|
Voor 1960 werden in de kerkelijke stukken de mensen gewoonlijk aangeduid met hun achternaam, voorafgegaan door het woord 'broeder' of 'zuster'. Het is dan ook opvallend, dat dit gij het noemen van organisten niet gebeurde maar dat dan in plaats van het plechtstatige voorvoegsel voornamen gebruikt werden. Dat was vaak ook het geval bij Barend Blekkenhorst. Of die gewoonte te maken had met de vrij jonge leeftijd van sommige musici of met hun kunstenaarsschap is onduidelijk. Het doet ook wat vertrouwelijk aan en dat mag ook wel bij iemand, die vijftig jaar lang de organistenfunctie in de Handwegkerk bekleed heeft.
Het begon in 1944. Na het vertrek van de eerste professionele organist Piet Post, had men om onduidelijke redenen eerst enige tijd met invallers gewerkt. Maar in de voorzomer van 1944 plaatste de kerkenraad een oproep voor een nieuwe beroepskracht waarop twee mensen reageerden. De ene was Barend Blekkenhorst, de andere Zwier Adriaanse, die al- enige tijd was ingevallen en wiens prestaties men dus reeds kende. Waarschijnlijk onder de druk van de tijdsomstandigheden besloot de kerkenraad dit keer geen commissie van deskundigen in te schakelen -maar de benoeming in eigen hand te houden. Daarom nodigde zij Barend Blekkenhorst uit om tegen een bepaald bedrag in september 1944 een maand op proef te spelen in de Handwegkerk. Dat gebeurde en daarna zou de beslissing vallen. Maar tegen die procedure kwam uit de gemeente protest: zo'n benoeming kon onmogelijk op een objectieve manier plaatsvinden. Het gevolg was, dat de benoeming op de lange baan geschoven werd. Toen in de zomer van 1945 Adriaanse in militaire dienst m oest, was het probleem voor de kerkenraad opgelost en werd Barend Blekkenhorst benoemd. Vol ijver ging hij aan de slag; volgens de kerkenraad op een bepaald moment zelfs met te veel ijver. In 1947 werd hem te verstaan gegeven, dat de voorspelen te lang waren en voortaan dus korter moesten. Blekkenhorst wilde echter het volle pond geven en vroeg daarom of het dan niet mogelijk was, dat er meer psalmen gezongen werden. Barend Blekkenhorst is weliswaar geen herder en leraar geweest maar wel een leraar. Men denke maar aan de momenten, waarop het gordijntje voor de orgelnis weggeschoven werd en hij enigszins vooroverhangend, de gemeente vermanend toesprak toesprak wanneer die halsstarrig fout bleef zingen ondanks de duidelijke aanwijzingen vanaf de orgelbank. Minstens twee keer heeft hij de gemeente over een grotere periode onderricht gegeven. De eerste maal was dat in de jaren vijftig toen het ritmisch zingen werd ingevoerd. Na het verschijnen van het Liedboek voor de Kerken in 1973 heeft hij samen met een kleine enthousiaste groep, soms jeugdige zangeressen enkele jaren voor de dienst de minder bekende melodieën van een aantal gezangen geïntroduceerd. Ook voordien al had Barend Blekkenhorst voor de aanvang van de kerkdienst met de gemeente gezangen ingestudeerd, daarbij gebruikmakend van de bundel Geestelijke Liederen uit de Schat van de Kerk der Eeuwen. Evenmin als een predikant kan een organist het iedereen naar de zin maken. 1969 wordt in een brief aan de KAz de klacht geuit dat'... het tempo dat schier ademloos is vanwege de snelheid: men heeft geen tijd de betekenis van de woorden in zich op te nemen en men is aan het einde van het gezang ademloos... Ik heb in vele delen van ons land en daarbuiten gewoond, maar zoals hier trof ik nergens aan...'. De KAZ is het niet met de briefschrijver eens, andere kerkgangers ook niet want die vinden juist, dat hij te langzaam speelt. Blekkenhorst gaat bij de klager op bezoek. Of zij het met elkaar eens geworden zijn, weten wij niet.' Ondanks het feit, dat Blekkenhorst meer dan eens over de kwaliteit van orgel geklaagd heeft - en de deskundigen vielen hem daarin bij - is hij op den met het instrument vergroeid geraakt. Hij vertroetelde het: met sleutels en hamer stelde hij de tonen bij beklopte hij de orgelpijpen - als men dat vertroetelen mag noemen - en met emmers water trachtte hij de vochtigheidsgraad op peil te houden. Dat alles nam niet weg, dat er nu en dan een toon bleef hangen. Dat was niet zijn schuld; hij moest het tenslotte doen met het orgel, dat de gemeente ter beschikking stelde. In allerlei opzichtwas hij het muzikale element van de eredienst toegewijd. Toen in de Handwegkerk een huwelijk zou worden ingezegend van een paar waarvan de bruid de Zweedse nationaliteit bezat, liep hij stad en land af om de muziek van het Zweedse volkslied te bemachtigen. Uiteindelijk kreeg hij die via de Zweedse ambassade in handen. Met verbazing maar meer nog met ontroering hoorden de Zweedse bruiloftsgasten de vertolking van hun nationale hymne aan. Al met al is het geen wonder, dat hem bij zijn veertigjarig jubileum in 1985 de eremedaille van de Gemeente Amstelveen werd toegekend. Tot aan het einde zijn leven in 1995 heeft Barend Blekkenhorst met al zijn gaven en krachten de Handweggemeente gediend. Daardoor zal hij nog lang in onze herinnering leven.
|