spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Preken arrow Marcus 7 (door ds. G.J. de Bruin)
Marcus 7 (door ds. G.J. de Bruin) PDF Afdrukken E-mail
Overweging 16 augustus (ged.) Marcus 7: 31-37 en Jesaja 35

 

In schitterende poëtische taal schildert Jesaja de messiaanse droom. Dat de hemel naar de aarde zal toekomen, dat de Eeuwige zal komen om ons mensen, die op wat voor manier dan ook ballingen zijn, te bevrijden. Blind, doof, verlamd… met alles wat ons mensen afhoudt van het echte menszijn, zal afgerekend worden. Houd moed, wees niet bang, uw God komt. In een bewerking: Dat blinde ogen worden geopend, dat doven eindelijk horen. De lamme zal opspringen als een hert, in alle dor- en doodsheid gaat het tintelen van leven.

 

De eerste volgelingen van Jezus die op de eerste dag van de week bij elkaar komen, proberen een beeld te vormen van die unieke mens met wie ze enkele jaren zijn opgetrokken. Ze vragen zich af: wie is toch deze Jezus, wat bezielt hem, wat gebeurde er op al die plaatsen waar hij zijn voet zette? Hoe bestaat het, al die mensen die naar Jezus toetrekken. Waar Jesaja over sprak, dat mens en wereld weer tot leven komen, licht dat niet op in wat Jezus zegt en doet?

 

De vraag is wat de eerste gemeente of wat Marcus aan ons door wil geven door te vertellen over een mens die doof is en moeilijk spreekt. Het moet toch om méér gaan dan de particuliere geschiedenis van één mens die tweeduizend jaar geleden leefde. Een allerpersoonlijkste gebeurtenis - daar blijven wij buiten, dan zijn wij slechts toeschouwers. Dan doen wij in het verhaal niet mee. Maar het kan natuurlijk ook dat de evangelist in de portrettering van die dove al zijn lezers op het oog heeft, heel de bewoonde wereld. Dat Marcus ons een spiegel voorhoudt: zo zijn jullie er aan toe: vaak horende doof en ziende blind, moeilijk sprekend, alsof jullie tong gevangen is.

 

Ik kan dit evangeliefragment niet lezen zonder aan Augustinus te denken die in zijn belijdenissen terugblikt op zijn jonge jaren. Het was de periode voor zijn grote omkeer, een periode die achteraf voor hem meer een schaduwleven was. Augustinus zegt over die periode: Veel te laat heb ik jou, God, lief gekregen. Binnen in mij was je, ik was buiten. En ik zocht jou als een ziende blinde. Toen heb jij geroepen en geschreeuwd; door mijn doofheid ben jij heen gebroken. Terugblikkend op de tijd voordat hem een licht opging, noemt Augustinus zichzelf blind en doof.

 

Dat brengt ons in de buurt van de man die door bekenden bij Jezus wordt gebracht. Hij wordt door vrienden op sleeptouw genomen. Eigen initiatief is er niet meer bij. Hij is beeld geworden van wie hulpeloos is, afhankelijk van de zorg van anderen. Er staat dat hij doof was en moeilijk sprak. Marcus gebruikt niet het woord doofstom en dan lijkt me maar beter ook. Doofheid wordt anders in verband gebracht met domheid maar die associatie is volstrekt misplaatst. Was is er aan de hand met die man? We weten er nauwelijks iets van. Hij wordt beschreven als iemand die gebrekkig spreekt. Kunnen spreken is kenmerkend voor ons menszijn. Wij zijn anders dan dieren, hebben een schat aan woorden om te communiceren. Dat leer je als er tegen je gesproken wordt.

 

Ik las het aangrijpende verhaal over een meisje dat van jongsaf aan door haar geesteszieke vader in een klein donker kamertje was opgesloten. Ze werd pas ontdekt toen ze dertien was. Al die jaren was er nooit tegen haar gesproken. Ze kon niet staan of lopen. Ze had zelfs niet geleerd haar eigen eten te kauwen. In de jaren die volgden, heeft het meisje alle zorg gekregen, die maar denkbaar was. Toch duurde het nog bijna zeven jaar voordat zij uit zichzelf een poging ondernam om zich te uiten en contact te leggen. Dat deed ze door een tekening te maken waar ze enkele woorden bijschreef. Op de tekening de ruwe omtrek van een vrouw. Daaronder had ze geschreven: ik mis mamma.

 

Of het ook vreselijk mis gaat, wanneer er tegen een opgroeiend kind niet gesproken wordt. Maar ook als er volop gesproken wordt, kan er van alles misgaan. We kunnen ons nog van alles herinneren uit onze jonge jaren, woorden die we moesten slikken. Dan werd ons gezegd: nu moet jij je mond houden want ik ben aan het woord; als grote mensen spreken moeten kinderen luisteren. Of: wat zit je nou weer te zeuren. Ben je daar bang voor? Stel je niet aan; bah, wat ben jij een angsthaas. Ieder mensenkind leert dat er grenzen zijn aan wat gezegd kan worden. In nogal wat families is er geen ruimte voor heftige emoties. Hoe vaak klinkt niet als een soort refrein: daar spreken wij niet over. Hoe vaak hebben mensen moeilijke ervaringen niet weggestopt in de hoop er geen last meer van te hebben. Dat soort strategieën is iets dat doorwerkt in onze cultuur. Wij verlangen naar een goed gesprek  maar communicatie is niet eenvoudig. In een gedicht van Ida Gerhardt krijgt een kind te horen: 't was veel beter dat jij nooit geboren was. Ida noemde haar gedicht treffend: 'Het distelzaad'.

Of er in het menselijke verkeer ook slecht zaad wordt gezaaid. Jezus was buitengewoon scherp toen hij met oog op dit soort praktijken sprak: Wie tot zijn naaste zegt: Dwaas, die zal vervallen aan het hellevuur. Je kunt door zo'n woord, of het nu dwaas is of iets anders totaal verschrompelen. Alsof je er voor een ander niet toe doet, niets waard bent. Terwijl je omgekeerd juist zo kunt groeien door woorden die je bevestigen. Wat zal die man, die bij Jezus wordt gebracht tijdens z'n leven niet allemaal gehoord hebben. Hoe komt het dat hij zo in zichzelf opgesloten is geraakt? Wie heeft het licht in hem gedoofd?

 

Jezus neemt de man apart. Hij brengt hem buiten het bereik van al die mensen die precies weten wat je wel en niet kunt zeggen. Hij wil hem als het ware losweken van alle uitspraken die over hem gedaan zijn, alles wat mensen van hem vinden. Uit dat diensthuis moet hij worden uitgeleid. Jezus ziet op naar de hemel. Als gaat hij de man voor in een blikrichting. Mijn God is ook jouw God. Weet waar je oorsprong ligt, de bron van je leven. Daar kun je kracht aan ontlenen. En dan volgt er een ritueel, in alle stilte. Jezus doet zijn vingers in de oren van de man. En wat wij al snel onsmakelijk vinden: hij brengt wat speeksel op de tong van de man. Als een moeder die wat spuug doet op de knie van haar kind dat gevallen is, zo bezweert Jezus deze man dat hij een kind van God is.

 

Er staat dat Jezus na deze intieme gebaren zijn ogen ten hemel heft en diep zucht. Een zucht doet soms meer dan woorden. Zou dat het zuchten zijn waar Paulus zo ontroerend over geschreven heeft. Over het zuchten waarin zoveel verlangen en verwachting te bespeuren is. Met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de kinderen van God. Om een nieuwe schepping gaat het, om geboorte. Na het zuchten van Jezus komt er één woord uit zijn mond, een woord als een gebed: Effata. Aramees is dat voor: ga open. Jezus bidt om het opengaan, om het openbaar worden van die toegesloten man. Hij bidt om het aan het licht komen van die mens, die a.h.w. opgesloten in een donkere kamer leeft. Ons menszijn staat of valt toch met de mogelijkheid om je te kunnen uitspreken? Effata: ga open. Breng de verborgen kanten van jezelf in kaart, al die brokstukken ongeleefd leven, ga niet langer op de vlucht voor je weggeduwde herinneringen, benoem wat in je leeft.

 

Meteen begint die man te spreken. Op dat 'onmiddellijk' stuiten we telkens in het evangelie de tijd wordt verdicht, alles gebeurt in grote vaart. In onze wereld duurt het eerder jaren voor iemand opengaat. Daar gaat een heel proces aan vooraf. Hoe lang heeft het niet geduurd voordat mensen gingen spreken over ervaringen uit de oorlog, in Nederland, in Duitsland of in voormalig Nederlands Indië? Ik zag Indiëgangers teruggaan naar plekken van onheil om zoveel als maar mogelijk in het reine te komen met wat er toen gebeurd is. Niets zo belangrijk als de waarheid. Dat opgesloten meisje had bijna zeven jaar nodig om zich voor het eerst uit te spreken, om bij haar waarheid te komen: Ik mis mamma.

 

Jezus wil niet dat wat er met die man gebeurd is overal bekend wordt. Hij beveelt de omstanders erover te zwijgen. Is dat niet vreemd? Wil hij de mensen wellicht op het hart drukken: staar je niet blind op die man, kijk liever naar jezelf. Bid om effata voor jezelf, bid om je eigen openbaarwording? Maar Jezus' aandringen op geheimhouding is tegen dovemansoren gezegd. We komen het vaker in het evangelie tegen. Jezus wil ons duidelijk maken dat ons leven een geheim kent. Dat geheim is eigenlijk niet te bevatten, met onze gewone zintuigen kunnen we het niet in onze greep krijgen. Het heeft alles te maken met de bron waaruit Jezus leeft, alles te maken met God. Laat het licht maar door je heen schijnen. Wat je erover zegt, doet er alleen maar aan af. En voortdurend liggen er misverstanden op de loer. Dan wordt Jezus in wat te berde gebracht wordt een soort alleskunner, een sterke man die alles kan. Het is alsof Jezus zulke uitglijders voorvoelt.

 

Enkele Farizeeërs vragen hem om een teken nadat hij een teken heeft gedaan. Ze staren zich blind op de buitenkant. De tekenen die Jezus doet, zijn helende ontmoeting met een dove en later met een blinde vragen ons om in de spiegel te kijken. Jezus zoekt ons te genezen van onze eigen doofheid en blindheid. Zijn gebed van toen voor die dove man geldt vandaag ons: Effata, ga open. Ga open voor het geheim van je leven. Laat God door je doofheid heen breken. Laat je raken.
 
spacer.png, 0 kB