|
Overweging uit de dienst van 8 november 2009 (door ds. G.J. de Bruin)
Laat uw Naam geheiligd worden
lezen: Exodus 3: 7-14; Lucas 11: 1-4
Laat uw Naam geheiligd worden. We kunnen niet vaak genoeg tegen elkaar zeggen hoe belangrijk een naam in het bijbels klimaat is. Een naam is niet een willekeurige aanduiding in de trant van: het beestje moet een naampje hebben. Jozefien, Bob, ach 't maakt niet uit hoe je heet. In het bijbels Verhaal maakt het wel uit; een naam is niet zomaar iets. Een naam heeft in het bijbels Verhaal betekenis, daarom wordt die met zorg gegeven. Je naam heeft met je identiteit te maken, met je levenspatroon. Wie een ander mens wordt, kan niet meer leven met haar of zijn oude naam. Ik ken mensen die na een crisis in hun leven genoemd willen worden met een níeuwe naam. Dat spoort met het bijbels Verhaal. Jakob krijgt na een crisis, na zijn worsteling om zegen bij de Jabbok een nieuwe naam: Israël. Strijder met God. Saulus is na z'n Damaskuservaring een ánder mens met een ándere naam: Paulus. Mensen die het gevoel hebben in een vreemd lichaam te wonen en dan in een proces van jaren van geslacht veranderen, bevestigen die ingrijpende verandering uiteraard met een nieuwe naam. Je heet tenslotte niet zomaar wat. Ik hoorde een verhaal over Alexander de Grote. De naam 'Alexander' heeft te maken met weerbaarheid en moed. Op een goede dag wordt er een soldaat bij hem gebracht die zich nogal laf gedragen heeft. Hoe heet jij, vraagt Alexander de Grote aan de soldaat. Die fluistert: Alexander. Wat zeg je, roept de koning boos uit. Alexander... jij? Dat is onbestaanbaar. Je kunt kiezen: of je verandert je naam of je verandert jezelf. Wil je de naam 'Alexander' met ere dragen dan moet er wel wat met jou gebeuren... Als het bij ons mensen zo nauw luistert hoe wij heten, zou dat dan niet gelden voor Israëls God? Daarmee zijn we bij het verhaal van Mozes en wat hij ontdekt over Israëls God, nu het er om spant in zijn leven. Je zou kunnen zeggen dat Mozes op een tweesprong staat. Ooit is hij als een prins opgegroeid aan het Egyptische hof; vervreemd van zijn eigen volksgenoten leeft hij in grote weelde. Maar op zekere dag vallen hem de schellen van de ogen, hij ziet hij de onderdrukking van zijn volk. Wat hij dan ziet, zal in lange jaren van ballingschap niet meer van zijn netvlies verdwijnen. Langzaam maar zeker groeit in Mozes dan het besef dat hij terug moet keren naar zijn volk. Dat heeft alles te maken met wat hij als zijn opdracht ziet, met zijn roeping. Maar roeping wordt altijd aangevochten. Wie ben ik, denkt Mozes, wat verbeeld ik me eigenlijk, ben ik niet ten prooi aan een grootheidswaan... In de bres springen voor mijn volksgenoten, straks willen ze niks met me te maken hebben... Ze zullen me zien aankomen zeg... Zo zal het ons vaak vergaan op een tweesprong, bij een moeilijke keuze. Verschillende stemmen die om voorrang strijden. Hier moet ik op ingaan, hier kan ik me niet aan onttrekken, zegt een stem in je. En tegelijk is er dat andere geluid: ik kijk gewoon de andere kant op, ik doe alsof ik niks gehoord heb. De ene stem in Mozes zegt: ga terug, je hoort bij dat volk van slaven; die andere stem fluistert: weet je dat wel heel zeker..? Mozes is gegaan, de braamstruik van zijn leven staat in brand. Er leeft een heilig vuur in hem, hij voelt zich geroepen. Tegelijk is hij er onzeker over. En die onzekerheid heeft ten diepste niet met zijn volksgenoten te maken, maar met God. Hij is deels opgevoed met de God van Abraham, Izaäk en Jakob. De verhalen zijn hem aangereikt; prachtige, indrukwekkende verhalen. Wat kun je er als kind van genieten. Maar luisterend naar die verhalen is God een God van horen zeggen. Steeds is er de omweg via de verhalen. Je zou zo graag eens wat van God zelf willen opvangen. Niet via via, maar rechtstreeks. Wat zou Mozes graag met eigen oren iets van de God van zijn voorgeslacht willen vernemen. Een meisje stelde haar oma allerlei vragen over God. Dat waren bepaald geen gemakkelijke vragen. Uiteindelijk zegt die oma: "God is iets heel groots, iets heel liefs, iets geweldigs, maar precies weet ik het nog niet, later misschien." "Maar oma, reageert haar kleindochter onmiddellijk, je bent al 77 en je weet het nog niet?" "Nee, nog niet helemaal..." Dat is een oma die wij, denk ik, heel goed begrijpen. Ze is de tolk van wat er leeft in hele volksstammen. Precies weet ik het nog niet... Laten we wel wezen: het kan u en mij toch overkomen, terwijl we al jaren in de weer zijn met het bijbels Verhaal, luisteren naar profeten en apostelen - dat we op een dag overvallen worden door een vraag. Als mensen nu tegen mij zeggen: wie is die God in wie jij zegt te geloven - wat moet ik dan antwoorden? Die vraag kan ons zomaar in verlegenheid brengen. Het is precies dié vraag waar Mozes tegen aanloopt. Als ik tegen de Israëlieten zeg: de God van jullie voorouders heeft mij gestuurd en zij vragen me dan: wat is de naam van die God? - wat moet ik hen dan in hemelsnaam antwoorden? Mozes kan het die oma zo nazeggen: precies weet ik het nog niet... Later misschien. Maar door te vragen, hoopt Mozes wijs te worden. We kunnen niet anders dan vragenderwijs geloven. Daarom vraagt Mozes naar Gods naam. In die vraag klinkt voor mijn besef een heleboel mee. Mozes wil zo graag weten wat hij aan Israëls God heeft. Wat mag ik verwachten? Kan ik van u op aan? Wie zijt Gij ten diepste? En dan maakt de Eeuwige zijn naam bekend: 'Ik ben die Ik ben' of in de nieuwe vertaling: 'Ik ben die er zal zijn'. Enerzijds een naam die geheimzinnig is, die je niet zomaar in je broekzak steekt, God is de Heilige. Tegelijkertijd een naam die een belofte inhoudt: Ik zal er zijn voor jullie, Ik zal jullie wegleiden uit het donker. Niet een statische naam die Gods wezen spelt, maar een dynamische naam. Deze naam wordt de kracht die het slavenvolk wegvoert uit onderdrukking. Of de Heilige ook zijn naam heiligt! Ik heb gezíen hoe ellendig mijn volk er aan toe is, Ik heb hun jammerklachten gehóórd, dwz. deze God heeft oog en oor voor mensen. Horen en zien vergaan Hem bij de confrontatie met het leed van zijn schepselen. Z'n ingewanden krimpen inéén. Hij, zij is een op mensen betrokken God. Gods naam heeft iets van een programma: Ik ben afgedaald om mijn volk te bevrijden - God is steeds in de weer met de heiliging van haar naam. We hebben een God die de kant kiest van zwakken en verdrukten. Ik fietste vroeger met zekere regelmaat door Alphen aan de Rijn. Komend vanaf het station zag ik steeds weer een bord, bevestigd aan een lantaarnpaal, met de korte tekst: 'Vergeet God niet'. Luisterend naar wat Mozes te horen krijgt, denk ik samen met Henk Gemser: 'dat kan beter', die tekst kan echt beter, die wint aan kracht als je zegt: God vergeet niet, of: God vergeet jou niet. ‘Vergeet God niet’ is een opgestoken vinger, ‘God vergeet jou niet’ is een koesterende hand, is evangelie. Laat uw naam geheiligd worden - die bede uit het 'Onze Vader' is voor mijn besef allereerst een roep om Israëls God: kom tevoorschijn! Zeg ons wie Gij zijt, onthul ons uw naam. De eerste die de naam heiligt is de Eeuwige zelf. Maar vervolgens zijn wij volop betrokken bij de heiliging in ons doen en laten, in ons getuige-zijn van de naam. 't Is geen sinecure als mensen ons vragen naar de naam van Israëls God in wie wij zeggen te geloven. Je zult maar antwoorden: Ik zal er zijn voor jou. Vraagt Gods naam niet om mensen die zijn naam leven? Die éne, onlosmakelijke beweging van God en mens lees ik in Exodus drie waar de Eeuwige zegt: Ik ben afgedaald om mijn volk te bevrijden, Mozes, Ik stuur jóu nu naar de farao. Laat uw naam geheiligd worden - dat heeft in ons leven en in onze wereld ook altijd iets van een gevecht. Want die prachtige naam kan zomaar ijdel worden gebruikt. Gods naam kan op allerlei manier misbruikt worden. Dwaze menselijke projecten, religieus gesanctioneerd? Wat te denken van een religieuze leider die voorafgaande aan een oorlog de wapens zegent? Voor mensen er erg in hebben, wordt de God van onderdrukten hun God. Dan wordt het: God die aan onze kant staat, die het met ons eens is, die onze programma's van een goddelijk aureool voorziet... Daarom gaan de profeten in het bijbels Verhaal ook zo tekeer wanneer de unieke betekenis van de naam dreigt te worden vergeten. Daarom herinneren we elkaar er telkens weer aan dat Gods naam allereerst ruimte betekent voor wie in het nauw zitten, bewogenheid voor wie in zorgen zijn. Als we zo de betekenis van Gods naam spellen en erkennen in ons doen en laten, dan geven we gehoor aan de bede die Jezus zijn discipelen leert: laat uw naam geheiligd worden. Met dit verlangen staat Jezus voluit in de joodse traditie, grootgemaakt en geheiligd worde zijn naam, begint een gebed in de synagoge. Hoe is uw naam, vroeg Mozes en wij zeggen hem dat na. Maak o God uw naam toch waar, aan Mozes gezegd, uw klinkende belofte: Ik zal er zijn voor jullie. En wees vuur in ons, kracht om die naam tot z'n recht te laten komen in ons leven, help ons uw naam te heiligen.
|