|
Overweging uit de dienst van 9 augustus 2009, door ds. M. Visser
Lezen: Psalm 94 Gemeente, vooraf wil ik graag twee opmerkingen maken: Om mee te beginnen: wij hebben een zogenaamde ‘wraakpsalm’ gehoord. En nu is er een oeroud kerkelijk misverstand, namelijk dat die ‘God der wrake’ (gewelddadig, kwaaiig) voorkomt in het Oude Testament. Maar dat het Nieuwe Testament spreekt over ‘God is liefde’, en over ‘naastenliefde’. Resultaat is dat wij de God van het OT het liefst achter ons moeten laten, en het maar moeten doen met de God van het NT. Dat is dus onzin. De term ‘Oude Testament’ wil niet zeggen ‘verouderde testament’, maar wil zeggen: eerste en belangrijkste testament. Heel de schrift gaat over die ene. Mozes en de profeten én de apostelen getuigen van de ene naam, de God van Israël, die Jezus zijn Vader noemt. Het OT en het NT zo uit elkaar halen, dat is niet alleen een misverstand. Het is zelfs een ketterij. Al in de eerste eeuwen heeft de kerk dat idee afgewezen. ’t Is maar dat u het weet. Als u dat dus denkt (het OT gaat over de ‘God der wrake’, maar het NT gaat gelukkig over de ‘God die liefde is’), weet dan dat u in de hoek zit, bij de ketters. (Waar het trouwens soms best goed toeven is…) Ter illustratie dit woord uit de bijbel: Wreek jezelf niet, geliefden, maar: laat wel plaats voor de toorn. Want er staat geschreven: ‘Mij komt de wraak toe, ik zal het vergelden’ – spreekt de Heer. Dat schrijft de apostel Paulus (Rom. 12:19). Dan een tweede opmerking: wat ons misschien dwars zit bij het lezen, is dat de ‘toorn van God’, de ‘wraak van God’ eeuwenlang misbruikt is om macht uit te oefenen, om mensen klein te houden. Dan werd er gezegd: ‘Wees nu maar braaf, en wees nu vooral maar heel gelovig; want anders krijg je met Gods wraak te maken. In het hiernamaals. Dan ga je naar de hel.’ Zo is dit soort teksten eindeloos gebruikt voor allerlei vormen van bangmakerij. Bah! Nu ja, ik hoop dat u in ieder geval gehoord hebt, dat Psalm 94 in het geheel niet over de hel gaat, niet over de eeuwigheid, niet over een soort eeuwige verdoemenis, niet over een laatste oordeel aan het einde der tijden. De tekst is een schreeuw om hulp, en wel in het hier en nu. II Dat dus vooraf. Goed, en dan gaan we lezen. Maar dan schrikken we wel natuurlijk. Wraak-god, HEER! Wraak-god, flits tevoorschijn! Dat zijn woorden waar we van schrikken. En dat moet ook, natuurlijk. Het is niet de bedoeling dat dit gesneden koek voor ons is (‘Welja, ‘wraakgod’, prima, leuk…’). Nee, het is woedend, het vloekt, het is snijdend. En dat moet zo blijven. Anders halen we de angel eruit. Het is scherp, we schrikken ervan, en dat moet ook. Kunnen wij dit wel zo meezeggen? Deze Psalm, kunnen wij die voor onze rekening nemen? Misschien wel niet. Misschien voelt deze taal, deze manier van spreken, wel heel ver weg voor ons. Waarom zouden wij dit zo zeggen? Wij hebben het niet nodig, dat er één voor ons tevoorschijn flitst, met wraak, om iets te vergelden. Kijk, en precies op dat punt blijkt dat de bijbel misschien wel helemaal niet óns boek is. Precies op dat moment, als wij denken: ‘Hè, waar gaat dit over? Dit is mijn taal niet, mijn tekst niet…’ – precies op dat moment blijkt dat de bijbel misschien wel helemaal niet voor ons geschreven is. Dat komt dan aan het licht: de bijbel is misschien wel voor heel andere mensen geschreven. Ik weet nog goed dat één van mijn leraren, prof. Hemelsoet die ons exegese leerde, eens tegen ons, theologiestudenten, zei: ‘Ruik eens aan je bijbel.’ Wij keken elkaar verbaasd aan, natuurlijk. ‘Ruik eens aan je bijbel,’ zei hij nog een keer. Dus wij deden dat heel gehoorzaam. ‘Weet je wat je ruikt? Brandlucht! En weet je waarom? Omdat de bijbel een boek is van mensen, die net op het nippertje ontsnapt zijn aan het vuur, aan de ondergang. De bijbel is net op het nippertje gered van de catastrofe. Ruik je? De geur van de ondergang zit er nog aan.’ Zo. Daar zaten wij dan, in onze collegebanken. De bijbel is niet van ons. Niet voor ons bedoeld. Maar geschreven door mensen, en bedoeld voor mensen, die echte verdrukking kennen. Die echte ondergang hebben gezien. De bijbel is het boek van vervolgde joden, van gevluchte slaven, van geminachte en geslagen mensen. Het boek van de vermoorde messias. III De Psalm die wij vandaag tot ons door laten dringen, is een tekst precies uit zo’n soort situatie. Dat is geen tekst van mensen die gezellig met elkaar in de kerk zitten, en die straks naar huis gaan om koffie met koek te nuttigen. Het is de tekst van een verschoppeling. Hier is een mens aan het woord, die aan den lijve onrecht ervaart. En die er bijna aan kapot gaat. Een mens die leeft in een wereld waarin machtigen het voor het zeggen hebben, die praat uitslaan, maar die intussen gemeenheid bedrijven. Uw volk, HEER, verbrijzelen ze… Weduwe en vreemdeling brengen ze om, wezen vermoorden ze! Tja, dat is niet onze situatie. Zo is het bij ons niet. We weten dat het er op allerlei plekken in onze wereld precies zo aan toe gaat. In Afrika, in Zuid-Amerika. Afschuwelijk, precies zoals het hier staat. Maar gelukkig, in onze democratie hebben de meeste weduwen en wezen het goed. Er wordt voor hen gezorgd. (Het wordt trouwens wel kritisch als het over de vreemdeling gaat. Hoe staat het eigenlijk in onze samenleving met onze houding tegenover de vreemdelingen? In de bijbel is dat zo ongeveer gebod nummer één: zorg voor de vreemdeling binnen je poorten! Maar in onze politiek horen wij op dit moment heel andere geluiden over buitenlanders, moslims, allochtonen… Vanuit een partij die bezig is de grootste in het land te worden. Maar dat tussen haakjes.) Psalm 94 komt uit zo’n situatie: waarin zulk onrecht gedaan wordt. De mens van deze Psalm roept dat er toch één moet zijn, die dingen recht zet. Er moet er toch één zijn, alsjeblieft, die komt om de schoften een halt toe te roepen. Eén die komt om de ellendelingen te grijpen, ze van hun fiets te slaan. Om te zorgen dat het ophoudt, de onmenselijkheid. Zo wordt hier geroepen om recht: stampvoetend, krijsend bijna. Zo wordt hier geroepen om één die recht doet. Wraak-god, HEER, flits tevoorschijn! En kan dat dan zomaar? Kun je dus zomaar over God spreken, als één die komt om te vergelden? Ik zou zeggen: nee, niet ‘zomaar’. Niet in het algemeen. Maar wel als het vanuit de verdrukking is. Vanuit die situatie gesproken, kan dat dus. En dan móet het zelfs. En waarom? Gemeente, omdat God liefde is. Juist omdát deze God liefde is! Want ‘liefde’ dat is in de bijbel niet een soort wazig, algemeen, prettig gevoel. Nee, dat zijn daden. Dat is absolute solidariteit. Dat is totaal de kant kiezen van mensen in de verdrukking. Zie je, ‘God is liefde’ is niet hetzelfde als ‘God is lief’. ‘God is liefde’ wil zeggen: hij is een bevrijder, en hij is kwaad over alles wat het menselijk leven kleineert en verziekt. En daarop doet de mens van Psalm 94 zo dringend een beroep. Terecht. IV Maar dan klinkt er plotseling iets anders. Een verandering in de tekst, in de toon. Halverwege klinkt er plotseling een gelukwens! Daar klinkt plotseling het woord waar het hele Psalmenboek mee begint: Gelukkig (welgelukzalig!) de man die staat als een boom, geplant aan waterstromen. Dat is Psalm 1! Die waterstromen, dat zijn de stromen van Gods tora. Dat zijn de boeken van Israël, de onderwijzing van Israëls God. Geluk voor de kerel die Gij onderwijst in de tora, HEER! horen we plotseling. Welgelukzalig die man, die vrouw! Namelijk omdat je daar rust vindt, ondanks kwade dagen, zo staat het er. Er is rust te vinden bij die woorden. Je komt even tot rust. Bij die woorden kun je even schuilen. Die zijn een toevluchtsoord. Een vluchtheuvel. En waarom? Omdat je daar, in die woorden van de tora, ontdekt wie de God van Israël is. Al lezend, al studerend, al mediterend, ga je ontdekken dat hij, die God – dat hij zijn volk niet zal begeven. Hen die hem eigen zijn, zal hij niet verlaten! Wie is hij? Hoe is hij? Solidair! Hij blijft niet ver. Hij verlaat zijn volk niet. Plotseling klinken er heel andere tonen. Na het getier van het eerste stuk, wordt het nu wat stiller, intiemer. En volgens mij komt dat doordat de zanger nu plotseling zichzelf in het spel brengt. Plotseling horen we hem ‘ik’ zeggen. Dat heftige eerste stuk ging over de boosdoeners, de politici en de priesters die het volk verdrukken. Het ging over het onrecht tegenover de weduwen en de wezen en de vreemdeling in het land. Maar nu zegt de dichter plotseling: ik ben zelf zo’n mens in de verdrukking. Ik geef toe dat ik het ook over mijzelf heb. Het had maar weinig gescheeld, of ik was er niet meer geweest. Mijn ziel had in de doodsstilte gewoond. Dat ik er überhaupt nog ben, dat heb ik aan hem te danken, mijn God. Hij verkwikt mijn ziel. Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis – hij is bij mij (Ps. 23). ‘God is liefde’, zo heeft deze zanger beleden en geroepen. Maar dat was geen algemene uitspraak, geen theorie. Dat blijkt heel concreet te betekenen: Hij heeft mij lief. Ik word liefgehad. Ik ben niet alleen. Het is ineens heel persoonlijk. En eerlijk gezegd: ontroerend. V En precies op dat moment, namelijk op het moment dat die mens hier ‘ik’ zegt – merk ik dat ik mij toch aangesproken voel. Dat het niet meer ver is. Dat het misschien tóch over mij gaat. Ik zei aan het begin: de bijbel is het boek van gevluchte slaven, van mensen in de verdrukking. Niet van ons, mensen in welvaart, genieters van zoveel comfort. In ieder geval geldt dat van dit lied, deze schreeuw uit de diepte. Het is niet ons lied, zei ik. Maar ik denk dat ik het niet helemaal kan volhouden. Doordat de dichter plotseling zo persoonlijk spreekt, komt het dichtbij. Het zou kunnen dat het misschien toch over ons gaat. Die mogelijkheid moeten we toch maar open houden. Kijk, ons land, onze tijd is niet gevaarlijk voor ons. Maar toch. Misschien ben jij het toch: zo’n mens in de verdrukking. Die mens die schreeuwt om Gods bevrijding – misschien ben je het toch. Of je bent het ooit geweest. Deze Psalm spreekt, net zoals vele andere Psalmen, over vijanden, boosdoeners, schoften. Op het eerste gehoor is dat misschien bevreemdend. Gezegend ben je als je die ervaring niet hebt, met zulke boosdoeners, mensen die tégen je zijn. Maar tegelijk, er zijn toch talloze machten en krachten die zijn als zulke vijanden. Als ziekte je bedreigt, als eenzaamheid je in de greep houdt, als zorgen je niet meer loslaten – dan kun je er misschien toch van binnenuit iets van begrijpen. Ach, wat is er veel wat het goede leven bedreigt! En wat is het dan eigenlijk begrijpelijk, en terecht: die roep om een één die komt om te oordelen, om daar scheiding in aan te brengen. God die voor ons opstaat, tegen al dát. God die komt om vergelding voor ons te zoeken, die als een broeder voor ons instaat. Die de boze machten slaat! Zie je, misschien zijn wij het toch. Misschien is het toch een lied voor ons. Misschien is het zelfs – God zelf die ons deze woorden aanreikt. Dan is deze Psalm een Godsgeschenk: zodat we woorden hebben, om hem aan te roepen, als de dag komt dat wij hem nodig hebben. Lof zij u, Christus!
|