spacer.png, 0 kB
Home arrow Kerkdiensten arrow Preken arrow “Wie ben ik” (door ds. M. Boogaard)
“Wie ben ik” (door ds. M. Boogaard) PDF Afdrukken E-mail
Gemeente van Christus,  

“Wie ben ik”. In één van zijn bekendste teksten stelt de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer deze vraag. Hij zit op dat moment in gevangenschap. Het zijn de jaren veertig van de vorige eeuw, en Bonhoeffer speelt een rol in het verzet tegen Hitler.
“Wie ben ik” vraagt hij zich af in zijn cel. Is hij de rustige, blije, evenwichtige man die zijn medegevangenen in hem zien, of is hij de angstige mens waarvan alleen hijzelf het bestaan kent? Is hij vandaag de een en morgen de ander? Of is hij beiden tegelijk?
Wie ben ik? Niet bij ieder zal die vraag op zo’n indringende wijze gesteld worden als bij een bewogen predikant als Bonhoeffer, en niet ieder zal er zo open en eerlijk over kunnen schrijven. Maar deze drie korte, simpele woorden vormen een zin waar niemand zomaar aan voorbij kan gaan. De vraag wie wij zijn is nu eenmaal met ons mens-zijn gegeven.

Je zou zelfs kunnen zeggen dat wij ons mens-zijn danken aan deze vraag. Door te vragen naar onze identiteit, naar de kern van ons bestaan, door onszelf iedere keer opnieuw recht in de ogen te kijken, daardoor worden wij pas echt mens. Niet alleen voor onszelf, maar ook voor anderen. De Vraag “Wie ben ik” houdt ons, als zij oprecht gesteld wordt,  in beweging en draagt bij aan innerlijke groei.

Zij gaat een leven lang mee, en neemt de gedaante aan van onze wisselende omstandigheden. In de puberteit, wanneer je als jongere op weg bent naar volwassenheid, klinkt zij anders dan in de ouderdom, waarin een mens terugblikt op wat is geweest. Dezelfde vraag heeft een ander karakter wanneer zij gesteld wordt tijdens  een sollicitatieprocedure of met een wijntje mijmerend bij de tent. In tijden waarin je lekker in je vel zit is zij minder urgent dan in periodes waarin van alles op je afkomt.
Het bijzondere van de kerk is dat al die uiteenlopende momenten elkaar op zondagmorgen ontmoeten. Wij brengen ze samen in de gemeenschap die wij vormen. Zo komen wij ook vandaag, middenin de zomer, in al onze diversiteit bijeen. Om te luisteren en om te vragen:  wie zijn wij? Wie ben ik?   Temidden van de tonen die wij zelf inbrengen, gerijpt of nog jong, luisteren wij daarbij naar een lied dat een grondtoon wil aandragen. Een Psalm, want deze zomermaanden lichten de Psalmen op in onze diensten. Psalm 139.

Nu moet ik er meteen eerlijk bijzeggen dat het niet meevalt om over de Psalmen te preken. Het is of die twee woorden, preken en psalmen, zich niet goed tot elkaar verhouden. De Psalmen zijn de liederen, de gezongen gebeden van de Bijbel. Ze zijn geschreven in poëtische taal, en die valt niet altijd uit te leggen. Die moet je door je heen laten gaan. Niet voor niets lazen wij de vertaling van een dichteres, Ida Gerhardt, die zij maakte samen met Marie van der Zeyde. Hoewel ook de NBV het dichterlijk gehalte van de Psalmen prachtig weergeeft. Wat ik met u wil doen vanmorgen, is daarom proberen om goed te luisteren naar die grondtoon, en ons daarop te aarden, opdat onze eigen vragen meer klankkeur en diepte krijgen.
"Heer die mij ziet zoals ik ben, dieper dan ik mijzelf ooit ken." Zo begint de berijmde versie in het liedboek. Hier wordt iemand aangesproken die mij kent. Gij doorgrondt, gij kent, gij weet, gij verstaat, hoorden wij de Psalmdichter zeggen. Alle wegen van een mens zijn deze Ene vertrouwd. Niets gaat buiten Hem om. Hij hoort ieder woord, Hij is voor, achter, rondom en boven tegelijkertijd.

Even doet mij dat denken aan een kerkgebouw waar ik ooit was, zoals er meerdere zijn, waar bovenin het koor een groot alziend oog geschilderd was, als om de kerkgangers eraan te herinneren dat niets wat zij deden of nalieten ongezien zou blijven. Het oog dat test en toetst, de verborgen camera die feilloos registreert. Het beeld van de eerste verzen van de Psalm kan iets beklemmends hebben. Maar tegelijkertijd: het gaat hier niet om het koude kennen, dat objectiveert en de mens langs een meetlat legt. Om het weten dat weegt en op zwaar of licht beoordeelt. Het Bijbelse kennen heeft altijd met een relatie te maken, van mens tot mens of van God tot mens. Het is geen kennen met het oog alleen, maar een kennen met het hart. Zo wordt in dezelfde verzen ook een ander beeld opgeroepen: dat van een God die zó nabij is dat onze dagelijkse dingen Hem ter harte gaan: ons zitten en opstaan, ons op weg gaan en ons rusten. Ons spreken, en vast ook ons zwijgen. Iemand die voor ons uit gaat én een steun in de rug is. Die ons omringt en een hand op onze schouder legt.

Vertrouwen en beklemming. Beide gevoelens springen naar voren uit de verzen van dit lied. Want wat komt aan het licht als er Eén is die alles van je ziet? Die weet wie je bent, in je beste momenten, maar ook in je schaamte en je onvermogen? Al die dingen die we zelf al niet graag onder ogen zien, laat staan dat we ze aan anderen tonen... Willen we een ander, al is het ook de Ander met een hoofdletter, daar wel toelaten, in het diepste van ons wezen? De primaire reactie van de Psalmist is maar al te begrijpelijk. Al zingend probeert hij eraan te ontsnappen. Als Jona, die probeerde weg te vluchten van wat de Eeuwige van hem vroeg: Waar kan hij gaan om aan die blik te ontsnappen die indringend en liefdevol tegelijk is? Is er een plaats waar hij níet gekend wordt? Waar hij zich niet in Godsnaam hoeft af te vragen wie hij is?

Maar al gaat hij tot het uiterste - God, wiens naam is ‘Ik zal er zijn’, de Ene, de Eeuwige, de Ongeziene, is daar. Zelfs de donkerste nacht doet Hem geen afstand nemen van de mens. Het eerste woord dat God spreekt is ‘Licht’, en precies op de helft van Psalm 139 wordt dat thema schitterend omspeeld: voor ú heerst in het duister geen duister: lichtend is de nacht als de dag, de duisternis is gelijk licht.

Het lijkt een omslag in de Psalm. Deze God, die het licht tot aanzijn heeft geroepen, deze God is immers de Schepper van elk mensenkind. Zijn kennen is een weten van binnenuit. In het meest verborgene van ons hart, in de donkerste plaatsen van onze levensloop is Hij nabij, omdat Hij er vanaf den beginne was. Uw ogen, staat er letterlijk, zagen mijn embryo.   Daar spreekt aandacht uit: alsof de Schepper zorgvuldig deze mens zó heeft gemaakt. Hij oordeelt niet van buitenaf.

Hij is verbonden met deze ene mens, als een ouder die liefdevol ziet wat haar kind meedraagt, aan kracht en karakter, aan nukken en grillen. Een kind dat er mag zijn, precies zoals het is Betekent dat dat alles wat wij meedragen, ook aan ziekte en handicaps, Godgegeven is? Ik geloof niet dat we dat meteen uit deze verzen kunnen concluderen. De schrijver wil geen theologische verhandeling geven. Hij bezingt zijn geloof.   En hij beseft gaandeweg dat hij zich niet kan en hoeft te verbergen voor Degene van wie hij het geschenk van het leven ontvangen heeft. Een toon van verwondering en vertrouwen neemt de overhand.

Weten wie je bent, dat is voor onze dichter allereerst: weten dat je gekend bent. Dat je bij je naam bent geroepen, en dat God Zijn naam met de jouwe heeft verbonden. Dat vanuit dat geloof alles er mag zijn en gezien mag worden, ook je schaduwkanten. Want een mens kan nergens gaan, of nooit zo diep kan vallen, of God is er ook. Niet voor niets is Psalm 139 de psalm van de Paasmorgen. Ontwaak ik, dan ben ik nog bij u, staat er in vers 18. In de poëtische vertaling die wij hoorden klonk dat ruimer, breder: Was ik radeloos - nóg was ik bij u.

 Het is bijna jammer dat de Psalm daar niet ophoudt. Het lijkt of de laatste verzen haar bemoedigende lijn ontsieren. Over vijanden gaat het plotseling, over haten wie God haten. Vaak laten we deze verzen daarom maar weg. Ze stroken niet met het geheel. Maar is dat wel zo? Als iemand leefde vanuit de waarheid van het gekend zijn, dan was dat Bonhoeffer wel. Hij wist van Gods genade. Maar juist daarom kon hij niet zwijgen, ten opzichte van mensen die hun medemensen onbarmhartig behandelden, en daarmee de menselijkheid geweld aandeden.

  Haat is in dit verband geen psychologische categorie,  geen gevoel, maar een keuze.  Een keuze voor een leefwijze waarin je er niet alleen zelf mag zijn, maar de ander ook. Een opkomen voor het recht van ieder om zichzelf te zijn, en je verzetten waar mensen onrecht wordt gedaan. Waar zij bijvoorbeeld enkel nog als groep worden gezien, die objectief  te meten is, en niet meer als medemensen.   ‘In den naam van God’ zei de Nederlandse theoloog Koopmans in de Tweede Wereldoorlog in een preek over Psalm 139, ‘en van het geloof en van de liefde hebben wij een grondig mishagen aan alle werkers der ongerechtigheid, en roepen hun toe: Neen, neen, neen!’ Na deze verstrekkende consequentie van zijn beleden geloof keert de Psalmist weer terug naar het begin. Zijn zoektocht is een gebed geworden, de beklemming is opgeheven: Doorgrond mij, God, ken mijn hart...............wijs de weg van de eeuwigheid mij.

“Wie ben ik”.
In zijn te korte leven is Bonhoeffer deze vraag blijven stellen. In de beslotenheid van zijn cel durfde hij zijn mens-zijn in alle facetten onder ogen te zien. Het bracht hem niet alleen dichter bij zichzelf en zijn geliefde. Het bracht hem ook dichter bij God. Zijn tekst eindigt met de woorden: “Wie ik ook ben, U kent mij, ik ben van U, mijn God”.

  Wie zijn wij? Die vraag kunnen wij niet voor elkaar beantwoorden. Maar wij mogen wel samen instemmen met dezelfde basistoon, die van Psalm 139. Wie wij ook zijn, er is er Eén die ons kent. Wij mogen er zijn. God zij dank.                                                                                                                                                                                                Amen
 
spacer.png, 0 kB