|
Laat uw koninkrijk komen (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
(gelezen: Psalm 126 en Romeinen 8:18-25)
Als de Eeuwige ons thuisbrengt, dat zal een droom zijn. Psalm 126 is als gebed geboren in een concrete situatie, toen ballingen in Babel hoorden dat ze na bijna vijftig jaar terug mochten naar hun land. Het was een ongehoord bericht, de ballingen konden het nauwelijks bevatten. Het doet denken aan een deur van een gevangenis die wijd opengezet wordt terwijl tot gevangenen gezegd wordt: jullie kunnen gaan. Dan kunnen gevangene reageren door te zeggen: hoor ik het goed of droom ik? Mensen, levend in oorlogsgebied die horen van een gesloten vrede tussen de strijdende partijen, zullen vaak net zo reageren: wat nou vrede, houd je me voor de gek? Droom ik?
De ballingen in Babel die toestemming krijgen om naar huis te gaan, verkeren in verwarring. Maar tegelijk wordt een droom in hen gewekt die ze waarschijnlijk allang hadden begraven. De droom van een terugkeer. Het verlangen naar huis, wat meer is, het verlangen naar een aarde waar je je thuis kunt voelen, naar een wereld waar gerechtigheid woont. Elke eeuw zijn er mensen die die droom koesteren. ‘I have a dream’, zei Martin Luther King in de zestiger jaren van de vorige eeuw in de Verenigde Staten.
De hoop op een wereld van recht en vrede is meestal de boodschap van een enkeling die zich daarmee de hoon op de hals haalt van de zwijgende meerderheid. Jesaja, Jeremia en andere profeten werden voor gek verklaard. Voor naïevelingen werden ze uitgemaakt. Maar juist hun woorden zijn geboekstaafd en bewaard gebleven. Voor Jezus en Paulus zijn de profetische visioenen en dromen een bron geweest waaruit zij hebben gedronken. Daarom kan Paulus zeggen: ik ben er zeker van dat het huidige lijden niet opweegt tegen de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. Dat kun je alleen maar zeggen als je vertrouwen in de toekomst hebt, als er hoop in je leeft.
We weten dat die hoop niet vanzelfsprekend is. Waarom zou je je nog richten op de toekomst? Vaak zijn wij geneigd om te denken dat alles zich eindeloos herhaalt. Er is niets nieuws onder de zon. Steeds nieuwe brandhaarden, voortdurend gewapende conflicten. Mensen niet mét elkaar maar tégenover elkaar. De ene oorlog is nog niet afgelopen of er breekt ergens anders alweer een nieuwe uit. Bij oppervlakkige beschouwing lijkt er nooit eens iets te veranderen.
Maar Jezus leert zijn discipelen bidden: laat uw koninkrijk komen. Die woorden kun je alleen maar bidden als je niet genoeg hebt aan de wereld zoals die is. Als je van de toestand in de wereld wakker ligt. Maar de cynicus in ons verzucht: is dat niet een bede die mensen al tweeduizend jaar op de lippen nemen? Hoe lang moet dat nog duren? God, dat koninkrijk van U, wordt dat nog wat?
Wat moet je, als je kijkt naar wat er om je heen gebeurt? Wat moet je als je die eindeloze stroom van beelden op de televisie ziet over menselijk geweld en natuurgeweld. Een koninkrijk dat komt? Weet je wel wat je zegt? Je kunt het gevoel hebben te zitten in een trein die zonder remmen naar een afgrond lijkt te rijden. Het negatieve nieuws dat in de media voortdurend wordt uitvergroot, kan ons in de greep krijgen. De woorden over het koninkrijk komen dan niet langer over onze lippen. Ieder van ons zal die moeite wel herkennen. Maar kunnen de beelden die op ons afkomen nog een andere betekenis hebben?
De Schriften willen ons helpen bij de vraag: wat is er feitelijk gaande? Hoe moeten we allerlei gebeurtenissen duiden: zijn het de laatste stuiptrekkingen van een wereld die op z'n eind loopt of zijn het barensweeën? Stuiptrekkingen of barensweeën: dat maakt een wereld van verschil. Voor Paulus is dat geen vraag: de hele schepping zucht en lijdt als in barensweeën. Barensweeën is een woord dat zowel angstaanjagend als veelbelovend is. Het kind is op komst, straks komt er een einde aan de pijn, dan is er de vreugde. Maar Paulus, hoelang duurt het wel niet? De weeën bij deze geboorte duren en duren.
Een moeder vertelde over haar jongen van 24 jaar. Hij heeft nog nooit een kik gegeven, nog nooit een teken van herkenning, voor wie dan ook. Zij komt voor de duizendste keer de zaal van het internaat binnen en zegt: Dag Hans, hoe is het nu met je? Maar Hans geeft geen antwoord. Hij heeft nog nooit op iets gereageerd. Zij heeft een speelgoedbeertje meegenomen en een pyjama. Een rode, zegt ze, die zal je mooi staan bij je blonde krullen. En die jongen blijft maar staren. Dat doet hij al 24 jaar. Ze gaat zitten breien en vertelt aan een andere bezoekster: toen hij geboren werd, was ik zo blij; ik kon m'n geluk niet op. Maar na een paar dagen zagen we al dat hij zó was. Toen hij hier kwam wonen, zei de dokter: u hoeft niet steeds naar hem toe te gaan, hij merkt toch niet dat u er bent. Dan denk ik: ik heb hem negen maanden geherbergd in mijn schoot, dat is niet niks en misschien heeft hij toch wel een kaal gevoel als ik niet kom. Daarom stap ik elke woensdag op de trein. En elke keer denk ik: misschien zal hij vandaag even glimlachen. Zo lang kunnen de weeën duren: die vrouw gunt zich geen rust, voordat haar kind eindelijk geboren is.
Zo zucht de hele schepping in barensweeën, in afwachting van het openbaar worden van de kinderen van God: misschien zal hij vandaag glimlachen. Niet alleen moeders, ook vaders ervaren de weeën. Laatst in de krant zei een vader: ik heb mijn zoon vroeger leren fietsen, nu is hij verslaafd en mijn vijand. Die paar woorden zijn tot de nok gevuld met geboortepijn: het is wachten op de onthulling van zijn zoon als een kind van God, de verslaving voorbij.
De schepping zucht, zegt Paulus. Als de hele schepping zucht, dan zuchten de schepselen mee. Ook wij behoren tot de onverloste creatuur. Wat schieten we in de kerk op met oppervlakkige blijheid? In een goed loflied hoor je ook het Kyrie eleison. Dat wist Paulus als geen ander. Hij groeide op in een traditie die spreekt van de weeën van de messias. Voor hem is het zonneklaar dat het rijk komt door weeën heen, die zijn niet te vermijden. Het lijden en de pijn voorafgaande aan de verlossing is niet te vermijden. Maar weeën wil, naast de pijn, toch ook zeggen: het leven breekt door.
Niet iedereen kijkt zo naar de wereld. Het doemdenken heeft velen in de greep. Bespeuren we dat ook bij Jezus als hij spreekt over oorlogen, hongersnoden en aardbevingen? Zijn dat de voorboden van het einde? Dat alles is voor Jezus niet het begin van het einde maar... het begin der weeën. Jezus en Paulus zijn zeer eensgezind in hun onalledaagse kijk op de geschiedenis.
Hoe kijken u en ik vandaag naar het wereldnieuws, naar Kopenhagen, naar Afghanistan? Ik kan mijn ogen proberen te sluiten voor teleurstellend nieuws. De zoveelste bermbom. Ik kan bij negatieve berichten gaan zoeken naar schuldigen. Maar wij kunnen verschijnselen in de wereld ook proberen te zien als weeën, als het begin van een geboorte, als een teken van de naderende komst van het Koninkrijk. Het tribunaal in Den Haag met het proces tegen Karazic: zou dat niet het reikhalzend verlangen van de schepping naar gerechtigheid zijn? Zijn arrestatie indertijd betekende dat er stem en erkenning wordt gegeven aan slachtoffers van de oorlog op de Balkan. Een wereld die niet stilzwijgend wil toekijken als er etnische zuiveringen plaatsvinden. Bestond het werk van de waarheidscommissie in Zuid-Afrika indertijd niet in het werken aan het openbaar worden van dochters en zonen van God? Ging het bisschop Tutu er niet om dat mensen eindelijk verantwoordelijkheid op zich namen voor hun daden.
Kijk toch om je heen, bezweert Paulus ons. Overal om je heen voltrekt zich een geboorteproces. Zeg toch niet: er is niets te doen tegen het lijden. Allerlei vormen van leed zijn te bestrijden. Als je er oog voor hebt, dan zie je vaak dat iets klein begint maar door de inzet van mensen uitgroeit tot iets groots. Wat Jezus begon in een uithoek van het Romeinse rijk is uitgegroeid tot een wereldbeweging. Henri Dunant begon met hulpposten op het slagveld en dit is uitgegroeid tot het Rode Kruis. De strijd van zwarten in de Verenigde Staten kreeg een beslissende impuls toen een vrouw in een bus weigerde op te staan.
Maar dat betekent dat we door die woorden 'laat uw koninkrijk komen', bidden om een ander hart. Dat wij niet schamper lachen als Jezus over het koninkrijk spreekt maar ons juist laten raken door Gods droom. Dat wij geloof hechten aan het visioen van de profeten en van Jezus en al die anderen na hem, Gandhi, King, Tutu, noem ze maar op. Juist in de weeën gaat het om de geboorte van een mens die op eigen benen leert staan, die verantwoordelijkheid op zich neemt, die zich verzet tegen alles wat de komst van het koninkrijk verhindert. Wij zijn die mens.
Eens zag een bedelaar eLaat uw koninkrijk komen (gelezen: Psalm 126 en Romeinen 8:18-25)
Als de Eeuwige ons thuisbrengt, dat zal een droom zijn. Psalm 126 is als gebed geboren in een concrete situatie, toen ballingen in Babel hoorden dat ze na bijna vijftig jaar terug mochten naar hun land. Het was een ongehoord bericht, de ballingen konden het nauwelijks bevatten. Het doet denken aan een deur van een gevangenis die wijd opengezet wordt terwijl tot gevangenen gezegd wordt: jullie kunnen gaan. Dan kunnen gevangene reageren door te zeggen: hoor ik het goed of droom ik? Mensen, levend in oorlogsgebied die horen van een gesloten vrede tussen de strijdende partijen, zullen vaak net zo reageren: wat nou vrede, houd je me voor de gek? Droom ik?
De ballingen in Babel die toestemming krijgen om naar huis te gaan, verkeren in verwarring. Maar tegelijk wordt een droom in hen gewekt die ze waarschijnlijk allang hadden begraven. De droom van een terugkeer. Het verlangen naar huis, wat meer is, het verlangen naar een aarde waar je je thuis kunt voelen, naar een wereld waar gerechtigheid woont. Elke eeuw zijn er mensen die die droom koesteren. ‘I have a dream’, zei Martin Luther King in de zestiger jaren van de vorige eeuw in de Verenigde Staten.
De hoop op een wereld van recht en vrede is meestal de boodschap van een enkeling die zich daarmee de hoon op de hals haalt van de zwijgende meerderheid. Jesaja, Jeremia en andere profeten werden voor gek verklaard. Voor naïevelingen werden ze uitgemaakt. Maar juist hun woorden zijn geboekstaafd en bewaard gebleven. Voor Jezus en Paulus zijn de profetische visioenen en dromen een bron geweest waaruit zij hebben gedronken. Daarom kan Paulus zeggen: ik ben er zeker van dat het huidige lijden niet opweegt tegen de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. Dat kun je alleen maar zeggen als je vertrouwen in de toekomst hebt, als er hoop in je leeft.
We weten dat die hoop niet vanzelfsprekend is. Waarom zou je je nog richten op de toekomst? Vaak zijn wij geneigd om te denken dat alles zich eindeloos herhaalt. Er is niets nieuws onder de zon. Steeds nieuwe brandhaarden, voortdurend gewapende conflicten. Mensen niet mét elkaar maar tégenover elkaar. De ene oorlog is nog niet afgelopen of er breekt ergens anders alweer een nieuwe uit. Bij oppervlakkige beschouwing lijkt er nooit eens iets te veranderen.
Maar Jezus leert zijn discipelen bidden: laat uw koninkrijk komen. Die woorden kun je alleen maar bidden als je niet genoeg hebt aan de wereld zoals die is. Als je van de toestand in de wereld wakker ligt. Maar de cynicus in ons verzucht: is dat niet een bede die mensen al tweeduizend jaar op de lippen nemen? Hoe lang moet dat nog duren? God, dat koninkrijk van U, wordt dat nog wat?
Wat moet je, als je kijkt naar wat er om je heen gebeurt? Wat moet je als je die eindeloze stroom van beelden op de televisie ziet over menselijk geweld en natuurgeweld. Een koninkrijk dat komt? Weet je wel wat je zegt? Je kunt het gevoel hebben te zitten in een trein die zonder remmen naar een afgrond lijkt te rijden. Het negatieve nieuws dat in de media voortdurend wordt uitvergroot, kan ons in de greep krijgen. De woorden over het koninkrijk komen dan niet langer over onze lippen. Ieder van ons zal die moeite wel herkennen. Maar kunnen de beelden die op ons afkomen nog een andere betekenis hebben?
De Schriften willen ons helpen bij de vraag: wat is er feitelijk gaande? Hoe moeten we allerlei gebeurtenissen duiden: zijn het de laatste stuiptrekkingen van een wereld die op z'n eind loopt of zijn het barensweeën? Stuiptrekkingen of barensweeën: dat maakt een wereld van verschil. Voor Paulus is dat geen vraag: de hele schepping zucht en lijdt als in barensweeën. Barensweeën is een woord dat zowel angstaanjagend als veelbelovend is. Het kind is op komst, straks komt er een einde aan de pijn, dan is er de vreugde. Maar Paulus, hoelang duurt het wel niet? De weeën bij deze geboorte duren en duren.
Een moeder vertelde over haar jongen van 24 jaar. Hij heeft nog nooit een kik gegeven, nog nooit een teken van herkenning, voor wie dan ook. Zij komt voor de duizendste keer de zaal van het internaat binnen en zegt: Dag Hans, hoe is het nu met je? Maar Hans geeft geen antwoord. Hij heeft nog nooit op iets gereageerd. Zij heeft een speelgoedbeertje meegenomen en een pyjama. Een rode, zegt ze, die zal je mooi staan bij je blonde krullen. En die jongen blijft maar staren. Dat doet hij al 24 jaar. Ze gaat zitten breien en vertelt aan een andere bezoekster: toen hij geboren werd, was ik zo blij; ik kon m'n geluk niet op. Maar na een paar dagen zagen we al dat hij zó was. Toen hij hier kwam wonen, zei de dokter: u hoeft niet steeds naar hem toe te gaan, hij merkt toch niet dat u er bent. Dan denk ik: ik heb hem negen maanden geherbergd in mijn schoot, dat is niet niks en misschien heeft hij toch wel een kaal gevoel als ik niet kom. Daarom stap ik elke woensdag op de trein. En elke keer denk ik: misschien zal hij vandaag even glimlachen. Zo lang kunnen de weeën duren: die vrouw gunt zich geen rust, voordat haar kind eindelijk geboren is.
Zo zucht de hele schepping in barensweeën, in afwachting van het openbaar worden van de kinderen van God: misschien zal hij vandaag glimlachen. Niet alleen moeders, ook vaders ervaren de weeën. Laatst in de krant zei een vader: ik heb mijn zoon vroeger leren fietsen, nu is hij verslaafd en mijn vijand. Die paar woorden zijn tot de nok gevuld met geboortepijn: het is wachten op de onthulling van zijn zoon als een kind van God, de verslaving voorbij.
De schepping zucht, zegt Paulus. Als de hele schepping zucht, dan zuchten de schepselen mee. Ook wij behoren tot de onverloste creatuur. Wat schieten we in de kerk op met oppervlakkige blijheid? In een goed loflied hoor je ook het Kyrie eleison. Dat wist Paulus als geen ander. Hij groeide op in een traditie die spreekt van de weeën van de messias. Voor hem is het zonneklaar dat het rijk komt door weeën heen, die zijn niet te vermijden. Het lijden en de pijn voorafgaande aan de verlossing is niet te vermijden. Maar weeën wil, naast de pijn, toch ook zeggen: het leven breekt door.
Niet iedereen kijkt zo naar de wereld. Het doemdenken heeft velen in de greep. Bespeuren we dat ook bij Jezus als hij spreekt over oorlogen, hongersnoden en aardbevingen? Zijn dat de voorboden van het einde? Dat alles is voor Jezus niet het begin van het einde maar... het begin der weeën. Jezus en Paulus zijn zeer eensgezind in hun onalledaagse kijk op de geschiedenis.
Hoe kijken u en ik vandaag naar het wereldnieuws, naar Kopenhagen, naar Afghanistan? Ik kan mijn ogen proberen te sluiten voor teleurstellend nieuws. De zoveelste bermbom. Ik kan bij negatieve berichten gaan zoeken naar schuldigen. Maar wij kunnen verschijnselen in de wereld ook proberen te zien als weeën, als het begin van een geboorte, als een teken van de naderende komst van het Koninkrijk. Het tribunaal in Den Haag met het proces tegen Karazic: zou dat niet het reikhalzend verlangen van de schepping naar gerechtigheid zijn? Zijn arrestatie indertijd betekende dat er stem en erkenning wordt gegeven aan slachtoffers van de oorlog op de Balkan. Een wereld die niet stilzwijgend wil toekijken als er etnische zuiveringen plaatsvinden. Bestond het werk van de waarheidscommissie in Zuid-Afrika indertijd niet in het werken aan het openbaar worden van dochters en zonen van God? Ging het bisschop Tutu er niet om dat mensen eindelijk verantwoordelijkheid op zich namen voor hun daden.
Kijk toch om je heen, bezweert Paulus ons. Overal om je heen voltrekt zich een geboorteproces. Zeg toch niet: er is niets te doen tegen het lijden. Allerlei vormen van leed zijn te bestrijden. Als je er oog voor hebt, dan zie je vaak dat iets klein begint maar door de inzet van mensen uitgroeit tot iets groots. Wat Jezus begon in een uithoek van het Romeinse rijk is uitgegroeid tot een wereldbeweging. Henri Dunant begon met hulpposten op het slagveld en dit is uitgegroeid tot het Rode Kruis. De strijd van zwarten in de Verenigde Staten kreeg een beslissende impuls toen een vrouw in een bus weigerde op te staan.
Maar dat betekent dat we door die woorden 'laat uw koninkrijk komen', bidden om een ander hart. Dat wij niet schamper lachen als Jezus over het koninkrijk spreekt maar ons juist laten raken door Gods droom. Dat wij geloof hechten aan het visioen van de profeten en van Jezus en al die anderen na hem, Gandhi, King, Tutu, noem ze maar op. Juist in de weeën gaat het om de geboorte van een mens die op eigen benen leert staan, die verantwoordelijkheid op zich neemt, die zich verzet tegen alles wat de komst van het koninkrijk verhindert. Wij zijn die mens.
Eens zag een bedelaar een gouden koets zijn dorp binnenrijden. Dit is mijn kans, dacht de bedelaar en hij wierp zich voor de koets neer. De koning geeft me vast enkele kruimels van zijn rijkdom. Maar de koning gebaarde de bedelaar op te staan en vroeg: wat heb je voor mij? De bedelaar was verbijsterd, hij wilde wat van de koning en nu wilde de koning wat van hem. Hij deed een greep in zijn plunjezak waar hij wat rijst bewaarde en gaf de koning één rijstkorrel. 's Avonds toen hij de plunjezak opnieuw opende, zag hij dat er één gouden rijstkorrel in lag. De man weende en zei: had ik de koning nou maar al mijn rijst gegeven.
Soms kunnen we denken dat God ons helpen moet, dat hij onze problemen moet oplossen, voor gerechtigheid op aarde moet zorgen. Laat uw koninkrijk komen. Eeuwige, wat hebt u voor ons? Maar misschien antwoordt de Levende op ons bidden wel met een tegenvraag: lief mensenkind, wat heb jij voor mij? Is dat ook niet de vraag van Jezus aan wie hij maar tegenkomt: wat heb je voor mij? Kom met me mee, het koninkrijk is nabij, wat jij te geven hebt, al zijn het maar een paar korrels, is een bijdrage aan Gods koninkrijk. Jezus zoekt bondgenoten, tot op vandaag. Komt Jezus u, als u om het koninkrijk bidt, ook storen met die vraag: wat heb je voor mij?
|
|
|