|
Overweging van 28 juni 2009, ds. G.J. de Bruin
Een vogel vliegt uit Lezen: Genesis 8: 1-12 Als ik u zou vragen wat we eerder aan de zes jongeren vroegen: welk dier zou u willen zijn, dan zijn er nogal wat onder u die zouden zeggen: een vogel. Vogels spreken tot onze verbeelding. Je zal maar kunnen vliegen. Wie zou dat niet willen? Stel je voor, even vliegen boven Middenhoven of Westwijk, het oude dorp van boven eens goed bekijken. Als vogel kun je de gekste capriolen maken, hoef je nooit in een rij voor de w.c. staan, kun je onbeschroomd iets laten vallen als je nodig moet en je kunt je als het waait heerlijk laten meevoeren op de wind. In de bijbel vliegen vogels af en aan. De mus en de zwaluw, symbolen voor de mens, vinden bij het altaar in de tempel plaats om een nest te maken, God die met een adelaar of arend vergeleken wordt, Elia die in de woestijn door raven gevoed wordt. In het evangelie over de doop van Jezus is ook sprake van een vogel; Gods Geest wordt vergeleken met een duif die op hem neerdaalt. Vogels die dalen en stijgen, ze verbinden hemel en aarde; wordt de ziel daarom met een vogel vergeleken? We zijn aan de aarde gebonden maar we willen onze zwaartekracht vergeten. Konden we maar vliegen... Laten we eens gaan naar dat verhaal van Noach met de duif. We moeten eens wat preciezer kijken naar die vogel. Eerst is er de vogel voor de vlucht, dan de vogel tijdens de vlucht en tenslotte de vogel na de vlucht. Wat zijn onze beelden daarbij? De vogel voor de vlucht is een vogel die opgesloten zit. Die zit daar, zo stel ik me voor in een kooitje. 't Is een gekooide vogel. Zo kunnen we ons voelen. We willen iets maar het lukt ons niet, we kunnen het niet of we mogen het niet. Betutteld worden door je moeder of vader: nee, dat kan jij nog niet, daar ben je te jong voor, betutteld worden door iemand op je werk, betutteld worden door je zoon of dochter: nee, dat kan jij niet meer, daar ben je veel te oud voor…Gekooide vogels. Mensen in dictatoriale landen die niet mogen zeggen wat er mis is, mensen in Iran die niet de straat op mogen, er zal hard worden opgetreden: ze zitten in feite in een kooi. Jonge kinderen in derde wereld landen die niet naar school mogen, maar moeten werken: het zijn jonge vogels in een kooi. We zingen in dit huis soms over een vleugellam geslagen ziel (Psalm 42). Zo kun je je voelen: vleugellam. Vleugellam als je gezondheid je in de steek laat. Vleugellam als je door de crisis zonder werk bent geraakt en je je nu overbodig voelt. Vleugellam als je je opgesloten voelt in je eigen gedachten. Denken dat je niets waard bent, dat er iets van je gevraagd wordt wat je niet in huis hebt. Wat een geluk als er mensen zijn die je steunen, die hun vertrouwen in je uitspreken. Je boft als je naar school gaat met de uitspraak van je moeder of je vader nog in je oren: zeg, je kunt een heleboel. Of als de juf of meester dat tegen je zegt. Wat een geluk als collega's op je werk dat met zoveel woorden tegen je zeggen. Want je vleugellam voelen, dat is vreselijk. Een vogel in een kooi is de wereld op z'n kop. Een vogel hoort te vliegen. Daarmee kom ik bij het tweede beeld: de vogel tijdens de vlucht. De duif die Noach loslaat, heeft haar vleugels een tijd niet kunnen uitslaan maar nu vliegt die vogel. Heerlijk, die vrijheid. Hoe fijn om te merken dat je op eigen kracht kunt vliegen. Maar onder je bevindt zich een uitgestrekte watermassa en dat is wel schrikken. Water is in het bijbels Verhaal zowel positief als negatief. Water lest onze dorst, is levensnoodzakelijk maar als je al dat water onder je ziet, kun je ook denken: help, ik verdrink. Water staat ook voor de oervloed, voor chaos. Ons leven is kwetsbaar, het is een hele kunst om het hoofd boven water te houden. In nieuwe situaties moet je steeds weer leren vliegen. De grote vraag is: als je daar zo vliegt boven die vloed, waar ontleen je dan je draagkracht aan? Wat of wie houdt jou in de lucht? Wie zegt ons dat we de moeite waard zijn, dat we kostbaar zijn? Die zes jongeren die vanochtend door de kindernevendienstcommissie worden uitgezwaaid, hoe komen zij aan het vertrouwen dat het goed zal zijn op de nieuwe school, dat ze er leuke medeleerlingen zullen treffen waarmee je kunt lachen, docenten met wie je kunt praten? Dat vertrouwen moet groeien. Maar goede ervaringen op je oude school, herinneringen, lieve woorden, vrolijke momenten: dat alles geeft je draagkracht; geeft je vertrouwen. Het laatste beeld is de vogel na de vlucht. Het verhaal wijdt er één zinnetje aan: de vogel keerde niet meer naar Noach terug. Je kunt je afvragen: hoe zou het verder gaan met die vogel, nu hij op aarde is geland? Dat blijft open in het verhaal. Je ouders hebben nu misschien even wat gemengde gevoelens: een vogel die niet meer terug keert… Ho, ho, je gaat naar de eerste klas van een nieuwe school en van die school moet je weer terug naar het nest. En graag op tijd thuis, je weet hoe laat we eten, je ouders gaan niet, net als Noach, eindeloos zitten wachten. De vogel van Noach komt uiteindelijk niet terug, die heeft tenslotte vaste grond gevonden. Zij hoeft niet meer eindeloos te vliegen, boven de vloed. De vogel kan gaan rusten, de vleugels invouwen. Op een tak gaan zitten, met andere vogels wat gaan zitten 'bomen'. Een tak draagt je, naast de inspanning van het vliegen is er de ontspanning. Grond onder de voeten, dan kun je genieten, dan ervaar je: ik ben er niet zomaar, anderen laten me merken dat het goed is dat ik er ben. Voor jullie alle zes geldt dat en je ouders zeggen dat met zoveel woorden tegen je, al geven ze je ook wel eens op je kop, groten zeggen dat tegen elkaar al maken ze ook regelmatig ruzie, in het klein en in het groot. Ons leven zal wel altijd iets hebben van die drie beelden, de vogel voor, tijdens en na de vlucht. Momenten van gekooid zijn, van tegen de muren opvliegen, je klein voelen. Momenten van vliegen boven de zee, met alle spanning van dien. Angstig heen en weer vliegen, rusteloos zijn, waar kan ik landen? En momenten van neerstrijken, van rust, ontspanning, geluk. Het geloof heeft iets van een vogel die zingt als de nacht nog donker is. Wie gelooft is als een vogel, heeft aan de aarde eigenlijk niet genoeg. Wij verlangen naar meer, naar lichtheid bij alle zorgen, naar het onbezorgde van vogels. Ze zaaien niet, ze maaien niet, ze verzamelen niet in schuren, ze weten van het geheim van het leven, van een hemel die de aarde omarmt. God zelf wordt met een vogel vergeleken, hoorden we al eerder. God waakt over de wereld, als een vogel in de lucht. Babette, Arian, Stan, Pim, Tjalle en Stefan, jullie vanmorgen een beetje als uitvliegende vogels… Jezus wijst jullie op vogels. Die vogels herinneren aan Gods zorg voor mensen. Dat is misschien nog wel belangrijker dan je rapportcijfers, nog belangrijker dan de baan die je later krijgt. Op straat kun je soms horen dat het in het leven om een groot huis of een grote auto gaat, maar zou dat je nu echt gelukkig maken? In de kerk zingen we over de liefde van God die tastbaar wordt in wat mensen voor elkaar betekenen. Hier horen jullie dat God je omringt, je draagt als op adelaarsvleugels. Halleluja!
|