn ogen, zegt de ezel, het geloei van mijn moeder, toen ze me bij haar weghaalden. Dat vond mijn moeder niet goed. Wij ezels zijn kuddedieren, wij doen niet graag iets alleen en nu moest ik zonder mijn moeder op weg. Maar ik had geen keus. Op mijn rug zat Maria, heel die weg van Nazaret naar Betlehem. Dat was een lange tocht. In Betlehem moesten we in een stal, of wat daar op leek, overnachten. Dat is voor mij geen punt natuurlijk, ik heb het niet gauw koud. Maar voor Maria en Jozef en het ventje dat geboren werd, was het allesbehalve een pretje. Ik vraag me trouwens wel af waarom ik uit het kerstverhaal geschrapt ben. Lukas heeft het over een engel en later over herders. Maar niks over de dieren, mijn vriend de os en mij heeft hij weggelaten. Daar kan ik soms wel boos over worden. Ik vraag jullie: Hoe zijn Maria en Jozef in Betlehem gekomen? Echt niet met de trein, al rijden die bij ons beter op tijd dan bij jullie. Zien jullie Maria, met haar dikke buik, dat hele stuk lopen? Of een paar dagen op de rug van één van die engelen? Zo'n engel gaat gelijk klagen bij een Arbo-arts. Ik vraag nogmaals: hoe is Maria in Betlehem gekomen, dankzij wie…? Inderdaad, daar heb je een ezel voor nodig. Lukas heeft in zijn kerstverhaal ook niets geschreven over de os. De os stond in de stal toen wij daar kwamen. Goeie trouwe os. Eén en al bescheidenheid. Toen die baby geboren was, zei ik tegen broeder os: zullen wij eens naar de voederbak gaan om een kijkje te nemen? Maar de os durfde niet. Nee, zei hij: wij zijn te onbelangrijk. Bovendien zou het kind maar schrikken van mij. Die gekke horens op mijn kop. Ik heb me altijd al afgevraagd wat ik daar toch mee moet. Toen zei ik tegen de os: ga maar niet mee, je zou het kind nog onderkwijlen, als je aan het herkauwen bent. Maar dat bedoelde ik als grapje hoor. De os is toen niet naar het kindje te kijken. Het klopt dus niet op al die schilderijen, wij ieder aan een kant van de voerderbak, één en al oog voor het kindje. Dat is niet gebeurd. Ik stond daar wel, maar hij niet. Weet je wanneer de os dat deed? Iedere nacht ging hij even kijken, als het kind sliep. Het was dan heel donker in de stal. Dan kon het ventje hem niet zien. Dan zou hij ook niet schrikken van de os. Heel voorzichtig schuifelde de os er naar toe op zijn logge poten. Hij boog zich over de voederbak en dan verwarmde hij het kind met zijn adem. Als je het mij vraagt, heeft het ventje daarom dat koude begin van zijn leven doorstaan. Die goede os. Echt een prachtbeest. Ik vind het nog steeds jammer dat ik nauwelijks afscheid van hem heb kunnen nemen. Opeens moesten we weg. Op de vlucht. De os kon toen niet mee. Maar voor we weggingen heeft het jongetje hem aangekeken. Met grote donkere ogen. En… hij schrok niet. Broeder os was helemaal ontroerd. Hij had tranen in zijn ogen. Lukas heeft ons vergeten, toen hij zijn verhaal schreef. Maar dat vind ik niet terecht. Voor de meeste mensen ben ik niet veel meer dan vier poten en een vacht. Een ezel heb je om te gebruiken, zeggen ze tegen elkaar. En een os is niet meer dan een soort tractor. Maar hij, hij kent ons. Ergens valt te lezen: Een os herkent zijn eigenaar, een ezel zijn voederbak. Zij zijn trouw. Maar mensen vergeten nog wel eens wie God is. Goed dat ik vanmorgen mijn verhaal kan doen. Wij waren erbij in Betlehem. Wij hebben alles gezien. Meisjes en jongens, ik hoop dat jullie ons niet vergeten!" Het verhaal van Jozef Ik ben er aan gewend geraakt dat alle aandacht uitgaat naar Maria. Wat wordt er aan haar getrokken vanwege ons bijzondere kind. Hoe vaak zij niet moet verschijnen… Lourdes, Fatima, Kevelaer, pas nog werd ze door een vrouwenvereniging gevraagd hier ergens in Amstelveen… ze kan moeilijk op al die uitnodigingen ingaan… Ik hoef nergens te verschijnen. Dat vind ik niet erg. Kan ik rustig verder gaan met mijn werk. Er moet toch brood op de plank komen. Vermoedelijk hebben de meeste mensen geen flauw idee van wat er allemaal omgaat in een timmermanswerkplaats. Hoe druk ik het vaak heb. Soms zit Jezus vlak bij mijn werkbank met blokjes hout te spelen. Hij wil wel eens de houtkrullen in een hoek bezemen. Vaak gaat hij die houtkrullen dan in de lucht gooien, dat vindt hij leuk. Dan roept hij haast altijd: kijk eens pappa, ik kan het laten regenen. Dat zijn nou echt dingen die ik eens zou moeten opschrijven voor later. Soms komt hij hier in de werkplaats naast me zitten en dan geef ik hem wel eens een beitel en een schaaf. Hij kan er een beetje mee overweg. Maar of hij later deze werkplaats van me overneemt… geen idee. Ik wil in ieder geval niet zo'n vader voor hem zijn, die alleen op sabbat als het vlees gesneden wordt de zegenspreuk uitspreekt. Ik neem de tijd voor hem, we doen dingen, gaan samen naar de synagoge, regelmatig maken we een wandeling, ik vertel hem de namen van bloemen en bomen - dat zijn toch allemaal dingen waar hij later de vruchten van kan plukken. Na zijn moeilijke begin is alles wat tot rust gekomen. Dat was wat, die lange tocht naar Betlehem, Maria op alle dag, zijn geboorte daar. Als ik daar aan terugdenk… Maar dat hoef ik u niet allemaal te vertellen. Dat heeft u al vaker gehoord. Laatst stuurde een man die ik niet kende, een zekere Jaap me een gedichtje. Dat verwoordde heel mooi hoe ik Jezus' geboorte en de tijd erna beleefd heb. Wonderlijk dat een ander soms kan zeggen, waar je zelf de woorden niet voor hebt. Maar laat ik u dat gedichtje voorlezen, dat weet u wel ongeveer wat er in me omgaat. Nooit van mijn leven zou ik durven dromen (gedicht Jaap Zijlstra) aan God een naam te geven en een onderkomen. Van kindsbeen aan is mij geleerd om te geloven in God de Alomtegenwoordige, de Alvermogende.
En nu komt hij mijn leven binnen zo gering, zo aard en kwetsbaar als een boreling. Verwonderd geeft ik hem de naam Jezus - God redt - en hij is kind aan huis bij mij, Jozef van Nazareth. Ik die de jongen niet meer leren kan dan dit: een leerjongen te zijn, een handwerksman. Dat ik een kind van God ben, durf ik nauwelijks te geloven, maar dat Hij nu mijn kind wil zijn, gaat mijn begrip te boven. Het verhaal van een herder Laat ik maar direct met de deur in huis vallen: wat wordt er toch vaak kortzichtig en zonder kennis over ons gesproken. Dikwijls worden wij, herders, voor simpele zielen versleten. Als ik ons op tekeningen en schilderijen bekijk, dan kijken wij herders vaak wat dommig uit onze ogen. Zegt u nou zelf: kijk ik dom uit mijn ogen? Nou dan! Hoe komen mensen er toch bij dat herder zijn iets is voor domme mensen…? Als je bij de kudde bent, moet je heel waakzaam zijn. Je aandacht mag geen moment verslappen. Je moet de schapen bij elkaar houden. Maar dat wil niet zeggen, dat ik geen oog heb voor de verschillen binnen de kudde. In elke kudde heb je avonturiers. Ik zie de eigen aard van elk schaap, de verschillen die er zijn in de manier van lopen, in eten, in omgaan met elkaar. Dat vind ik het leuke van het herderschap, je ontdekt steeds opnieuw hoe verschillend schapen binnen één kudde zijn. Ik heb wel eens een donkergekleurd schaap. Sommige jaren zelf een paar van die donkergekleurde schapen. Maar dat maakt mij niks uit. Een donker schapen degradeer ik echt niet tot zwart schaap. Elk schaap hoort erbij. Dat is mijn levensmotto; dat zeg ik ook vaak tegen mijn collega's: geniet van de veelkleurigheid van de kudde! Maar nou praat ik over mijn kudde, over het karakter van mijn schapen terwijl u uit mijn mond waarschijnlijk iets anders wilt horen. U wilt over dat éne schaap horen, dat kindje dat jaren geleden geboren werd. U bent vast geïnteresseerd in mijn verhaal over die nacht in Betlehem. Ik moet u zeggen, ik kwam eigenlijk tamelijk onverwacht met dat kind in aanraking. Gods wegen zijn vaak wonderlijk. Ondoorgrondelijk. Er gebeuren soms dingen die wij mensen niet voor mogelijk houden. Waarom moest ik uitgerekend die nacht in de buurt zijn… Ik had voor hetzelfde geld kunnen kiezen voor de velden rond Beit Jala. Dan had ik dat pasgeboren ventje nooit gezien. Ik moet nog regelmatig aan die nacht terugdenken. Ga maar kijken, zei de moeder van het kind en ze maakte met haar hoofd een beweging in de richting van de voederbak. Is het een meisje, vroeg ik. Nee, een jongetje, zei de vader. Ik heb mijn hand een moment op zijn hoofdje gelegd en een paar lieve woordjes gefluisterd. In die zin heb ik hem die nacht gezegend. Dat ben ik later ook gaan doen met mijn eigen kinderen. Als ik 's avonds niet bij de kudde was maar thuis, dan legde ik voor ik zelf ging slapen, even mijn hand op hun voorhoofd. Ze sliepen altijd rustig door. Nu ik weer terugdenk aan die lang vervlogen nacht in Betlehem… Ik heb dat jongetje toen gezegend. Vaak vraag ik me af: wat is de zin van wat ik meemaak, de zin van wat me overkomt? Dat ik op een nacht, het is zeker dertig jaar geleden, een kind in een voerbak zag, wat wil mij dat zeggen? Het mooiste heb ik u nog niet verteld. Het verhaal gaat dat hij rondtrekt en de mensen zegent. Dat kind van toen wordt nu zelf een herder genoemd. Is dat niet vreemd? Ze noemen hem een herder van mensen. Ik vraag me wel eens af: moest ik hem daarom tegenkomen en hem zegenen, die nacht in Betlehem? Het verhaal van de herbergier Waarom ben jij teruggekomen? Wil je de stal weer zien? De os en de ezel? Opmerkelijk vind ik het wel… dat je ieder jaar weer terugkomt. Zeg nou zelf: er is hier niet veel te zien… Wat stro op de vloer, een paar oude zakken in de hoek. Waarom fluister je? Ben je bang dat je iemand wakker maakt? Is er soms iets dat je horen wil, het huilen van een kind, het zuchten van een vrouw? Dat is jaren geleden, dat van die vrouw… Ik voel nog de kou van jaren geleden. De herberg zat helemaal vol. Door die volkstelling was m'n hoofd helemaal op hol. Het was ontzettend druk. M'n vrouw liep te rennen, onze dochter was zo goed om een handje uit te steken. Zelfs onze eigen kamer hadden we weggegeven, ook daar sliepen mensen, kun je nagaan. Het was nog nooit zo druk geweest in Betlehem. Hoe koud het was, merkten we toen die stumpers 's avonds bij de voordeur stonden en aanklopten. Wat konden we doen? We zaten helemaal vol. Ik zag dat die vrouw haast niet meer kon staan, het was haar tijd. Toen heb ik die vrouw en man meegenomen naar deze oude stal. Het was toen ook al zo'n bouwval. Geloof me, ik heb me wel geschaamd. Het was hier vuil, ook toen was het hier vuil. Vind je het gek… de beesten stonden er. De wind had haast vrij spel, blies door de kieren. Niet veel later moet het kind geboren zijn. Het is jaren geleden, de geboorte van dat kind. Ik voel nog de wind van jaren geleden. Niet veel later kwamen al die mensen en ze vroegen allemaal eigenlijk maar één ding: waar is het kind? Iedereen begon te spreken over een nieuwe tijd, over een groot licht, over een ster aan het firmament. Wie het snapt, moet het maar zeggen Ach, het is jaren geleden, dat gerucht over een nieuwe tijd. Waarom ben je ook dit jaar weer teruggekomen? Vind je het gek, dat ik je dat vraag? Wat wil je zien? Waarom staar je zo? Ben je dat hele eind naar hier komen lopen, om het verhaal nog een keer te horen?
|