spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Preken arrow Israël-zondag (door drs R. Prent)
Israël-zondag (door drs R. Prent) PDF Afdrukken E-mail


Overweging uit de dienst van zondag 4 oktober 2009 (door drs. R. Prent) 

Lezen: Marcus 10: 13-16

De tekst over het worden van de kinderen wordt vaak verstaan vanuit fantasie voorstellingen van volwassenen over het geloof en de leefwereld van kinderen.
Maar het is iets minder eenvoudig. De wereld van kinderen is er lang niet altijd één van eenvoud in onschuld. Veel kinderlevens zijn aanzienlijk minder ongecompliceerd
dan verondersteld wordt. Er is geen enkele reden om ons veel illusies te maken over de leefwereld van kinderen rond het begin van onze jaartelling, in maatschappelijk, economisch of sociaal opzicht.

Als Jezus een kind in het midden plaatst dan gaat niet om de onschuld of zuiverheid, dan gaat het om de kwetsbaarheid en afhankelijkheid van een kind. Het kind staat daar voor allen zonder aanzien en macht, allen die afhankelijk zijn van anderen,
allen die hun eigen recht niet kunnen afdwingen, maar overgeleverd zijn aan de wetmatigheden van onze werkelijkheid.

Omwille van de tijd een forse sprong. Eén van de wetmatigheden van ons liturgisch jaar is dat de eerste zondag van oktober Israël-zondag is. Om daarmee uitdrukking te geven aan wat in artikel 1 van onze kerkorde genoemd wordt:
Onze onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël. Dat is een problematische formulering en dat zit ‘m in de vraag wat wordt verstaan onder ‘het volk Israël’ en
in het vervolg daarvan wat de consequenties daarvan zijn voor het verstaan van
de staat Israël.

Je kunt spreken van het volk Israël van de bijbel en van het joodse volk in de eeuwen van verstrooiing in de nabijbelse tijd. Dat zijn complexe begrippen die elk nogal wat eeuwen omspannen, maar je kunt ze omschrijven. Dan krijg je het volk Israël als bevolking van de huidige staat Israël en van joodse afkomst. Voor veel van hen en voor veel Joden buiten Israël, maakt de staat Israël onverbrekelijk deel uit van hun identiteit. Dat is één van de gevolgen van de Holocaust. 

De kerk kan dat respecteren, maar het is de vraag of zij het over kan nemen. Dan wordt er in feite eerst een isgelijkteken gezet tussen het bijbelse en het nabijbelse joodse volk en vervolgens nog één tussen het nabijbelse joodse volk en de joodse bevolking van de staat Israël en daarmee ook met de staat Israël op zich. Velen in
de kerk zijn het er over eens dat dat niet kan. Dat die isgelijktekens niet gezet mogen worden. Maar als je het omdraait, als je zegt dat al die begrippen niets met elkaar te maken heeft, dan ontken je een deel van de identiteit van de meerderheid van het volk waarmee je zegt onopgeefbaar verbonden te zijn. Dat dat volk op zulk een vrijblijvende verbondenheid niet zit te wachten, kun je ze niet kwalijk nemen.

Twee dingen zijn uitgesloten: isgelijktekens zetten en zeggen dat de drie genoemde categorieën niets met elkaar te maken hebben. Dan blijft er één vraag over: als de beide extremen niet kunnen, hoe moet het verband en het onderscheid dan wel geformuleerd worden. Daar hebben we geen echt antwoord op. De onopgeefbare verbondenheid is op grond van een theologische overtuiging geformuleerd en één die je niet politiek kunt vertalen. Maar de staat Israël is een zeer politiek gegeven.

Onze kerk spreekt wel van een dubbele solidariteit, met Israël en met de Palestijnen.
Ik twijfel niet aan de intentie, maar weinig zaken zijn zo ingewikkeld als een dubbele solidariteit. Veelal leidt dat er toe dat je door beide partners niet wordt vertrouwd.

Palestijnse christenen zijn een minderheid die leven in een wankel evenwicht met Palestijnse moslims. Zij zijn, of wij dat nu leuk vinden of niet,  onze zusters en broeders in Christus en ze zijn dat in de benauwenis, levend als tweederangs burgers of in het isolement van de Westbank, onderworpen aan willekeur, of in
de overvolle open lucht gevangenis van Gaza.

Volgende sprong: De synagoge viert nu het Loofhuttenfeest, een indrukwekkend feest, na Jom Kippoer, de meest geduchte van alle dagen en voor Simchat Tora, Vreugde der Wet. De loofhut is een schamel, wrak bouwsel met een dak met uitzicht op de hemel. De kwetsbaarheid van zo’n hutje symboliseert de afhankelijkheid van de mens van de bescherming van de Almogende. De historische betekenis van het feest is de herinnering van het verblijf van Israël in de woestijn, het op weg zijn van slavernij naar bevrijding, een volk zonder land en zonder geschiedenis, uitgeleid door die God die enkel Stem is, die woont in zijn Woord, als oproep tot vrede, als belofte van gerechtigheid en als appèl om het te wagen met Hem en geen ander.

Enkel Stem en oog en oor, die spreekt en ziet en hoort. die het opneemt voor ontrechten en machtelozen. Die zegt dat zij het Rijk zullen beërven. Niet omdat ze beter zijn dan anderen, want dat zijn ze niet. Niet omdat ze een beter geloof hebben dan anderen, want dat hebben ze niet. Maar omdat Hij naar hen omziet opdat zij omzien naar elkaar.

In het kind en de loofhut wordt tot uitdrukking gebracht dat de Schrift weet van zachte krachten, van ontvankelijkheid, van overgave aan belofte. Niemand in Israël en Palestina weet hoe die krachten nu gemobiliseerd kunnen worden tegen het wederzijdse gestructureerde wantrouwen dat alleen leidt tot grotere vervreemding van elkaar. Maar er zijn daar mensen die het niet kunnen laten om zonder valse illusie te volharden bij al de woorden van de Almogende, die zich zijn belofte niet laten afnemen door de werkelijkheid van nu. 

Er zijn Joden, christenen en moslims, die de grenzen doorbreken en de ander ontmoeten. Die weten dat de ander ook maar een mens is, ook een onontwarbare
knoop van lot en schuld, ook met ten diepste geen ander verlangen dan een leven in vrijheid en veiligheid. Waar mensen over barrières heen elkaar zo durven aan te kijken en die eerlijkheid t.o.v. elkaar opbrengen, daar moet een begin van vrede zijn,
En zo moge het zijn.

 
spacer.png, 0 kB