spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Preken arrow Koninkrijk van God (door ds. M.J. Aalders)
Koninkrijk van God (door ds. M.J. Aalders) PDF Afdrukken E-mail


Overweging uit de dienst van zondag 13 september 2009 (ds. M.J. Aalders)

Lezen:
Lucas 17: 20-27
Lucas 18: 1-8

Gemeente van de Heer,

Een beetje een drammer is het wel, die weduwe, merkte de een op. Ze kan dan wel gelijk hebben, maar ik weet het niet. Ik mag haar niet zo. Niet helemaal mijn stijl. En een ander werd er een beetje moedeloos van. Als Jezus dat van ons wil, dan kan ik het wel vergeten. Altijd blijven bidden? Dag en nacht tot God roepen? Dat haal ik niet.  Een derde struikelde over die rechter. Als God zo is, wat is dat dan voor een God? En zeker alleen voor zijn uitverkoren clubje, merkte een vierde op. Ik had wat vrienden uitgenodigd om samen eens naar deze Bijbeltekst te kijken. En dat is wat we zagen. Een verhaal dat veel vragen opriep, weerstand ook. Wat moeten we hier mee?
Jezus vertelt deze gelijkenis wanneer hij spreekt over de komst van het koninkrijk. Het koninkrijk van God, dat wil zeggen: het koningschap van God. De heerschappij van God. Dat koninkrijk, zegt Jezus, die heerschappij komt eraan. Niet dat je kunt uitrekenen of zelfs aanwijzen. Het gaat net als in de dagen van Noach. De mensen aten, en dronken en huwden. Niemand had iets in de gaten. Ze lachten wat om Noach. Maar plotseling was het er. En het zal gaan zoals in de dagen van Lot. Het leven gaat gewoon door. De mensen gaan gewoon door. De rechters die recht spreken wat krom is gaan gewoon door. Maar de dag zal komen. Daarover gaat deze gelijkenis. Over de komst van het koninkrijk. Niet over God die al onze gebeden verhoort. Maar over zijn heerschappij die komt.

Een weduwe. Economisch kwetsbaar, altijd, maar zeker ook in de dagen van Jezus.  Geen weduwen en wezenpensioen, geen algemene bijstandswet, geen vangnet. Hoogstens een beetje familie. Maar ja, dan moet je het maar net treffen. Kwetsbaar in psychisch opzicht. In de dagen van Jezus, en ook nu nog. Alle mensen die een levenspartner aan de dood hebben moeten afstaan, weten hoe vreselijk dat is. Hoe eenzaam het leven wordt. En hoe vreemd. Als het bezoek weggaat, ga je weer alleen naar je slaapkamer. Dan komt de nacht weer. De nacht, domein van de demonen. Wat overdag nog te verdragen is, is het s nachts niet meer. Echt verdriet, dat gaat nooit over. Je leert er mee leven. Op zijn best. Maar altijd zal het er zijn. Soms als de dag van gisteren. Daar hebben we het over. Over zo’n mens. Symbool van alles wat een mensenkind maar kan vragen aan God. Dat koninkrijk, u weet wel, wordt dat nog wat?
Jezus vertelt deze gelijkenis volgens Lucas vlak voordat hij wordt opgepakt. Kwetsbar en broos was hij. Weerloos, alleen gewapend met het Woord Gods. Geen partij voor tempelpolitie. Of voor de soldaten die de spot met hem dreven. De honden hadden hem omringd. Een bende boosdoeners had hem omgeven. Ze verdeelden zijn klederen onder elkaar. Van Gods koningschap was niets zichtbaar. Wordt dat nog wat?

De gelijkenis heeft ook gecirculeerd onder de volgelingen van Jezus. Klein. Kwetsbaar. Machteloos. Overgeleverd aan mensenmassa’s, rechters en koningen. Ze hadden geleefd in de hoop dat hij het was die Israel verlossen zou. Blinden waren gaan zien, lammen lammen waren gaan lopen en doden werden opgewekt. Maar Johannes de doper stierf in de gevangenis. En velen zijn hem in de marteldood gevolgd. Zijt gij het die komen zou? Wordt het nog wat?
 
En dan dat andere beeld, dat beeld van die rechter. De rechters in Israel moesten er op toezien dat de geboden werden nageleefd. Ook en juist die geboden over de kwetsbaren in de samenleving. De weduwe en de wees. Het was de rechters verboden geld aan te nemen en zich te laten omkopen. Het was de rechters verboden om de mensen naar de ogen te zien. De rechters, dat waren de plaatsvervangers van God. Zij vertegenwoordigden de hemel op aarde. Tenminste, dat was de bedoeling. Maar er was geen recht, voor deze weduwe. Pas als hij bang wordt dat die vrouw het hem leven al te zuur gaat maken -letterlijk staat er: hem en blauw oog slaat- pas dan wil hij er iets aan doen. Niet omdat recht recht is. Maar omwille van zijn eigen hachje. Dat is het tweede beeld. 
God heeft wel wat van die rechter. Eindeloos blijft ze om haar recht vragen. Maar er gebeurt niets. Zondag aan zondag bidden we ons kyriegebed, en er verandert niets in deze wereld. Maar dat rijk wil maar niet komen. God heeft wel wat van die rechter. Nu ja, dat is nu net het punt. Dat is nu net het punt van vergelijking. De rechter ziet de mensen naar de ogen. Die rechter ziet die weduwe niet staan. Die rechter komt pas in beweging als hij voor zijn eigen hachje moet vrezen. Als hij zich bedreigd voelt. Maar dan komt het. Als zelfs die rechter in beweging komt, zegt Jezus. Hoeveel te meer dan niet God? En dan kun je het bijna invullen: God ziet niemand naar de ogen, allen zijn voor hem gelijk. Ieder schepsel doet er toe; ieder mensenkind mag er zijn God buigt niet recht wat krom is; hij zelf is de bron van alle recht;. God onderdrukt de weduwe en de wees  niet. God is heel anders dan die rechter. En daarom, omdat hij zo anders is, daarom zal God zijn uitverkorenen recht verschaffen! God wordt hier niet vergeleken met die onrechtvaardige rechter, nee, er wordt gewezen op het grote verschil. God is juist heel anders dan die rechter. Daarom zal hij recht verschaffen.
Oh ja? Is God heel anders dan die rechter? En Johannes de Doper dan? En dat eeuwig herhaalde kyriegebed dan? Hij laat zijn uitverkorenen toch wachten, net zoals die rechter die weduwe laat wachten? Ja. Dat weet de bijbelschrijver ook. Dat God zijn uitverkorenen laat wachten. En toch is God heel anders dan die rechter. Zelfs als die rechter, hoeveel te meer God. Zelfs al laat  hij hen wachten. En toch, onverwachts zal hij komen. Want het zal gaan als in de dagen van Noach. Niet: spoedig. Maar: onverwachts. Als niemand het verwacht.
Waarom de Heer ons laat wachten weten we niet. Dat is de kwellende vraag voor heel de kerk. Een antwoord krijgen we niet. Er wordt ons een vraag gesteld. Als de zoon des mensen dan komt, zal hij dan het geloof vinden op aarde? Zal hij nog het geloof vinden? Geloof jij echt dat Jezus over het water heeft gelopen? Geloof je die ook die kerstverhalen? Engeltjes door het luchtruim, en zo.. Zo spreken wij vaak over geloven. Maar dat alles raakt naar mijn bescheiden mening toch niet het hart van het Bijbelse geloven, en dus ook niet de kern van waar Jezus hiernaar vraagt.
Geloven, dat is: vertrouwen. Dat is: je ergens aan vasthouden. Dat is het met iemand wagen. Dat is : vasthouden, met heel je hebben en houden, jezelf toevertrouwen aan dat oude verhaal dat telkens in nieuwe vormen gestalte krijgt? Zullen er dan nog mensen zijn die zich toevertrouwen verhaal over God niet laat varen wat zijn hand begonnen is te doen? Dat is geloven: jezelf toevertrouwen aan dat oude verhaal dat deze werkelijkheid niet het laatste woord heeft? Wie zich daaraan toevertrouwt, komt anders in het leven te staan. Leeft anders. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man. Lot offerde nog liever zijn dochters op dan dat hij zijn gasten prijsgaf aan de wellust van zijn stadsgenoten. Gaat het om hebben of zijn? Om centen en citopunten? Geloven, dat is jezelf met alles wat je hebt toevertrouwen aan dat verhaal van Jezus
De gemeente zucht. Zij weet waar het om gaat. Het gaat om recht en gerechtigheid. Zij leeft in de herinnering aan het paradijs, en uit de verwachting van het Rijk dat komt. Daarom zucht zij. Daarom bidt zij ook. Bij wijze van spreken, dag en nacht. Wie niets meer te verwachten heeft, zal niet bidden. En wie niet bidt heeft niets meer te verwachten. Daarom is het gebed zo belangrijk.  Niet omdat God al onze gebeden verhoort. Dat doet God niet. Ons gebed doet niet in de eerste plaats iets met God. Ons gebed doet iets met ons. Het plaatst ons voor het aangezicht van de levende. Het gebed voor de maaltijd stemt ons dankbaar, opent ons hart voor de arme. Het gebed voor de vergadering brengt ons te binnen dat het niet gaat om macht, om het scoren, om onze doelstellingen, om ons kerkje. En het gebed op school vertelt ons dat het in dit leven niet gaat om centen en citopunten. En ja, het gebed doet ook wat met God. Waar een gemeente niet meer bidt, zal ze het contact met haar voedingsbron kwijtraken. En waar mensen niets meer verwachten, waar hun hart niet meer hoopt, worstelt, en juicht voor het aangezicht van de Levende, daar zal de levende langzamerhand uit haar leven verdwijnen, voetje voor voetje, stapje voor stapje. En waar de gemeente niet meer getuigt van recht en gerechtigheid, krijgen de onrechtvaardige rechters nog veel meer ruimte.
Zullen er straks nog mensen zijn, die leven in het vertrouwen dat de Heer die God is het laatste woord heeft?
Wie via de Bijbelverhalen een beetje in het hart van God heeft mogen kijken, weet dat hij zeker zal komen. Daarom vertelt Jezus deze gelijkenis, over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven. Het is geen gedram, maar volharding waar het om gaat, tegen alle schijnbaar noodlot in is het de Heer die zal komen. Dat vraagt een leven waarin de Levende een plaats heeft, en dus ook een leven waarin Hij en ik elkaar kunnen ontmoeten. Niet tot stichting en vermaak van een klein clubje uitverkorenen dat het zo gezellig heeft met elkaar. De leerlingen van Jezus werden uitgekozen om in deze wereld van deze God te getuigen, die zo heel anders is dan de machtigen van deze aarde.
Dat is waar de kerk over gaat. Zou moeten gaan. Want dat konikrijk, dat komt echt.

In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

 
spacer.png, 0 kB