|
JEU DE BOULES (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
Niels en Erik zitten bij elkaar in de klas en spelen vaak samen. Op een middag, als de school uitgaat, zegt Niels: 'ik ga straks naar mijn opa, hij is jarig. Lekker taart eten. Dan krijg ik vast weer een euro van hem.' 'Wat? Krijg jíj geld als híj jarig', zegt Erik verbaasd. 'Ja, elke keer krijg ik wat van m’n opa.' 'Waarom heb ik geen opa, vraagt Erik zich hardop af. Niels schudt z’n hoofd: 'dat weet ik niet, maar je kunt in het huis van mijn opa wel een opa vinden. Daar wonen een heleboel opa’s en oma’s.'
Een paar dagen later gaat Erik met Niels mee naar dat grote huis. Boven de ingang staat de naam van het zorgcentrum: Huize Avondzon. Halverwege de lange gang staat een deur open. Aan een tafel zit een meneer in z’n eentje te kaarten. Niels maakt een gebaar naar Erik en zegt zachtjes: 'ga hier naar binnen.' Erik hoest een beetje en loopt dan de kamer in. 'Dag opa.' De oude meneer kijkt op en krabt zich achter z’n oren. 'Wat zeg je jongen, ben ik je opa?' 'Ja opa.' Erik moet er even om lachen. 'Eerder kon ik niet komen, opa.' Dan omhelst de oude meneer Erik. 'Dit is toch ook wat… Wat ben je groot geworden. Hoe oud ben je nu?' 'Acht opa.' 'Wie is dat' en hij wijst naar Niels. 'Dat is mijn vriendje, antwoordt Erik, hij heeft al een opa.' Bijna elke week zijn de jongens in het grote huis. Als het mooi weer is, gaan ze met de opa van Erik naar het park. Als ze daar zijn, vertelt hij mooie verhalen over vroeger. En ze doen op het grasveld een spel met gekleurde ballen die je moet rollen naar een klein balletje. Opa wil altijd met de zilverkleurige ballen rollen. 'Toen oma nog leefde, deden we dit heel vaak, jongens. Zij was er heel goed in.' In de zomervakantie is opa wat ziek. Nu kunnen ze niet naar het park. 'Misschien over een paar weken jongens', zegt opa, maar dat is niet zo. Na een paar weken ligt opa heel ziek op bed. Hij zegt heel weinig en als hij praat, kun je hem bijna niet verstaan. Op een dag worden Erik en Niels op de gang tegengehouden door een mevrouw van het grote huis. 'Jongens, loop maar even met mij mee', zegt ze. Ze gaan naar een kamer met een groot bureau. 'Je moet niet schrikken Erik, maar je opa is vannacht overleden. 'Erik weet niet wat hij zeggen moet. De mevrouw loopt naar een kast. 'Kijk, dit moest ik jou geven Erik. Het zijn de jeu de boules ballen waarmee jullie vaak speelden in het park. Je opa heeft wel een paar keer tegen mij gezegd dat ze ooit voor jou zouden zijn. Zaterdag wordt hij begraven, er is een dienst in de kapel hier. Komen jullie dan ook?' Die dag zitten Erik en Niels in een grote zaal. Een hun onbekende meneer in een soort jurk met een paarse das eroverheen spreekt over Erik's opa. 'Hij was een vriendelijke man, hoort Erik hem zeggen. Hij maakte met iedereen een praatje. Hij was niet alleen in dit huis, al had hij geen familie.' Erik schudt z’n hoofd, gaat staan en steekt z’n vinger op. Iedereen kijkt naar hem. Even is het helemaal stil, dan zegt Erik: 'hij was mijn opa!' Diezelfde middag gaan de jongens met de jeu de boules ballen naar het park. 'Laten we het vanmiddag anders doen, zegt Erik. Opa speelde toch altijd met de zilveren ballen. Jouw rode ballen, Niels en mijn blauwe moeten zo dicht mogelijk bij de zilveren komen. En als mijn bal dan tegen een zilveren aanrolt, zeg ik: bedankt opa, je was een fijne opa.'
|