Na een lange tocht kwam de duif terug bij de dieren. Soms nam de duif iets mee van haar reizen. Een souvenir, een cadeautje... Dit keer had de duif iets uit de hemel meegenomen. Maar wat was het? De dieren hadden het nog nooit gezien. Ze snuffelden eraan, pikten er met hun snavel in… maar geen enkel dier wist wat het was. De duif wist het wel. Het is een lied, zei ze. Het is een geschenk uit de hemel voor jullie allemaal. De dieren wilden weten wat je met een lied kon doen. Je kunt een lied zingen, sprak de duif plechtig. Zingen? Daar hadden de dieren nog nooit van gehoord. Neem het lied maar, zei de duif. Je zult merken dat je een lied kunt zingen. En als je gaat zingen, word je vrolijk. Jullie niet alleen, de hele wereld wordt er vrolijk van.
De dieren wisten niet zo goed wat ze tegen de duif moesten zeggen. De leeuw schraapte zei keel en sprak: Ik ga mezelf niet belachelijk maken door een lied te zingen. Dank je de koekoek. Hij draaide zich om en liep weg. De vos vroeg aan de duif of je van zingen slimmer wordt; dan leek het hem wel wat. Nee, zei de duif, niemand wordt slimmer van zingen. Maar de wereld wordt er wel vrolijker en mooier van. Toen de vos dat hoorde, bedankte hij beleefd en vertrok. Ook de andere dieren wilden niets van het lied weten. De eekhoorn zei het zo druk te hebben met het opeten van haar wintervoorraad eikels en kastanjes dat zij geen tijd had voor de noten van het lied. De kraai was bang dat als hij zou gaan zingen geen enkel Amstelveens kind 's avonds nog rustig in slaap zou vallen. Daar kon de duif zich wel iets bij voorstellen. Alle dieren verzonnen een smoes om niet te hoeven zingen.
Hebben jullie koeien wel eens horen zingen? Varkens? Ook zij hebben dus smoezen verzonnen! Wie dan niet deden waren de kleine vogels. Die voelden zich er niet te belangrijk voor, zoals de leeuw; ze hadden het niet te druk, zoals de eekhoorn. De kleine vogels wisten hoe lelijk en verdrietig de aarde soms kan zijn. Ze vonden het een goed idee om de aarde vrolijker te maken. Duif, mogen wij het geschenk dat je hebt meegenomen? Mogen wij dat lied? De duif was heel blij met die vraag. De vogels kregen het lied. Sindsdien hoor je de kleine vogels zingen. Wat zou de wereld vandaag zijn zonder het lied van de merel, het getjilp van de mus, de zang van de nachtegaal in de avond?
Projectkoor Nederlandse Johannes Passie
Projectkoor Nederlandse Johannes Passie van J.S. Bach o.l.v. Marcel den Dulk
Op Palmzondag 17 april 2011 wordt door een projectkoor de Johannes Passie van J.S. Bach gezongen in de Handwegkerk. Het gaat om een heel bijzondere uitvoering: voor het eerst zal de hele Passie worden uitgevoerd in de Nederlandse taal.
Zoals in de tijd van Bach gebruikelijk was, zal de Passie centraal staan in een kerkelijke viering, waarin het koor de functie heeft van Cantorij. Ook de gemeente neemt deel in een aantal koralen. Het was destijds Luthers stellige wens dat er in de eigen taal van de gemeente werd gelezen en gezongen. (voor Bach was dat de Duitse taal). Daarom sluiten wij ons bij die liturgische traditie aan door ook nu de Passie in onze eigen taal te zingen.
U wordt van harte uitgenodigd om in dit projectkoor mee te zingen! U krijgt een ingezongen studie-CD, zodat u voldoende gelegenheid hebt om naast de gezamenlijke repetities uw koorpartij te leren kennen. De koorrepetities zijn op de volgende data, in de Handwegkerk
repetities Sopranen en Alten: tijd: woensdag 02 maart 20.00 - 22.00 uur SATB vrijdag 11 maart 20.00 - 22.00 uur SA vrijdag 18 maart 20.00 - 22.00 uur SA zaterdag 26 maart 10.00 - 13.00 uur SATB woensdag 30 maart 20.00 - 22.00 uur SATB vrijdag 01 april 20.00 - 22.00 uur SATB woensdag 13 april 20.00 - 22.00 uur SATB zaterdag 16 april 10.00 - 13.00 uur GENERALE REPETITIE zondag 17 april 10.00 - 13.45 uur Palmzondagdienst
repetities Tenoren en Bassen: tijd: woensdag 02 maart 20.00 - 22.00 uur SATB woensdag 16 maart 20.00 - 22.00 uur TB woensdag 23 maart 20.00 - 22.00 uur TB zaterdag 26 maart 10.00 - 13.00 uur SATB woensdag 30 maart 20.00 - 22.00 uur SATB vrijdag 01 april 20.00 - 22.00 uur SATB woensdag 13 april 20.00 - 22.00 uur SATB zaterdag 16 april 10.00 - 13.00 uur GENERALE REPETITIE zondag 17 april 10.00 - 13.45 uur Palmzondagdienst
U kunt zich opgeven via email:
Vermeld dan svp: • Naam • Adres • Stemsoort • Ik heb al eens eerder / ik heb nog nooit de Johannes Passie (in het Duits) gezongen.
U kunt u ook telefonisch opgeven bij Nathasja en Pieter Legerstee, tel. 640 7858.
Bezoek aan de Ulu moskee in Amsterdam
Een bezoek aan de Ulu moskee in Amsterdam
Op zondag 16 januari waren 22 tieners van de tienerdienst niet in hun wijkkerk maar met hun leiding in de Ulu moskee in Amsterdam. Sophie vertelt haar verhaal over dit bezoek.
‘U hebt vast al enkele verhalen gehoord over het uitstapje naar een moskee in Amsterdam. Ook ik, als buitenstaander, mocht mee, uitgenodigd door Mirthe. En ik ben blij dat ik ben meegegaan, want het was erg interessant. Ik kan u nu gaan vertellen over het middaggebed, maar om eerlijk te zijn, was dat niet wat het meeste indruk op me maakte. Wat ik persoonlijk het interessants vond, was de rondleiding die er na het middaggebed werd gegeven en vooral wat me daaraan opviel. Natuurlijk speelt het geloof een belangrijke rol in het leven van moslims. Zeker weten; een veel grotere rol dan wij het vaak in ons leven geven. Maar er is nog één ding dat voor hen nog belangrijker is. Hun jeugd. In de verschillende ruimten die ook nog een deel uitmaken van de moskee, wordt er een hoop gedaan om hun jeugd goed voor te bereiden op wat hen te wachten staat. Zo worden er bijlessen gegeven, treft men voorbereidingen op de Cito-toets in februari, leren kinderen Turks, lezen uit de Koran en nog veel meer. Ook hebben de jongeren hun eigen ruimte, waar ze kunnen doen wat ze willen - onder toezicht natuurlijk. Daar staat er bijvoorbeeld een biljarttafel, kan er tafelvoetbal gespeeld worden en er hangt zelfs een TV! U begrijpt misschien wel wat de eerste reacties waren. En een groot deel van alles wat er gedaan wordt, wordt gedaan door vrijwilligers. Zelfs de renovatie die een tijdje terug in de moskee werd gedaan, werd voor een groot deel geregeld en gedaan door vrijwilligers. Ik vind het heel bijzonder dat er mensen zijn die daaraan graag vrijwillig hebben willen meewerken. Natuurlijk, vrijwilligerswerk komt vaker voor, ook bij ons in de kerk, maar soms lijkt het zo vanzelfsprekend dat wij vergeten hoe speciaal het eigenlijk is. En op die dag realiseerde ik me weer hoe erg we elkaar eigenlijk nodig hebben. Kortom, naar mijn idee vormen de mensen met elkaar een hechte gemeenschap, die meer deelt met elkaar dan alleen het geloof. Het zijn mensen die beseffen hoe erg ze elkaar nodig hebben en die heel veel om elkaar geven. Volgens mij kunnen wij een hele hoop van hen leren!’
En hoe de anderen het ervaren hebben? Hier hun reacties; Het was nieuw, leuk, interessant & leerzaam. Uit respect, hebben wij amateuristisch onze sjaals op onze hoofden gebonden, en zo het middaggebed bijgewoond. We hebben er veel van geleerd & het was een leuke ervaring."
PJR Inke Otting
Herman (door ds. G.J. de Bruin)
Herman
Hebben jullie wel eens van Herman van Veen gehoord? Misschien heb je hem wel eens op de televisie gezien. Hij is iemand die overal in theaters optreedt, hij vertelt verhalen, draagt gedichten voor, speelt prachtig viool en zingt liedjes. Dat zingen niet in de laatste plaats. Herman houdt er heel erg van om te zingen.
Toen hij tien jaar was, kon hij zingen 'als een meisje'. Zo noemde hij dat, hij bedoelde dat hij heel hoog kon zingen! Na een soort musicalvoorstelling waarbij hij samen met andere kinderen gezongen had, kwam er een meneer, een pater naar hem toe en die vroeg aan Herman of hij ook in een kerk wilde komen zingen. Herman wilde wel, maar wist dat hij dat als tienjarig ventje thuis moest gaan vragen. De moeder en vader van Herman waren niet katholiek, ook niet protestant, ze waren om het eens gek te zeggen niks! De moeder vond het zingen van Herman in de kerk maar niks, maar niet niks genoeg om het hem te verbieden. 'Als jij daar wilt gaan zingen, vooruit dan maar…' Herman blij, hij zong de sterren van de hemel, de beelden in de kerk begonnen haast te wenen van ontroering. Na enkele keren vroeg de pater of Herman katholiek was. Uit angst weggestuurd te zullen worden, zei Herman dat hij heel katholiek was en om de pater nog meer te overtuigen voegde hij er aan toe: u moet weten, mijn opa was priester! Na afloop van de kerkdienst kreeg Herman als bedankje een stempel van een vis op z'n hand. Die vis is de handtekening van Jezus, zei de pater tegen Herman.
Thuisgekomen liet hij de vis op z'n hand aan zijn moeder zien. Kijk eens mama, ik ben nu katholiek. Z'n moeder trok haar wenkbrauwen op, alsof ze het nog niet helemaal geloofde. Inmiddels begon het buiten heel donker te worden, het zag eruit of het elk moment zou gaan regenen. 'Herman, wil je me even helpen bij het binnenhalen van de was.' Halverwege de waslijn gekomen, begon het inderdaad te plenzen. Met een volle wasmand terug in de keuken zag Herman dat zijn Jezusstempel met de vis door het regenwater was uitgewist. Wat vond hij dat jammer. 'Mama, moet je eens kijken naar mijn hand.' 'Herman, het is goed zo, zei zijn moeder. Vissen horen in het water!'
Matteüs 4: 12-22 (door ds. G.J. de Bruin)
Matteüs 4: 12-22 (en Jesaja 49 ged.)
Jezus moet uitwijken… Er staat een Grieks woord dat iets van de dreiging voelbaar wil maken, dat zinspeelt op een vlucht. We hebben immers te maken met een land dat lijdt onder een bezetting van een vreemde mogendheid. Ieder verzet tegen de keizer wordt onmiddellijk de kop ingedrukt, her en der worden mensen gekruisigd. In het land is een koning aan de macht die bloed aan z'n handen heeft, die op wrede wijze z'n vrouw heeft laten ombrengen. Straks wacht Johannes de Doper hetzelfde lot. In die donkere, dreigende wereld wijkt Jezus uit, hij heeft misschien al een voorgevoel van wat hem te wachten staat.
Mensen worden geroepen. Een predikant, werkzaam in de gevangenis, vertelde over een man die om de haverklap door z'n remmen ging en dan weer een periode moest zitten. De man was iemand met een tienrittenkaart, zoals dat heette in het huis van bewaring. Zodra hij binnen was, ging de man trouw naar de gespreksgroep. In die groep begon de man altijd met eenzelfde vraag: dominee, ik wou u eens wat vragen, hebt u roeping? De collega meende dat hij een aardig antwoord op die vraag kon geven, maar mettertijd begon het hem wel te irriteren dat de vraag om de paar maanden terug bleef komen: hebt u roeping? Tijdens supervisie werd aan de predikant gevraagd: wat vraagt die man nu eigenlijk? Waarom stelt hij steeds deze vraag… De supervisor meende het te weten. Na nog weer een paar maanden kreeg de predikant van zijn vaste bajesklant opnieuw de vraag naar zijn roeping… maar reageerde nu niet met zijn standaardantwoord. Hij koos dit keer voor een andere weg: Als ik het goed hoor, vraagt u zich af of er wel een God is die roept, u bent benieuwd of ik daar ervaring mee heb, want u hebt die ervaring niet. Bedoelt u dat? De man antwoordde bevestigend.
Hij zei daarmee wat op momenten ook door ons heen kan gaan: is er wel iemand die ons roept? We kennen misschien bijbelse verhalen over mensen die geroepen worden: Mozes, Samuël, Elisa, Jesaja, Jeremia, noem ze maar op, maar of we ons nu onmiddellijk met hen kunnen vereenzelvigen… We kunnen hun roeping als iets bijzonders zien, als zo'n doorbreking van het alledaagse leven, dat we wel moeten concluderen dat roeping niet voor ons is weggelegd. Maar is roeping dan iets voor een enkeling, eens in de zoveel tijd? Daar werd ik afgelopen week bij bepaald toen iemand me vroeg waar het de komende zondag over zou gaan. Voor ik er erg in had, kwamen we te spreken over Albert Schweitzer in Lambarene. Als er nu iemand roeping had, dan toch Schweitzer… om je als arts en theoloog en begaafd organist ergens in de rimboe te vestigen. Maar waarom zou hij wel geroepen worden en wij niet? Achteraf vind ik dat ik mijn gesprekspartner te kort heb gedaan. Had ik maar de gevatte reactie van een abt paraat gehad, die op de vraag hoeveel roepingen de abdij had, antwoordde met het getal van degenen die lid waren van de communiteit. Naar verduidelijking gevraagd, zei hij: wij allen worden elke dag opnieuw geroepen. Roeping dus niet als iets bij uitzondering voor een enkeling, maar telkens opnieuw en niemand die wordt overgeslagen.
Het opmerkelijke van de roepingsverhalen uit de Schrift is dat de geroepenen graag watjes in hun oren zouden willen hebben. Hadden ze maar niks gehoord. Ik ben een stotteraar zegt Mozes, volkomen ongeschikt. Wee mij zegt Jesaja. Ga weg van mij zegt Petrus. Zij achten zich niet capabel, willen van hun geroepen zijn eigenlijk niet weten. Dat is blijkbaar des mensen. Dat we ons afsluiten voor de mogelijkheden om nuttig en nodig te zijn, afsluiten voor de vervulling in ons leven.
Jezus, lopend langs het meer, roept Simon en Andreas terwijl ze aan het vissen zijn. 't Zijn geen mensen met een bijzondere staat van dienst, ze krijgen ook niks te horen over eisen die gelden wil je een volgeling van Jezus zijn. Ze hoeven niet in te zitten over eigen ontoereikendheid, Jezus kijkt vooral naar hun mogelijkheden. Gewone mensen die geroepen worden. Nu is het echt van belang dat we in die vissers op het meer onszelf ontdekken. Dat we elkaar aanstoten en zeggen: kijk, dat zijn wij, druk in de weer met onze netten. Druk met van alles, met ons werk, met het huishouden, met de kinderen op tijd op school of bij de crèche te krijgen, druk met een rapport dat geschreven of gelezen moet worden, druk met de opvang van een ziek kleinkind, met het verlenen van mantelzorg, met een vergadering die eraan komt.
't Is gemakkelijk gezegd om je met die vissers te identificeren, zal iemand nu opmerken, maar Jezus komt toch niet vandaag voorbij? Ik zou willen antwoorden: toch wel. Je moet alleen wel verduveld goed je oren en ogen openzetten. Zou hij ons niet kunnen roepen in een mens die ons nodig heeft? Kunnen we niet geroepen worden door een situatie, door een gebeurtenis die een beroep doet op onze verantwoordelijkheid. Ik herinner me nog dat verhaal over een boer die te maken kreeg met een Engelse piloot die in de oorlog neerkwam op zijn grond. Ik had er niet om gevraagd zei die boer, het was echt niet 'boer zoekt piloot', maar toen hij daar gewond op mijn terrein lag, lag hij er voor mij. Van het ene op het andere moment mijn verantwoordelijkheid, zei die boer, ik wist wat me te doen stond. Zo schuilt er in ieder van ons iets van de vissers die aangesproken worden. Elk moment kan er aan onze netten getrokken worden, kan er stem klinken die ons roept.
Simon wordt geroepen met aandacht voor wie en wat hij is. Als het goed is zijn Nelleke en Corina voor hun dienstwerk gevraagd met aandacht voor wie zij zijn, net als Simon. Je kunt je aan hem spiegelen. Simon hoeft geen timmerman of metselaar te worden. Op een nieuwe manier kan hij verder gaan met zijn oude beroep. Simon, mag een mensenvisser worden. Hij mag dus doen waar hij al goed in is. Onze roeping heeft derhalve te maken met waar we aanleg voor hebben. Hoe zou ons gevraagd kunnen worden, waar wij totaal ongeschikt voor zijn? Het komt voor dat mensen te gering van zichzelf denken, er moet wel eens op iemand ingepraat worden. Zoals er ook zijn die zichzelf overschatten. Zestien miljoen bondscoaches tijdens een groot voetbaltoernooi… Maar die overschatting zal in een kerkelijke gemeente toch wel niet voorkomen…
Simon weet het nodige over vissen. Het is zijn stiel. Voortaan zal hij mensen opvissen. Een opdracht die ons wellicht niet onmiddellijk als muziek in de oren zal klinken. Visser van mensen: is dat niet een wat ongelukkige beeldspraak? Ik zie direct een beeld van naar adem happende vissen op het droge. En waar we associaties hebben met kerken die mensen proberen te vangen, krijgen we het al snel benauwd.
Ik denk dat Jezus zijn leerlingen vraagt, waarin hij ze zelf voorgaat. Hij heeft oog voor de mensen in het donker, laat zich niet ringeloren door de vrome praktijk van religieuze betweters, haalt mensen als Zacheüs uit hun isolement, laat z'n vroege vrienden niet vallen als ze door het ijs zakken. Hijzelf bij uitstek een visser van mensen. Wij allen horen: ga heen, doe evenzo. Steek je hand uit naar een drenkeling die jou om hulp vraagt, kom op voor wie geen stem hebben, draag zorg voor elkaar. Probeer Gods koninkrijk te bespoedigen door mensen te laten opstaan uit angst en leegte.
De hoop voor onze samenleving is dat er mensen opstaan, die ouders helpen hun kinderen op te voeden in de eerbied voor het leven; dat er docenten zijn die leerlingen bijbrengen wat je tot een waardevolle burger van dit land maakt, dat er mensen zijn op straat en in de trein die niet angstig wegkijken bij geweld. De hoop voor onze samenleving is dat mensen van hun roeping willen weten, dat wij als kinderen van het koninkrijk openbaar worden.
Het evangelie van de roeping van de leerlingen op deze zondag nu wij straks met elkaar gaan praten over het al of niet realiseren van een kerkelijk centrum in de Westwijk. Wij hechten aan wat bekend en vertrouwd is, wat zich bewezen heeft en veiligheid biedt. Waarom zou Jezus anders spreken over tot inkeer komen, je omkeren? Om leerling te worden van Jezus kan je niet rücksichtslos vasthouden aan je eigen ideeën. Simon heeft zo zijn eigen gedachten over de Messias, maar wordt door Jezus terechtgewezen. Blijkbaar moet je, als je hem wilt volgen, loskomen van wat je zelf allemaal weet en wil. Maar dat is haast niet te doen.
Iemand vergeleek het volgen van Jezus eens met roeiers die met hun rug roeien naar wat op hen afkomt. Zij zien waar ze langs varen, ze zien vooral wat al voorbij is. Maar waar het naartoe gaat, zien ze niet. Wat zich achter hun rug ontvouwt, kunnen ze onmogelijk zien. We kunnen elkaar in een gemeente het nodige over gisteren en eergisteren vertellen, over wat voorbij. Maar waar we naartoe varen, waar we naar geroepen worden… we zijn als roeiers in de boot, we zien het niet, het profetisch getuigenis zegt ons: blinden laat ik gaan over onbekende wegen, op paden die ze niet kennen voer ik hen. Als wij willen volgen, moeten we steeds opnieuw ons omkeren en dat begint met de erkenning van onze blindheid, van alles wat we, ‘varende weg’ niet zien. Ooit waren er mensen aan het meer van Galilea druk bezig. Zij zien Jezus echt niet voorbij komen. Maar Jezus ziet hen. Daar moet het steeds weer mee beginnen, wie volgeling wil zijn moet steeds opnieuw door hem gezien worden. Het begint niet bij ons, het komt naar ons toe, die eerste en laatste vraag: willen u en ik de Levende gehoor geven, die ons niet loslaat en elke dag opnieuw om onze hand vraagt?
Matteüs 3: 13-17 (doop van Jezus) (door ds. G.J. de Bruin)
Matteüs 3: 13-17 (doop van Jezus)
Een intrigerend stukje evangelie. Johannes die zich ophoudt bij de Jordaan, daar mensen doopt en Jezus die op hem afgaat. Waarom laat Jezus zich in vredesnaam dopen? Verschillende keren heb ik mensen die vraag de afgelopen dagen horen stellen. We kunnen ons de verbazing van Johannes wel voorstellen als hij temidden van de velen die naar hem toekomen Jezus ontdekt.
Eerst maar eens even de Doper in het licht van de schijnwerper zetten Op de één of andere manier weet hij een gevoelige snaar bij mensen te raken. Waar ben je eigenlijk op uit vraagt hij, aan ieder die maar horen wil. Waarvoor leef je? Heb je genoeg aan het leven dat je leidt, of is er nog van alles dat niet vervuld is? Dat zijn geen gemakkelijke vragen - die vragen naar wie je bent, wie je zou willen zijn, waar je je leven aan zou willen wijden.
Opmerkelijk vind ik het dat Johannes zoveel mensen weet te raken. Het valt immers voor ons helemaal niet mee om over eigen niet-gerealiseerde mogelijkheden na te denken. Het gaat toch zoals het gaat, gedane zaken nemen geen keer, wat nou opnieuw beginnen? Johannes, we kunnen echt niet zomaar uit een rijdende trein springen. Toch weet Johannes een bevrijdingsbeweging op gang te brengen. Uit Jeruzalem, uit Judea en uit de omgeving van de Jordaan stromen de mensen toe, noteert Matteüs droogjes. Mensen toen, niet beter of slechter dan wij, met hun verlangen naar reiniging, verandering. Wat een uittocht. Stel je toch eens voor om in die rivier onder te gaan en dan als nieuw weer boven te komen, herboren, het vuil van je afgevallen, beklemmingen losgeweekt, zorgen weggespoeld.
Je zou bij de rivier willen roepen: water, was mij schoon. Laat me nog eens opnieuw mogen beginnen. Met een schone lei, alsjeblieft. En laten we met elkaar nog eens opnieuw mogen beginnen: in onze relaties en vriendschappen, in onze netwerken, in werk en kerk, in onze samenleving. Rivier, spoel onze schuld weg, onze onmacht en onverschilligheid, spoel uit ons midden weg de afgunst, het wantrouwen en de onvrede. Bestaat die mogelijkheid dat er een doorbraak wordt gecreëerd, dat zeg maar de hemel opengaat, dat we opeens een opening zien in waar we vastgelopen waren? Bestaat er zoiets als een nieuw begin? Geen mens die dat verlangen, die hunkering niet herkent. Maar even herkenbaar de twijfel of zo'n nieuw begin wel mogelijk is.
Ook Jezus komt naar de Jordaan. Onmiddellijk kan door ons heengaan: wat doet hij daar? Jezus hoeft toch niet het water in te gaan? Hij is toch van een andere orde? Als Johannes zich tegen de doop van Jezus verzet, kan hij op onze steun rekenen. De ascetische voorloper wil Jezus' volgeling zijn en stribbelt daarom tegen. Jezus heeft toch geen bekering nodig, als geen ander leeft hij toch naar Gods wil? Johannes is in afwachting van iemand die machtiger is, niet van iemand die voor hem bukt.
Het is een spannende vraag: waarom laat Jezus zich dopen? Zijn gang naar de Jordaan is een wandeling van dagen. Zijn doop is derhalve geen impulsieve daad, hij heeft er lang over na kunnen nadenken. Hier is iemand die zich niet verheven acht boven al die andere dopelingen. Hij schrijdt bij aankomst de lange rij wachtenden niet vorstelijk voorbij, hij claimt geen voorkeursbehandeling. De keuze van anderen maakt Jezus tot de zijne: kopje onder in het water van de rivier. Volstrekt solidair met zijn volksgenoten, helemaal één van ons. Ik kreeg er een wat ondeugende associatie bij, moest denken aan de nationale vrijwilligersdag die wij één keer per jaar vieren in ons land. Afgelopen jaar was koningin Beatrix ook weer van de partij. Ze had één van haar hoeden thuisgelaten, de mouwen opgestroopt, tijdens een eerdere dag bakte ze een appeltaart, maar nu was ze met een verfkwast in de weer. Een mooi plaatje levert dat op: zie eens, de majesteit is één van ons. Eén van ons, dat licht in de doop van Jezus op en nog wel meer dan dat. De mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden maar om te dienen. Dat zal later culmineren in de voetwassing, Jezus die ondanks protesten de voeten van zijn vrienden reinigt. Voor dat 'voetenwerk' moet je wel je hoed afzetten en je mouwen opstropen.
U hebt gelijk als u denkt: het is de omgekeerde wereld, dat Jezus gedoopt wordt, maar juist zo, op deze manier vervullen wij Gods gerechtigheid krijgt Johannes te horen. Het eerste woord dat we van Jezus in het evangelie van Matteüs vernemen, is het woord gerechtigheid. De weg die daarbij hoort, zal hij gaan, in verbondenheid met de Levende. Een weg, niet hoog te paard, maar laag bij de grond, soms zittend op een ezel, zonder een zweem van neerbuigend gedrag, een weg door het water van de doop en de dood. Je zou kunnen zeggen dat Jezus' doop de kortste samenvatting van heel zijn weg is. De stroom van onbegrip en verzet zal met de tijd steeds sterker worden. Het water stijgt en stijgt, 't zal hem tot de lippen komen, op het laatst houden zon en maan zich schuil achter de wolken. Zijn doop is ten diepste een voorafschaduwing van zijn ondergang maar tegelijk een beeld van zijn verrijzenis.
Waarom laat Jezus zich dopen - luidde de intrigerende vraag. Het antwoord daarop heeft toch ook te maken met wat er volgt na zijn onderdompeling. Na de doop opent de hemel zich voor hem, de Geest daalt als een duif neer en er klinkt een stem. Ik hoef u niet te vertellen, dat hier iets wordt aangeduid dat eigenlijk niet te beschrijven is. Dit is niet de taal van de krant, van het televisiejournaal. Hier raakt de hemel even de aarde. De eeuwen door hebben mensen de bede van Jesaja op de lippen genomen: O God, scheurde u maar de hemel open om af te dalen. Het is alsof die roep nu eindelijk verhoord wordt.
Er daalt een vogel neer. De vogel zet ons op het spoor van het scheppingsverhaal waar de Geest als een vogel over het water zweefde. En we herinneren ons de vogel die met een vers olijfblad in haar snavel Noach duidelijk maakt dat een nieuwe tijd op aanbreken staat. De duif die neerstrijkt op Jezus' hoofd wordt zo verstaanbare beeldtaal. Hier is sprake van een nieuwe schepping, dit unieke mensenkind is voluit landingsterrein voor Gods Geest.
En er is een stem uit de hemel die klinkt: dit is mijn geliefde Zoon, in hem vind ik vreugde. Is dat niet de diepste reden waarom Jezus zich laat dopen? Omwille van die stem. Of hij het ook nodig zal hebben om zich door zijn Abba in de hemel bemind te weten bij alles wat er op hem afkomt. Zijn doop garandeert hem geen lang en gelukkig leven, zoals ook onze doop ons niet vrijwaart van mislukkingen en gevaar. Direct na Jezus' doop horen we over zijn beproevingen in de woestijn.
Maar Jezus heeft de hemel even zien opengaan, bij de Jordaan is het begonnen, een ervaring die hem als een bron van lafenis is bijgebleven tot op de donkerste momenten. Een hemelse stem klinkt na in zijn oren: jij bent mijn zoon, een kind van vreugde.
Valt die hemelse stem ook door ons te horen? Is die stem in het lawaai van alledag, in de kakofonie van geluiden en stemmen om ons heen niet uitermate moeilijk te verstaan? Die woorden zijn nauwelijks meer dan een zachte fluistering. Jesaja horen we over de knecht van God zeggen: hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen. Hij blaft geen bevelen, hij overschreeuwt anderen niet. Om die stem te kunnen horen, moet je stil worden.
Voor Jezus begon het bij de Jordaan met die woorden van onvoorwaardelijke goedheid. Maar hij heeft die woorden niet exclusief verstaan maar inclusief begrepen. Daarom heeft hij ze niet voor zichzelf gehouden, maar is ze door gaan geven. Hij heeft het geknakte riet niet gebroken maar opgericht. Mensen die met hun zorgen en vragen bij hem kwamen, hoorden met zoveel woorden: je bent een dochter of zoon van mijn hemelse Vader. Je bent oneindig kostbaar in zijn ogen. Wie terugging naar huis, ging met een glimlach op het gezicht.
Gemeente, het leven is méér dan proberen gerechtigheid gestalte te geven, hoe belangrijk ook. Dat meer heeft te maken met wat Jezus bij zijn doop te horen kreeg: je bent mijn geliefd kind. Dat wij horen dat wij er niet zomaar zijn, dat wij gewenst zijn door de Eeuwige. Dat is de kwetsbare intuïtie van ons geloof. Dat is wat we straks uitbeelden rond de doopvont als Julia gedoopt wordt, we kunnen er niet vaak genoeg aan herinnerd worden.
Dat wij als mensen brokken maken en met elkaar een rommeltje van de wereld maken, wordt ons iedere keer pijnlijk duidelijk. Ook wordt er steeds weer ingehamerd wat wij moeten doen, aan welke eisen wij moeten beantwoorden.
Dat andere is nauwelijks hoorbaar, die zachte fluistering die ons zegt dat wij ten diepste worden bemind en door goddelijke liefde worden gedragen. Wat moet je daarvoor doen? Niets. Je laten onderdompelen in dit Godsgeschenk. Het gaat niet alleen Julia’s begrip, maar ook ons bevattingsvermogen volkomen te boven.
Als u straks teruggaat naar waar u woont, mag u vergeten wat dit uur is gezongen en gebeden, gelezen en gezegd. Ik vraag u slechts één ding: onthoud de ene zin die u zegt: jij bent mijn geliefde dochter, mijn geliefde zoon, in jou vind ik vreugde. Onvoorwaardelijke goedheid. Zal de herinnering aan die woorden niet elke keer een glimlach op uw gezicht toveren?