|
Gemeentevergadering 15 juni a.s. |
|
|
|
Gemeentevergadering Op woensdag 15 juni a.s. bent u - ditmaal in de Paaskerk - welkom op de jaarlijkse gemeentevergadering waarin u in de gelegenheid wordt gesteld uw mening over de Jaarrekeningen 2010 van onze Protestantse gemeente en Diaconie kenbaar te maken. Maar we beginnen om 20.00 uur - met een presentatie van de theaterdiensten, die eenmaal per jaar worden gehouden en waarin de tieners een groot aandeel hebben. Voorts zo mogelijk ook een presentatie van de plannen om in de Westwijk een kerkelijk centrum te realiseren. Ná de pauze komen vervolgens de financiële jaarstukken aan de orde.
In de kerk op de leestafels liggen enkele exemplaren van de te bespreken documenten (de beide jaarrekeningen en het diaconaal jaarverslag 2010 ter inzage of om mee te nemen. Deze documenten staan overigens ook op onze centrale website (www.protestantsamstelveen.nl). Nogmaals: u bent van harte welkom! Hans Reijenga, scriba van de Algemene Kerkenraad |
|
|
Jesaja 25:6-9 en Lukas 14:12-24 (door ds. M. Visser) |
|
|
|
Preek op 15 mei 2011 in de Handwegkerk over Jesaja 25:6-9 en Lukas 14:12-24 dienst met avondmaal
Gemeente van Christus! Wat is de kerk? Ik wil het vandaag eens heel kort zeggen: de kerk is de plek waar mensen plezier hebben. De plek waar gevierd wordt. Waarom? Omdat Jezus onze zonden teniet gedaan heeft, toen hij gekruisigd werd. En omdat hij, toen hij opstond uit de dood, ons nieuw leven gegeven heeft! Plezier dus – vanwege die bijzondere God van Israël. Zie je, dat is de kerk: de plek waar mensen plezier hebben. Omdat daar alle reden toe is.
Dit plezier, dat is trouwens wel iets anders dan dat we nu heel jolig met elkaar zouden zijn. Hoewel dat best zou mógen. Maar ik bedoel: jolige mensen zijn er al genoeg. Een gemeentelid in de Paaskerk wees daar laatst eens op. Zij vertelde dat haar opviel dat er op televisie in allerlei programma’s de hele tijd ontzettend hard gelachen wordt. ‘Waarom moet er de hele tijd zo gelachen worden?’ zei zij. Ze vond het een ontkenning van hoe onze wereld eruit ziet. En ik denk dat ze gelijk heeft. Sinds die vrouw dat zei, is mij het ook gaan opvallen: dat lachen. Bij nader inzien klinkt het heel onecht. Het lijkt wel alsof daardoor iets overschreeuwd wordt. Ik weet niet precies wat…
In de kerk gaat het dus niet om dat jolige. Het gaat om een ander plezier, een ander soort vreugde. Het is een blijdschap, vanuit een diep weten (of althans een sterk vermoeden) dat de God van Israël een feest voor ons in petto heeft. Dat begrijpen we niet, maar we belijden het! En we ervaren het niet (let wel: we ervaren dat niet!), maar we horen het en we zingen ervan! Het gaat zelfs dwars tegen alle ervaring in. Wij weten ook wel dat het er in onze wereld en in ons leven niet op lijkt. Maar dwars daar tegen in, nemen we in de kerk toch nu al een voorschot op dat feest. We komen naar de kerk en daar wordt het ons alvast aangezegd. En we zingen alvast dat lied. En we proeven er alvast iets van. We nemen alvast een klein hapje, aan deze tafel: het is natuurlijk een teken van niks, maar éven hebben toch maar mooi de smaak in onze mond van het brood des levens. Even de smaak van de wijn van het koninkrijk van God. En je doet je ogen dicht en heel even ben je, met Jesaja, op die berg Sion. Sta je daar met álle volkeren aan die ongelofelijke maaltijd: met vette spijzen zonder dat iemand nog aan de lijn hoeft te denken. En met goede wijnen, die lang gelegen hebben en precies op dronk zijn.
Dáár nemen we een voorschot op: op dat feest dat georganiseerd wordt door de God-van-mensen zélf. En dat is dus de kerk: de plaats waar dat feest alvast een beetje gevierd wordt. Waar we dát plezier nu al hebben. Als een enorm tegengeluid, een tegenervaring: tegen alle verdriet in. En ook tegen al het onechte grappige gedoe.
II En zo is dus God. Zó is hij dus! Wij denken eindeloos na over wie God nu eigenlijk is, we breken ons hoofd erover. Maar zo is hij dus: een gastheer, een organisator van een feest. Zo komt hij plotseling tevoorschijn, midden in dat boek Jesaja: als een God die van de wereld een feestzaal maakt, met de berg Sion als het stralend middelpunt. Daar staat de tafel. Zo is deze God. En dat is precies de reden waarom in het Nieuwe Testament Jezus voortdurend met mensen aan tafel gaat. Omdat de maaltijd het koninkrijk van God-in-het-klein is. (En tussen twee haakjes: wij kunnen daar ook iets van ervaren, gewoon in onze eigen dagen. Als we samen aan tafel gaan, met je gezin, met vrienden, of juist met vijanden, met wie dan ook. Rond de tafel, kaarsen aan, schalen aan elkaar doorgeven: dat kan niet anders dan op z’n minst een teken zijn van wat de bijbel bedoelt!)
III Wij hoorden een gedeelte uit het Lukasevangelie waarin Jezus ook aan tafel zit (of ligt). En wel met Farizeeërs. Farizeeërs, de schriftgeleerden, de mannen van de wet – ze komen er in het evangelie vaak niet goed vanaf. Het zijn vaak de opponenten van Jezus. Maar Jezus gaat ook met hen aan tafel. En dat op zich is natuurlijk al opvallend. Wij leven in een tijd van een ongelofelijk wij-zij-denken. Je bent moslim of je bent het niet. Je bent Nederlander of je bent allochtoon. Je bent voor Amerika of je bent tegen. Zo is dat vandaag. Misschien is dat wel nooit anders geweest. Omdat mensen altijd scheidingen aanbrengen tussen mensen, muren bouwen. Maar Jezus gaat met zijn opponenten aan tafel.
En aan die tafel geeft Jezus op een gegeven moment een wat wonderlijk advies: als je een maaltijd organiseert, en je wilt mensen uitnodigen – nodig dan liever maar niet je vrienden uit, of je rijke buren. Want ze zouden je nog terugbetalen! En dan wordt je er beter van, en dat is niet de bedoeling. Dat zegt Jezus. Zo, denk daar maar eens over na. Hoe dan ook, een van de tafelgenoten reageert enthousiast: Zalig al wie brood eet in het koninkrijk van God! Nou, prachtig, het lijkt wel liturgie, niets mis mee, zou je zeggen. Maar Jezus heeft iets gehoord in dat zinnetje. Hij heeft gehoord dat zijn tafelgenoot zichzelf bedoelt! Dat hij naar zichzelf en om zich heen wijst: ‘Heerlijk, kijk ons eens, wat zijn wij, wij met ons kluppie, er goed aan toe! Het lijkt het koninkrijk van God wel.’
IV Een zeker mens richt een grote maaltijd aan. En hij nodigt velen uit. Maar dan het ongehoorde: op het moment dat de maaltijd dan gereed is, en er nog even een slaaf op uit gestuurd wordt om de gasten te zeggen dat het nu echt zover is – dan, op het allerlaatste moment, zeggen ze allemaal af. Eén heeft er net zijn vakantie geboekt. ‘Het spijt me echt. Maar ik moet nu echt nog even een keer in de folder de plaatjes bekijken. Dat begrijp je natuurlijk.’ En een volgende is net getrouwd en zegt: ‘Ja sorry, ik zit aan die vrouw vast…’
En zo gaat het feest dus niet door. Het feest kan niet doorgaan. Want als er geen gasten zijn, dan is er ook geen feest. Maar dan gebeurt het. Onbegrijpelijk, absurd wat er dan gebeurt. Want het is voor de gastheer namelijk niet denkbaar dat het feest niet doorgaat. Hij piekert er niet over om de verse koffie weg te gieten, het eten in te vriezen. Nee! Het feest gaat door. Het zál doorgaan. Hij laat gewoon alle armen en misvormden binnenbrengen. Wij zouden zeggen: de mensen in het Zonnehuis, van de gesloten afdeling, in hun rolstoelen, in hun bedden. En die mensen worden niet vriendelijk uitgenodigd. Nee, die worden gewoon gehaald. Ja, sterker nog die worden er aan hun haren bijgesleept. Dwing ze om binnen te komen, want mijn huis moet vol worden! roept de gastheer. Dwing ze! Ik vind het zo prachtig dat dat woordje er staat. Onze reformatorische traditie heeft op een gegeven moment een prachtig woord geïntroduceerd: de onwederstandelijkheid van Gods woord. Hij is onwederstandelijk. Onweerstaanbaar. En zo is het maar net: Dwing ze!
V Lieve gemeente, het feest gáát door. De God van Israël zál van zijn wereld een feestzaal maken. Hij zal midden in de wereld een tafel neerzetten waar iedereen omheen past, waar iedereen van kan eten. En er is niets wat deze heer kan tegenhouden. Mensen verpesten het. Wij gaan niet in op de uitnodiging, wij kunnen niet of we willen niet of we geven niet thuis. Dat is wat wij op t.v. zien, en om ons heen: het feest wordt aan alle kanten verpest! Maar lieve mensen, heel ons geklungel, en onze schuld, onze domheid en onze traagheid; dat we niet willen – dat alles maakt niet dat dit feest niet doorgaat. Het gaat door. Het komt er. En het is er ook al. Dan wel op zijn manier. En wat is zijn manier? Tot ieders stomme verbazing: met de zieken, de mismaakten, de gemankeerde, gekwetste mensen. Je zou er bijna van verzuchten: het is ook altijd hetzelfde liedje in die hele bijbel. Het is steeds weer die omkering: de laatsten zullen de eersten zijn. En zo is het maar net: dat is hét liedje van de bijbel.
En zometeen staan wij aan deze tafel. Om íets te proeven van dat feest. om even een voorsmaak te krijgen van dat gekke feest van de God van Israël. En hoe staan wij hier dan? Hoe komen we hier dan naar toe zometeen? Net zoals die Farizeeër, die zei: ‘Kijk ons nou eens, wat zijn we er goed aan toe! Boffen wij even, dat wij bij het kleine clubje van welwillenden horen’? Nu, het zou wel eens kunnen dat wij ontdekken, dat wij veelmeer die mensen zijn die er aan hun haren bijgesleept zijn. Dat denk ik. Ik denk dat dat het is wat je ontdekt aan deze tafel. Dat je dát gaat zien op dit feest: dat God zo is. Dat hij juist oog heeft voor de mensen met hun makken, hun gebreken, hun blessures. En dat hij óns ook zo ziet. En dat hij ons daarom liefheeft, en ons daarom op zijn feest wil hebben. Niet omdat je zo welgesteld bent, niet omdat je zo’n goed mens bent of zo gelovig. Nee, hij ziet jou, en hij gaat jou halen, waar je ook bent, met heel je gebrek, en je pijn, en je ongeloof en je twijfels en je angst. Zo gemankeerd als wij zijn mogen wij zijn feestgangers zijn. Sterker nog, we móeten het!
Lof zij u, Christus!
|
|
|
Jubilate (door ds. P. de Bres) |
|
|
|
Gemeente,
Pasen ligt alweer 2 weken achter ons. Pasen, feest van de Opstanding van de Heer, feest van bevrijding (denk aan de Uittocht uit Egypte), feest van nieuw leven, ook voor ons. Prachtig. Nog steeds zingen wij deze zondag ons Jubilate. Maar Pasen is al wel weer 2 weken geleden. Inmiddels gaat het alledaagse leven weer gewoon door. Werken en zorgen. Vreugde en verdriet. De krant en de TV en alle problemen wereldwijd, waar het ons deelgenoot van maakt. Rijst dan, als wij op zondag bij elkaar zitten, niet de vraag: hoe is de Levende dan aanwezig in ons alledaagse bestaan? Betekent Pasen ook geen nieuw leven voor ons? Of is dat alweer uit onze handen geglipt door alle drukte rond werk en gezin, door alle zorgen en bezigheden? Hoe is de Levende Heer aanwezig in ons dagelijkse bestaan? Misschien kan de Schriftlezing daarin wegwijzend voor ons zijn.
Een merkwaardig hoofdstuk, dat laatste van het Johannes Evangelie. Eerst denk je dat met hoofdstuk 20 het boek afsluit: Jezus heeft nog veel meer wondertekenen voor zijn leerlingen gedaan, die niet in dit boek staan, maar deze zijn opgeschreven opdat u gelooft dat Jezus de Messias is, de Zoon van God en opdat u – door te geloven – leeft door zijn Naam. Mooie afsluiting van het Evangelie. Maar merkwaardig, opeens wordt er nog een hoofdstuk aan toegevoegd. Duidelijk van een andere hand en kennelijk uit een latere tijd. Wij zijn bij de leerlingen in Galilea. Zij waren met Jezus op bedevaart naar Jeruzalem gegaan om samen het Paasfeest te vieren. Maar wat werd het een enerverend en diep ingrijpend feest. De Sedermaaltijd, de gedachtenis van de Uittocht uit het slavenhuis, uit het doodsland Egypte, liep uit op Jezus gevangenneming en kruisiging. Toen volgde Pasen en het lege graf, dat gebeuren dat ze nog nauwelijks in de vingers krijgen. Dan staat Jezus als de Opgestane plotseling in hun midden en een week later opnieuw, nu speciaal voor Thomas. Na die 8e dag zijn de dagen van Pesach voorbij; iedereen gaat weer naar huis; de leerlingen ook. Wat een merkwaardige terugreis zal dat geweest zijn. Zij gingen op naar het feest met Jezus, maar zij keren terug zonder Jezus. Weer thuis in Galilea, bij het Meer van Tiberias, maar zonder Jezus. Wat te doen? Ja, wat te doen? Ik ga vissen, zegt Petrus. Gewoon weer aan het werk. Maar klinkt er ook niet in mee: terug naar het oude leven van voor zij Jezus kenden? Terug naar het leven van werk en zorg, van politiek en gezin. En Jezus, de Levende, waar is Hij dan? Zij hadden toch een ervaring gehad, die ook hun leven vernieuwde? Ervaren ze dat nog? Terug naar het oude beroep van visser. Zie je ze uitvaren als het in de avond net donker wordt? Kom op mannen, roepen ze elkaar bemoedigend toe.
Als u goed geluisterd hebt, zijn maar 7 van de 11 leerlingen er bij. Sommigen bij name genoemd, anderen niet. Met name genoemd is Petrus; hij zal verderop in dit verhaal nog een belangrijke rol spelen. Ook Thomas wordt bij name genoemd. Omdat hij in het voorgaande hoofdstuk zo’n belangrijke rol speelde? En dan Nathanael. Merkwaardig, die wordt nooit genoemd. Ja toch, 1 keer in het begin van het Evangelie, bij zijn roeping. Jezus noemt hem een echte Israëliet, een mens zonder bedrog, een rechtvaardige, zoals God de mens bedoeld had. Ik zag je onder de vijgenboom zitten, zegt Jezus. Is dat in het OT geen aanduiding voor vrede? Wordt Nathanael geen aanduiding voor Israel zelf?
Ik ga vissen. Maar het lijkt of ze hun beroep verleerd zijn, want ze vangen niets. Of waren ze er misschien met hun hoofd niet bij, omdat het nog vol zat met alles wat in Jeruzalem gebeurd was? Ze varen terug naar huis en als ze, in het vroege morgenlicht dicht onder de kust varen, zien ze een man langs de waterkant staan. Hoort u het: vroeg in de morgen, bij het aanbreken van een nieuwe dag, aanduiding van opstandingtijd. De leerlingen herkennen de man aan de oever niet; wij weten dat het Jezus is. Aan het slot van dit verhaal horen wij: Dit was al de 3e keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat Hij uit de dood was opgestaan. Vindt u dat niet vreemd? Al de 3e keer en nog steeds herkennen zij Hem niet. Kan dat, dat Jezus je verschijnt en dat je Hem niet herkent? Verschijnen is misschien een mooi Nederlands woord, maar letterlijk staat er: Jezus openbaarde zich. Lees het maar eens na, maar in het Paasverhaal komt het woord: zich openbaren niet voor. Daar is Jezus er opeens gewoon. In het Johannes Evangelie komt dat woord: zich openbaren nog eenmaal voor, nl. in het verhaal van Kana, als het wijnwonder wordt geduid: Dit was Jezus eerste teken en zo heeft Hij zijn heerlijkheid geopenbaard. In het begrip openbaren zit heel sterk de notie dat het van de andere kant naar ons toekomt. Ik heb er niet de regie over en kan het niet tevoorschijn roepen. Jezus openbaart zichzelf. Maar nog herkennen de leerlingen Hem niet. De vraag die Jezus hen stelt is niet van humor ontbloot: hebben jullie soms iets te eten. Maar als ze dadelijk aan wal gaan staat het eten al klaar. Jezus vraagt het om zich te kunnen legitimeren. Hij adviseert hen het net aan de rechterzijde van het schip uit te gooien en zonder te vragen gehoorzamen zij zijn gezag. Een enorme vangst: 153 grote vissen. Dat exacte aantal heeft – u begrijpt dat – tot heel wat fraaie speculatie geleid. Op de bruiloft te Kana deed Jezus zijn eerste teken; hier zijn laatste, maar nog herkennen de leerlingen Hem niet. Of toch wel? De leerling die Jezus liefhad zegt tegen Petrus: het is de Heer. Waarom wordt die leerling niet bij name genoemd: Johannes? Kan dat toevallig zijn? Ik denk: omdat liefde, de liefde voor de Heer, alleen herkenning mogelijk maakt. Herkent een man zijn vrouw niet van verre, aan haar silhouet, het haar of een typerend gebaar? Herkent een moeder haar kind niet te midden van een groep lawaaiige kleuters? Hoort ze te midden van al die stemmen niet die ene van haar kind? Liefde ziet meer, hoort meer, herkent. De discipel die een bijzondere liefdesband met Jezus had, hij herkent: het is de Heer. Petrus werpt zich direct in zee en als ook de andere leerlingen aan wal zijn, nodigt Jezus hen voor de maaltijd. Brood en wijn, zou je denken, maar nee, brood en vis. Vis? Betekenen de letters van het Griekse woord voor vis niet: Jezus Christus, Zoon van God, Redder? Een beroemd symbool ter herkenning voor de eerste Christenen. Bezoek de catacomben in Rome maar eens. Dit laatste hoofdstuk zal kort na het jaar 100 zijn geschreven, toen de eerste Christen vervolgingen in Klein Azië hadden plaats gevonden. Rond de maaltijd horen we dat niemand naar de naam van de onbekende durft te vragen, want zij wisten dat het de Heer was. Zij herkennen Hem bij de maaltijd, net als de Emmaüsgangers.
Misschien kan dit verhaal over de leerlingen, die Pasen hadden gevierd en de Levende hadden ontmoet om Hem midden in het gewone leven opnieuw tegen te komen, misschien kan dit verhaal voor ons richtinggevend zijn. Helpt het ons? Wij, die ook Pasen hebben gevierd en zingend en biddend iets van nieuw leven hebben geproefd. Maar dan gaan we na de feestdagen weer aan de slag, duik je weer onder in je werk, wordt je weer overdonderd door alle ellende van oorlogen, rampen en moordpartijen. Ervaar je weer de zorgen en moeiten van je bestaan. Merk je nog iets van nieuwheid in je leven? Ontmoet je de Levende nog? Of is dat allemaal aardig vervaagd en wordt het aan ons oog onttrokken door ziekte, zorg en druk zijn?
Hoe blijven wij de Levende tegenkomen? Of is dat wel de juiste vraag? De Levende zelf openbaart zich immers aan ons, zonder dat ik daar enige invloed op heb. Hij zelf treedt op ons toe, Hij is er voor ons. Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij, hoorden wij van Jesaja. En de profeet schetst aan de hand van de Uittocht – moet je door het water gaan: de doortocht door de Rietzee, of door rivieren: door de Jordaan om het Beloofde Land binnen te komen hoe God zorgt voor zijn mensen, hen redt, bevrijdt, bij hen is. Zo, als Redder (de vis: Jezus Christus, Zoon van God, Redder) openbaart Hij zich aan ons, komt Hij op ons toe. En nog herkenden de discipelen Hem niet, aarzelden zij. Hoeveel temeer wij dan? Herkennen wij Hem? Zeker, Hij is de Levende, die ons tegemoet komt. Maar herkennen wij Hem, zien wij Hem om Hem vervolgens tegemoet te gaan? Het is de Heer, klinkt 1 stem te midden van al die aarzelende leerlingen. De stem van de liefde, die verder ziet, meer hoort dan gewoon. De liefde, die herkennen, zien bewerkt, zodat onze ogen opengaan. Alleen als je liefhebt, als je God liefhebt, zal je de Heer herkennen. En pas als jijzelf herkent en je laat ontmoeten, komen al die woorden van Jesaja, over redding en bevrijding, over leiding en kracht, tot werkelijkheid in je leven. Weet je je aangeraakt door Zijn liefde en vergeving en vrede. Jammer, dat wij vandaag de maaltijd niet vieren. Dat zou toch iedere dienst moeten? Want in brood en wijn eet je liefde, liefde die ons leert om de Heer in je eigen leven te herkennen.
|
|
|
Pasen 2011 (door drs. R. Prent) |
|
|
|
Het evangelie van Johannes heeft een eigen klank en kleur. Meer dan in andere evangeliën horen we hier de stem van de gemeente en niet zozeer de stem van Jezus zelf. Ook het verhaal van de Verrezene vertelt hij op eigen wijze. Bij Matteüs, Marcus en Lucas is het bij het aanbreken van de dag of daar al aan voorbij dat de vrouwen gaan. Bij Johannes gaat Maria Magdalena ‘toen het nog donker was’. Dat donker staat voor het vroege uur en het staat symbool voor de nacht van een wereld waaruit de Gerechte wordt weggemsoord, ‘deze wereld’ noemt Johannes dat met recht, ‘dit wereldbestel’ zo moet je dat verstaan en de nacht staat symbool voor de gemoedstoestand van de leerlingen die gedesoriënteerd, verslagen en bang waren.
Al van oudsher is de nacht van Johannes 20 ook in verband gebracht met de nacht van het Hooglied. En is Maria Magdalena met haar vergeefs zoeken en vertwijfeld verdriet gezien als gelijkenis van die jonge vrouw die in het Hooglied haar geliefde is kwijtgeraakt. Drie keer vraagt zij waar het lichaam van de Heer is, drie keer wordt in het Hooglied gezegd dat de vrouw haar minnaar niet vindt. En als tot Maria gezegd wordt ‘Houdt mij niet vast’ dan horen we een verwijzing naar Hooglied 3:4 waar staat ‘Ik grijp hem stevig vast en laat hem niet ontsnappen’. Zij lijkt op die vrouw die in het Hooglied zegt: 's Nachts als ik wakker werd verlangde ik naar hem naar wie ik zo verlang. Daarom maar opgestaan en rond gaan lopen in de stad. De straten door en hopen dat ik mijn liefste vinden zou die ik wou dat er was maar die ik nergens zag’.
Het hooglied is een loflied op de liefde, het heeft de structuur van een zevenarmige kandelaar, waarin woorden en beelden in strakke regelmaat terugkeren. Het is een dialoog waarin de vrouw met een hartstochtelijke liefdesverklaring de toon zet en de man wat aarzelend begint over de geschenken die hij haar wil geven. In 60 van de 117 verzen spreekt de vrouw, in 40 de man en in 17 het koor van dochters van Jeruzalem, vriendinnen van de vrouw, die haar bijstaan in haar zoektocht en die de nieren proeven van de man die zij zoekt.
Heel het beeld dat oprijst uit het boek is volstrekt in tegenspraak met de dagelijkse realiteit van het toenmalige Midden-Oosten en voor een deel ook dat van nu. In die zin lijkt het op een utopisch leerdicht dat een beeld oproept van gelijkwaardige mensen die zelfstandig op zoek gaan naar wie zij willen toelaten in hun leven.
In de hebreeuwse bijbel is het één van vijf feestrollen, een rol die gelezen wordt op één van de grote feesten. De synagoge leest het Hooglied op Pasen. Voorbij aan alle even ingewikkelde als onvermijdelijke discussies over de verhouding van het persoonlijke en het politieke leest zij op de gedachtenis aan de uittocht uit Egypte, een politiek gegeven bij uitstek, uittocht van een volk uit uitbuiting en slavernij, precies dan leest zij een verhaal dat zo persoonlijk is als een verhaal over de liefde van twee mensen kan zijn. Dat is geen vanzelfsprekendheid, ook de aanwezigheid van het Hooglied in de bijbel is dat niet. De discussies over de vraag of dat boek een plaats in de canon verdiende waren luid en langdurig. Koning Salomo moest er als veronderstelde schrijver aan te pas komen om het boek voldoende gewicht te geven.
En toen ook dat de discussies niet deed verstommen, werd op magistrale wijze het boek op een hoger plan gebracht. Ja, het lijkt wel te gaan om de liefde van twee mensen voor elkaar, maar eigenlijk gaat het over de verhouding van God tot Israël. Met Pasen, de bevrijding uit het slavenhuis, begint de liefdesgeschiedenis van God en zijn volk. De kerk is op dat pad graag meegegaan. Ja, het lijkt wel te gaan om de liefde van twee mensen voor elkaar, maar eigenlijk gaat het over de verhouding van Christus tot zijn gemeente. Nu is dat allebei ongetwijfeld waar, zeker kan en mag het zo verstaan worden. Desnoods kunnen we dat ‘de geestelijke dimensie’ van het boek noemen. Maar dan niet om daarmee de eerste betekenis te ondermijnen of te verdoezelen. Integendeel, juist omdat het gaat om de liefde van twee mensen voor elkaar, om het spel en het gevecht van zoeken en vinden, van vasthouden en loslaten, juist daarom is het ook te verstaan als een lyrische verwoording van de relatie van de Eeuwige tot zijn volk en van de Messias tot zijn gemeente.
Maar hoe lyrisch ook, het Hooglied is zeker niet naïef. Zij idealiseert de liefde niet. Het spel van het zoeken en vinden heeft grimmige kanten, het verwondt een mens. Hartstocht is niet ongevaarlijk, liefde niet ondubbelzinnig. Wie het Hooglied leest, ziet dat de liefde daar bedreigd wordt door de geliefden zelf en door de omgeving om hen heen, de maatschappelijke code, de angst voor erotiek, de jalousie, de afgunst van anderen. De vrouw is een slavin, wordt mishandeld, alleen gelaten, bedreigd, roept haar vriend op om te vluchten.
De beroemde Mauthausen-cyclus, getoonzet door Theodorakis is een moderne versie van het Hooglied. ‘Hoe mooi is mijn liefste in haar daagse jurkje en met een kammetje in het haar. Niemand wist dat zij zo mooi was. Meisjes van Auschwitz, meisjes van Dachau, hebben jullie mijn liefste soms gezien. Wij zagen haar op het ijzig koude plein met een nummer op haar blanke arm en met een gele ster op haar hart. ‘Sterk als de dood is de liefde’ hoorden we, er staat net iets anders: ‘Grimmig als de dood is de liefde’, hard als de Hades, de onderwereld, de hartstocht’.
Tegen die achtergrond vertelt Johannes zoals hij vertelt. Donker was het nog als Maria op weg gaat naar het graf om een dode het eerbetoon van de bewening te geven. Geen lied op haar lippen, het Hooglied is verstomd in de tuin van gemis, van duisternis en dood. Er is alleen verdriet en pijn, de wereld is als een voorgoed verloren paradijs. Dan blijkt het dode lichaam ook nog verdwenen te zijn. Wat kan zij anders dan staan bij het graf en huilen. Zij buigt zich naar het graf en ziet twee engelen. Engelen zijn getuigen van God die verhelderen en verlichten. Maar hier dragen zij alleen bij aan het mysterie van het verhaal. Zij verhelderen niets, accentueren met hun vraag alleen het verdriet van Maria.
Zij kijkt om, ziet Jezus staan, maar herkent hem niet. Zowel bij het aanschouwen van de engelen als bij het aanschouwen van Jezus blijft het haar gaan om de vraag waar zijn lichaam is neergelegd. Dat een andere vraag aan de orde is, komt niet bij haar op, zo verstrikt is zij in haar eigen verdriet. En het is niet het zien dat de verstarring doorbreekt, dat is het horen.
De herkenning komt pas dan als Maria bij haar naam geroepen wordt, dan keert zij om en zegt: Rabboeni, leermeester of eigenlijk: onze leermeester. Dan wordt het licht in de duisternis, dan is de huilende in de tuin niet langer een dwalende ziel in het verloren paradijs, dan blijkt dat het gaat het om het licht van genesis 1en de tuin van genesis 2. Door de verschijning van Jezus in de gestalte van een tuinman en door het roepen van haar naam vindt zij haar heer niet, maar wordt zij gevonden als een geliefde, als een bruid. De dodenakker wordt een tuin van leven, een hof van Eden.
Met de woorden ‘leermeester' maakt Maria zichzelf tot leerling en wordt zij de eerste leerling die de Opgestane ziet. En het eerste dat zij moet leren is dat zij moet afleren. ‘Houdt mij niet vast’ of ‘raak mij niet aan’, is het eerste wat Jezus zegt na het roepen van haar naam. De Verrezene is nog niet in zijn uiteindelijke gestalte ‘Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader’, hij is nog niet opgestegen tot de uiteindelijke en onaanraakbare hoogte van zijn God. De grote kerkvader Augustinus zei daarover:
Toen de vrouw die de kerk moet verbeelden neerviel voor de voeten van de verrezen Heer, zei Hij tot haar: "Raak Me niet aan, want ik ben nog niet opgestegen naar de Vader." Dit wordt opgevat als een diepzinnige uitspraak 'Geloof niet in Mij door met uw handen mijn lichaam aan te raken. U moet met uw hart in Mij geloven. Dat betekent dat u Mij moet aanraken met het geloof van uw hart, als ik naar de Vader ben opgestegen.
Dat is mooi gezegd, maar het is wat mager t.o.v. de reden die Jezus zelf geeft: Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader. Dat moet zoiets betekenen als; mijn verrijzenis is nog niet het laatste woord/de laatste daad van God. Er staat nog iets uit. Dat is wat Maria de broeders en zusters moet melden: Hij is verrezen, maar nog niet opgegaan tot zijn Vader. Er staat nog iets uit. Met die woorden gaat Maria tot degenen die zichzelf allang leerling noemden en voelden, zij zijn het die door Maria, op nieuwe wijze tot leerling gemaakt worden. Het eerste dat zij tot hen zegt is: ‘Ik heb de Heer gezien’, het gaat blijkbaar niet om het horen alleen. Eerst dan vertelt zij alles wat hij tegen haar gezegd had. Zo roept zij op tot geloof. Zoals Augustinus dat formuleert? Ja, maar het is wel riskant om het zo te formuleren. Want het geloof in Jezus kan leiden tot een versmalling en vernauwing van datgene waar Hij voor stond.
Beter lijkt het om te zeggen dat leerling zijn van Jezus allereerst betekent dat we mogen delen in het geloof van hem, de traditie van Israël zoals hij die verstaan en geleefd heeft in een vast vertrouwen op het komen van het Rijk van God. Dat kan alleen met ogen die geopend zijn door het horen en het verstaan van het grote nieuws van Godswege dat de toekomst niet aan de dood, maar aan het leven, beter gezegd, aan de Levende toebehoort. Dat brengt ons tot een zien met nieuwe ogen, tot een doorzien van de werkelijkheid tot op de toekomst die rust in zijn handen.
De opwekking van Jezus is uniek, maar is in zichzelf niet de zaak waar het om gaat, Hij is de eersteling van velen en in zijn opstanding gebeurt aan één mens wat wereld wijd geschieden moet. In dat vermoeden, in die hoop, in die verwachting is Jezus gevormd door de traditie van onderricht en profeten. Heel de verwachting die daaruit spreekt wordt bevestigd in hem, in zijn uur van verrijzenis, maar dan waaiert die verwachting uit tot aan de uiteinden der aarde.
De gemeente die met dat licht geconfronteerd wordt, ziet niets anders dan wie dan ook, maar zij ziet met andere ogen en ziet daardoor kleine bewegingen naar vrede toe in een ander perspectief en daardoor kan zij volharden in de hoop. Jezus van Nazareth is voor ons onaanraakbaar en onbereikbaar geworden, hij is niet hier, hij is voorbijgegaan, er valt niets te zien, er valt alleen te horen en te doen. In Schrift en Sacrament, in leerhuis en liturgie, in woord en lied is hij nabij, in het diaconaat wordt hij gedaan. Zo is hij de Levende, de Lichtende in ons midden, dat wij ons gezegend weten in en met dat licht, zo moge het zijn.
|
|
|
Beloken Pasen (door drs. R. Prent) |
|
|
|
‘Heeft hij er nog een record bij’ zei Peter Nissen, katholiek kerkhistoricus, nuchter. Het is n.l. de snelste zaligverklaring ooit, zes jaar en een maand na zijn overlijden. De snelste daarvoor was die van moeder Theresa, zij werd door Johannes Paulus zes jaar en twee maanden na haar dood zalig gesproken. Hij had daar iets mee. Tijdens zijn pontificaat van 26 jaar verklaarde hij 1200 mensen zalig en 460 heilig, dat zijn er meer dan in de 400 jaar daarvoor. ‘Santo Subito’, ‘Onmiddellijk heilig verklaren’, werd door honderden jonge mensen op het St.Pietersplein geroepen, toen daar op 2 april 2005 zijn overlijden bekend werd. Die actie was geregisseerd door conservatieve bewegingen. Ruim zes jaar is niet ‘Santo’, maar wel erg snel, en zalig is nog niet heilig, maar dat zal wel niet al te lang op zich laten wachten. Waarom gebeurt er vandaag in Rome en wat heeft dat voor ons te betekenen?.
Rond 180 stelt Iraneus van Lyon een lijst op van de eerste twaalf bisschoppen van Rome. Inhoudelijk weet hij zeer weinig van hen. Dat de apostolische successie meer met een theoretische constructie te maken heeft dan met controleerbare historische feiten, is geen verrassing. Dat doet echter niets af aan de historische gebeurtenissen rond 20 eeuwen pausschap. De ontwikkeling daarvan is geen rechtlijnige geweest. Grofweg is er een onderscheid tussen het eerste en tweede millennium. Zoals wij het pausschap nu kennen is typisch een product van het tweede millennium. Daarvoor was de paus allereerst bisschop van Rome, daarbuiten deelde hij in het gezag van zijn mede bisschoppen. Hij was eerste onder gelijken. Het daarbovenuit groeien met alle consequenties vandien is van later tijd.
Sinds 1960 is de oecumene niet meer alleen een aangelegenheid van officiële kerkelijke commissies die rapporten opstellen. Oecumene is een woord geworden voor concrete ontmoetingen aan de basis. Gemeenteleden en parochianen, pastoors en predikanten, kerkenraden en parochiebesturen gingen contacten aan, stampten gespreksgroepen uit de grond, ontwikkelden diaconale projecten, gingen samen vieren en beperkingen door kerkelijke regels, m.n. aan RK-zijde. m.b.t. het samen vieren van Avondmaal en Eucharistie, werden veelal glimlachend terzijde geschoven en men nam –letterlijk- een voorproefje op een realiteit die niet lang meer op zich zou laten wachten. Die vlieger ging niet op. Wat ging er mis en wat betekent dat voor ons.
Drie pausen uit de vorige eeuw, Pius X, Johannes de XXIII, JP II
Pius X was paus van 1903 – 1914. De ontwikkelingen in de 19e eeuw op politiek en wetenschappelijk m.n. theologisch gebied werden door hem met diepe argwaan bejegend en samengevat met de term ‘modernisme’. In een encycliek veroordeelde hij het door hem nooit helder omschreven ‘modernisme’ als de synthese van alle ketterijen en hij noemde het de grootste bedreiging voor het leergezag van de kerk. Hij voerde de anti-modernisten eed in voor priesters die daarmee volstrekte trouw aan de leer van de kerk moesten afleggen. Hij stond met de rug naar de wereld en had voor haar alleen veroordelingen in de aanbieding die voortvloeiden uit de enige en absolute bron van waarheid, de leer van de kerk. In 1954 werd hij heilig verklaard door Pius XII. Felle tegenstanders van het 2e Vaticaans concilie richtten Pius X genootschappen op om de besluiten van het concilie waar mogelijk te saboteren. Eerst in 1967 onder Paulus VI werd de anti-modernisten-eed afgeschaft.
De paus van Vaticanum II was Johannes XXIII, gekozen als tussenpaus. De ramen gingen open en frisse lucht drong door in de nogal bedompte sfeer van vaticaanse bureaus en tot aan de uithoeken van parochies over heel de wereld. Met hulp van eminente theologen, waaronder Schillebeeckx en Ratzinger, werd door het concilie hard gewerkt aan de vernieuwing van de kerk. Natuurlijk was er strijd tussen de verschillende vleugels. Eén van de niet progressieve, maar wel met overtuiging vooruitstrevenden was Bernard kardinaal Alfrink, katholiek tot in zijn diepste vezels.
Zijn grote inzet was het bestuur van de kerk. Diep was zijn overtuiging dat Paus en bisschoppen wereldwijd het bestuur van de kerk dienden te zijn. En dat de curie in het Vaticaan niet anders kon zijn dan een ambtenarenapparaat, een ondersteunend lichaam voor de wereldkerk. Die slag heeft Alfrink verloren en vermoedelijk heeft het concilie daarmee de beslissende slag verloren. Wel heeft Paulus VI, de opvolger van Johannes XXIII, in de eerste jaren van zijn pontificaat een aantal beslissingen van het concilie, tegen de zin van de curie in, verankerd in de kerk. Maar gaandeweg werd duidelijk dat hij niet tegen de druk bestand was en slechts ten dele de curie kon weerstaan. Onder invloed van delen van dat Vaticaanse apparaat werden besluiten van het concilie tegengewerkt, verdraaid of onder tafel gewerkt.
Niet de curie functioneerde als dienaar van het beleid van Paus en bisschoppen, maar locale bisschoppen werden steeds meer geacht trouwe uitvoerders te zijn van ondoorzichtige vaticaanse besluiten. Dat werd een belangrijk selectie criterium. De lijn van Paus–bisschoppen–curie werd in de praktijk weer Paus–curie–bisschoppen. Waarbij de exacte verhouding tussen Paus en curie tot de goed bewaarde geheimen van het Vaticaan behoort. De laatste pausen hebben deze ontwikkeling van harte gestimuleerd. Johannes XXIII werd in 2000 zalig verklaard, gelijk met Pius IX, een oerconservatieve paus uit het laatste kwart van de 19e eeuw. Deze koppelverkoop was nodig om de tegenstand tegen de zaligverklaring van Johannes te dempen.
JP II studeerde aan een geheim seminarie tijdens de duitse bezetting die overging in een marxistisch regime. Polen was grotendeels katholiek en de kerk was de enig mogelijke plaats van weerstand tegen het regime. Zo’n kerk moet dan een gesloten organisatie zijn en pal staan voor de eigen rituelen en de eigen leer. Conservatisme is dan onvermijdelijk. Zo’n kerk stelt leer tegenover leer, organisatie tegenover organisatie met weinig zicht op wat zich verder in de wereld afspeelt. JP was priester en bisschop van zo’n kerk. Persoonlijke moed kan hem niet ontzegd worden. Het is hem als paus ten goede gekomen in zijn officiële contacten met de oost-europese marxistische overheden en aan hun ondergang heeft hij het zijne bijgedragen. Hij was een merkwaardige mengeling van vernieuwing en reactie.
Meer dan zijn voorgangers schafte hij pauselijk hofceremonieel af, hij reisde de hele wereld rond, stond pal voor bepaalde hervormingen van Vaticanum II, maar het geheel van zijn pontificaat laat een beeld zijn van een paus die een publiekelijke openheid combineert met een autoritair beleid en een conservatieve moraal. Die persoonlijke integriteit combineerde met het zwijgen over ernstige misstanden in zijn kerk. Die in dat opzicht de doofpot niet schuwde, niet t.a.v. het beleid van de Vaticaanse bank, niet t.a.v. seksueel misbruik gepleegd door priesters en prelaten.Onder degenen die hij zalig- en heilig verklaard heeft zijn er meerdere met een meer dan bedenkelijke status, figuren waar veel van gezegd kan worden, maar zeker niet dat zij de eer verdienen die zij hebben gekregen.
Bij dat beleid is kardinaal Ratzinger, de huidige paus, één van zijn meest nabije medewerkers geweest. In 1981 werd hij tot prefect benoemd van de Congregatie voor de Geloofsleer en daarmee één van de machtigste figuren van het Vaticaan. Hij werkte bij Vaticanum II nauw samen met Schillebeeckx, maar rond 1968 schrok hij terug, draaide 180 graden en werd één van voormannen van het conservatisme. Hij is een heel andere figuur dan JP, als hij aftakelt dan zal hij daar veel minder publiekelijk mee omgaan dan zijn voorganger. Maar in beleid ontlopen ze elkaar niet veel. Daarin kozen zij voor een lijn die een deel van de verworvenheden van het concilie ongedaan maakt en die een terugkeer betekent naar een gesloten klerikale cultuur; bisschoppen en priesters als zetbaas van Rome en trouwe uitvoerders van het daar verordineerde beleid.
Het is de keuze voor een kerk die de luiken sluit, die zich als enige in het bezit weet van de absolute waarheid. Een mengeling van nostalgie naar het verleden, angst voor veranderingen en overschatting van het eigen gelijk. Een hartgrondig verzet tegen de verworvenheden van de verlichting, het wetenschappelijk denken, de emancipatie van de vrouw (geen ambtstoelating voor hen). Zoals Pius X de term ‘modernisme’ inzette om zijn afkeer van de ontwikkelingen van zijn tijd aan te geven , zo doet Benedictus XVI dat met de term ‘relativisme’. Tegen die achtergrond speelt het zoeken naar contacten met de reactionaire Pius X beweging, waar bisschop Williamson met zijn onverhuld antisemitisme en ontkenning van de Holocaust wel een heel kwalijke vertegenwoordiger van is. De beweging heeft zich negatief uitgelaten over de zaligverklaring van JP, want die zou veel te lichtzinnig zijn geweest en onvoldoende de misstanden in zijn kerk bestreden hebben. Het zal vandaag in Rome de pret niet drukken en in Polen al helemaal niet. Het is zonneklaar dat met de zaligverklaring van JP Benedictus XVI zichzelf ook een veer in pauselijke mijter toebedeelt. Zijn beleid gaat in het spoor van dat van JP, niet onbegrijpelijk gezien de invloed die hij daar zelf op uitoefende als prefect van de congregatie van de geloofsleer.
Heeft dit alles nog iets te maken met die figuur uit het evangelie die het zo moeilijk heeft met zijn Heer. Ja, dat heeft het, alleen al omdat in de geschiedenis dat met elkaar verbonden is. In 1939 begon men in het geheim te graven onder de koepel van de St. Pieter en na 10 jaar vond men een knekelhuisje met het opschrift ‘Petrus is hier’. Het duurde nog drie jaar voor men daar in de buurt een pakketje botten vond van een man van 60 - 70 jaar oud. Die zouden van Petrus zijn. Hij zou de marteldood gestorven zijn, op eigen verzoek omgekeerd gekruisigd. Het was hem te veel eer om op dezelfde wijze als zijn Heer te sterven. Is dat alleen legende of heeft het nog iets te maken met de man uit het evangelie van Johannes. Bewijzen laat zich niets, er valt wel iets te zeggen.
Beide lezingen van vanmorgen staan niet op het rooster, maar mogen wel op Beloken Pasen. De eerste lezing gaat over de merkwaardige manier waarop Simon Petrus, Simon de Rots en de leerling die Jezus liefhad op weg gaan naar het graf en dat betreden. De ander liep sneller dan Petrus, maar ging het graf niet binnen, Simon volgt, gaat wel naar binnen en dan pas gaat ook de andere leerling. Veel exegeten denken dat Johannes hier spreekt over de gezagsverhouding in de gemeente. Wie gaat voor, Petrus of de andere leerling, zeggen we voor het gemak Johannes. Wie gaat voor: de aangestelde of de ziener. Altijd weer komt die vraag terug: om welke kwaliteit gaat het? Zijn het de rekkelijken of de preciesen, de voorzichtigen of de roekelozen, de twijfelaars of de weters, de orthodoxen of de vrijzinnigen, om het wat kort door de bocht te zeggen, maar de tijd dringt.
Kan het zijn dat Johannes op zijn wijze zegt dat er slechts in voorlopigheid een eerste is en dat diens kwaliteiten alleen dan optimaal oplichten, wanneer er samen een weg gegaan wordt. Niet op dezelfde wijze, met behoud van onderscheid, bij Petrus gaat het gaan voorop, bij Johannes het zien en geloven En wel te bedenken ook dat met behoud van voorlopigheid. Want wat er gehoord en gezien wordt en hoe er ook gegaan wordt; geen van beiden had uit de Schrift begrepen dat hij uit de dood moest opstaan. Wie begrijpt dat wel, wie weet daar beleid op te maken?
Het zal mede daarom zijn dat in het slothoofdstuk de lichtbundel nog één keer naar Petrus gaat en dan gaat het tot drie maal toe over weiden en hoeden, duidelijk als contrast voor het driemaal verloochenen in de tuin van de hogepriester. En de scène herinnert aan de eerste ontmoeting in hfst. 1 waar het lam Gods en Simon elkaar ontmoeten en hij van Jezus de naam Petrus ontvangt. Het lam is geslacht en de rots bleek een loochenaar, maar daarmee is het geen einde verhaal. Het driemaal verloochenen wordt niet geschrapt, maar het komt in het perspectief te staan van het driemaal 'heb je mij lief'. Binnen het taalveld van Israël heeft dat te maken met een manier van zien en leven, met een zo nuchter mogelijk onder ogen zien waar we in wat Johannes ‘deze wereld’ noemt aan toe zijn, dat vrijheid en waarachtigheid altijd bedreigd zijn. Maar al te vaak gaat het zoals met die wijnstok uit psalm 80, zorgvuldig geplant, maar nu kaal gevreten en vertrapt. Israël is daar niet per definitie aan ontheven, de gemeente evenmin.
Daarom moet er sprake zijn van weiden en hoeden, van voorgaan en bemoedigen, want de gemeente is de plaats in deze wereld waar de verdrukking en de leugen niet ontkend wordt en waar geweten wordt dat wij niet meer kunnen, maar ook niet minder mogen doen, dan de nood van de wereld voor het aangezicht van de Levende brengen. Het is dat weiden dat aan Petrus wordt toevertrouwd, waar aan toegevoegd wordt dat hij gebracht zal worden waar hij niet naartoe wil. Johannes verheldert: Met deze woorden duidde hij aan hoe Petrus zou sterven tot eer van God.
In elk geval dat gegeven klinkt door in wat over Petrus in Rome gezegd wordt. Is er een historisch verband of moet de oorsprong ervan eerder gezocht worden in een kerk die zich vervolgd weet in het Romeinse rijk en die in die situatie verhalen van overleving nodig heeft en die later moet verantwoorden dat zij van vervolgde kerk binnen een eeuw promoveert tot rijkskerk en dat de bisschop van Rome nogal eens overhoop ligt met de keizer over de verdeling van de politieke en geestelijke macht. Wie zal het zeggen? De één tot twee miljoen gelovigen in Rome zal dat niet veel uitmaken, zij hebben er een zalige bij. Het zij hun gegund.
Laten wij maar proberen om trouw te zijn aan het woord van het evangelie, in goede samenwerking met de RK gelovigen, ook waar dat aan onaangename regels moet voldoen. Soms moeten we ons er maar aan houden, soms moeten we ze maar laten voor wat ze zijn. Over kerkgrenzen heen ligt de opdracht van de Heer om te weiden en te hoeden. De opdracht verwijst naar de Heer zelf, Ik-ben-de–goede-herder en naar psalm 23 Dat doet ook Gez. 14 uit het Liedboek.
Het is nogal oud, maar ook vertrouwd, het graaft niet zo diep, de melodie is niet zo sterk, maar is wel ingetogen, de tekst is niet zo sterk maar het zegt wel wat wij altijd weer mogen horen: 'De Heer is mijn herder', laat dat lied vandaag het 'amen' van de verkondiging zijn. Zo moge het zijn.
Bij de zaligverklaring van Johannes Paulus II
Johannes 20:01 - 10 Johannes 21:15 - 19
|
|
|
Aan alle medewerkers van het Johannes Passie-project. Beste teamgenoten, Graag wil ik jullie allen hartelijk bedanken voor de onmisbare bijdrage die een ieder van jullie heeft geleverd aan het welslagen van dit project ! Wat is er door iedereen hard gewerkt en wat is er met overgave samengewerkt! Sommigen sliepen er niet van: met de studie CD in het hoofd zongen ze dromend verder en hielden zo hun huis-en buurtgenoten in een gepassioneerde Johannesgreep. Uit de vele positieve reacties van koorleden blijkt bovendien nog dat al dat harde werken in die zeven weken nog leuk geweest schijnt te zijn ook…! Er is gaandeweg een band ontstaan van ruim 80 mensen die eendrachtig en vastberaden op dat ene gezamenlijk doel afstevenden. Ik ben erg blij zowel met toewijding, de saamhorigheid en het pure plezier dat we dankzij elkaar hebben beleefd, met de muziek die we samen hebben gemaakt als ook met de manier waarop we het Passie-verhaal uiteindelijk zingend en musicerend bij de mensen binnen hebben mogen brengen. En: last but not least; met de Handwegkerkgemeente die dit hele project mogelijk heeft gemaakt. De mooiste bloemen kunnen immers niet bloeien, zonder voedingsbodem, zonder tuin, zonder hoveniers die het goede van het leven koesteren. Ieders rol tijdens deze mooie ontdekkingstocht kan heel verschillend zijn geweest: trekkers, duwers, hulpvragenden, hulpzangers, radelozen, tomelozen, moed-insprekenden en niet te vergeten: teamleden die op een even onmerkbare als onmisbare manier hebben meegeholpen om aan dit hele bonte gezelschap een muzikale ruggegraat te geven. Terugkijkend kom je in je geheugen natuurlijk altijd dingen tegen die niet perfect liepen. Onze oren zijn immers afgestemd op gladde CD-opname-technieken die een oneindig aantal identieke herhalingen mogelijk maken. Gelukkig was voor Bach live-muziek de maat der muzikale dingen… Als ik terugkijk op dit project, realiseer ik mij wederom waarom ik zoveel van mijn vak houd en waarom ik er dagelijks zo intens van geniet: Want wat is het toch schitterend dat je met elkaar zo iets moois tot stand kunt brengen wat niemand van ons in zijn eentje zou kunnen. Kwetsbaar en van elkaar afhankelijk als je bent in een muziekteam, leer je van je oren dat je dichtbij elkaar kunt komen door je op elkaar af te stemmen. Een goed team communiceert met het publiek, brengt een muzikale boodschap over. En in het overbrengen van die boodschap verdampen aarzelende inzetjes of andere onbedachte details als nietige druppeltjes in het gemeenschappelijk heilig vuur dat muziek heet. Succes kan niemand claimen, het mag je overkomen, samen, als team. Gefeliciteerd, allemaal! C’est le ton qui fait la musique; c’ est la musique qui fait la vie. Hartelijke groet, Marcel den Dulk
Beste Marcel, Ik heb genoten van het project! Fantastisch dat je dit initiatief hebt genomen en het met ons hebt aangedurfd! De uitvoering vanmorgen was een feest; ik heb lekker gezongen, en je gezicht sprak boekdelen: bij ieder stuk dat goed ging zagen we een grote lach verschijnen. Je mag trots zijn op deze wereldpremière. Waarom krijgt het eigenlijk geen aandacht van de pers? De Nederlandstalige Matthäus was wel volop in de publiciteit! Bedankt voor de goede tijd en het mooie concert, Hartelijke groeten, Hella van Mil (Alt van het AGK) PS Wat jammer dat in het boekje niet alle teksten stonden!!! Is er een mogelijkheid om de volledige vertaalde tekst ergens te lezen?
Lief Organisatie Comité Dank voor jullie inzet! Ik vind het heel bijzonder aan het uit voeren van deze nieuwe mooie versie van Bachs Johannes Passion mee te doen. Ik ben blij met een bepaalde eenheid in kleding want dat draagt volgens mij, door de rust die ervan uitgaat bij aan aandacht voor de inhoud van het muziekstuk. Jammer dat de kerk voor deze gelegenheid niet groter gemaakt kan worden. Ik ben benieuwd of we er allemaal in kunnen. Ik verheug me op de generale repetitie en de uitvoering. Hartelijke Groeten Dieneke Ozinga
Auke en Thole, Dank voor de organisatie van de JP. Ik heb genoten en vooral van de mensen van buiten zeer positieve feedback gekregen. Groeten, Peter van Leeuwen
Lieve mensen, Na een uitvoering in Deutsche Originalverfassung vorig jaar met mijn kamerkoor dit jaar het Gemeinschaftsabenteuer aangegaan met ‘onze’ gemeente en heel veel invliegers. Ik heb er geen spijt van gehad. Een repetitie en de generale slechts kon ik erbij zijn. Die twee keer spatte de energie,de lef en de koers op een geweldige gezamenlijke ervaring eraf. Jammer dus dat ik daarvan slechts twee keer heb kunnen meeliften. Afgezien van een enkel nieuw tekstaccent (zo leer je steeds iets nieuws in een muziekstuk) vond ik het heerlijk om mee te doen. Dit is wat een gemeenschap waard kan zijn. Niet de perfectie, wel de beleving en ook eruit halen wat erin zit. De Handwegkerkgemeente/Gemeente Amstelveen-Zuid als Muziekpakhuis: iets waar ik al jaren van droom en mijn steen via Liturgische Projecten aan bijdraag en opnieuw gerealiseerd zie in dit project dat naast die projecten als muzikaal gemeenteproject gestalte krijgt. Jullie allemaal bedankt!
Marcel, ik heb veel bewondering (en wil je daarvoor danken) voor de wijze waarop je in alle schijnbare rust met een paar duidelijke keuzes in de aanpak ons naar Palmpasen geloodst hebt. En dank voor het ‘betrachte’’ vertrouwen. De bassolo was een persoonlijke ervaring op zich. Gert Jan Slump
Het meedoen aan deze Johannes-Passie was een heel goede ervaring. In de eerste plaats door de stimulerende, corrigerende maar vooral enthousiasmerende leiding van Marcel. Op deze wijze kreeg iedereen steeds meer zin om een zo goed mogelijk resultaat neer te zetten. Het lijdensverhaal bracht zo, gezongen meebeleefd, tegelijk veel vreugde . Tegen een uitvoering in het Nederlands keek ik eerst wat sceptisch aan. Maar de ervaring bij het zingen was een heel andere: de teksten waren inhoudelijk goed en goed zingbaar. Bij vergelijking met het Duitse origineel van de koraalteksten (van J.H. Brockes, een tijdgenoot van Bach ) viel me op dat Marcel hier een echt noodzakelijke en geslaagde modernisering heeft aangebracht, waartegen de oorspronkelijke teksten nu des te meer als verouderd en niet meer bruikbaar afsteken. Klaas van Gelderen
Beste mensen, Als langdurig cantorijlid van de Kruiskerk, heb ik voor het eerst meegedaan aan een oratoriumstuk. Dat was wel even wennen. Maar dat ik mede aan het begin heb gestaan van een unieke vertaalslag van "De Johannes" heb ik eigenlijk later pas ontdekt toen ik uit de liturgie ook de meeste delen van de solistenpartijen heb gelezen. Wat een prachtige vertaling! Ook bewondering voor de rust, het geduld en de zeer behartenswaardige zangtechniek van Marcel. Hulde voor deze inspirerende dirigent! Onder zijn leiding zou ik graag nog eens willen zingen. Laat me weten wanneer de opnamen beschikbaar komen. Met vriendelijke groet, Humphrey W.E.Jansen (tenor)
Beste mensen Toen ik hoorde dat Marcel de Nederlandse vertaling gemaakt had van de Johannes Passion dacht ik “die wil ik zingen. Samen met enkele andere mensen uit Purmerend hebben we alle repetities bijgewoond. Natuurlijk thuis oefenen. Wat me iedere keer weer opviel: de dirigent bleef positief en inspirerend. Bij de laatste repetitie had ik de neiging om af te haken maar dat zou bijzonder flauw zijn. De generale was zeer matig. Dus kwamen we zondag al heel vroeg, om 07.15 al op pad. Ik met de gedachte: ik doe mijn best en meer kan ik niet doen. Wat er ook gebeurt, ik beleef het verhaal. Tot mijn blijde verwondering was het koor zeer geconcentreerd! Natuurlijk waren er ‘missers’ maar we zijn mensen en ook nog een projectkoor. Ik heb verschillende keren de Mattheus Passion gezongen en 1 maal de Johannes maar dat is in het Duits. Dat ‘versluiert’ het verhaal. In het Nederlands komt het veel directer over. Ik vond het ook een belevenis om dit met veel amateurs uit te voeren. [ Sorry Marcel, jij bent geen amateur, en mogelijk ook enkele solisten niet, dat weet ik niet] In ieder geval heb ik er van genoten en zingt het nu nog steeds door in mijn hoofd. Met hartelijke groet, Jannie Feijen – alt.
Heer...heer...heerlijk om hieraan mee te mogen doen! En wat zou ik graag nog aan een tweede uitvoering willen meewerken, maar helaas... Met hartelijke groet, Koos Hagen (een bas die het zonder zijn buurman Harry niet zou hebben gered)
Dag allemaal, In allerijl piepte GJ mij niet zo ruim tevoren op met het onzalige plan om een aantal keren heen en weer te kachelen van Sint-Michielsgestel naar Amstelveen. Het plan was dan in eerste instantie licht onzalig, de uitvoering was zalig ! Ik houd er een warm gevoel aan over. Aan het zingen, maar ook aan het gevoel dit met jullie, Amstelveeners gezongen te mogen hebben. Een eenmalig succes dat in mijn geheugen blijft opgeslagen. In ongeduldige afwachting van de beelden, Guido de Bekker
Gewaardeerde mede-Johannisten, Ook ik wil graag even uiting geven aan het plezierige gevoel dat repetities en uitvoering van “onze” Johannes Passion bij mij heeft achtergelaten. Als buitenstaander heb ik mij vanaf de eerste minuut zeer welkom gevoeld in het koor, waarvoor dank aan allen, en natuurlijk iets specifieker aan de bassen, in wier midden ik mij mocht bevinden. De kennismaking met deze fantastische muziek was me ook een genoegen, als ook de werkwijze van ons aller dirigent. Ik vroeg me van tevoren af hoe hij zo’n omvangrijk werk in zo korte tijd panklaar zou kunnen krijgen. Nou, dat werd me snel duidelijk; door de werken die muzikaal-thematisch met elkaar verbonden zijn tegelijk in te studeren, wat het leerproces aanzienlik versnelde. En vooral door een enorme rust uit te stralen, waardoor we het vertrouwen kregen dat het ons best zou gaan lukken.
Marcel, ik wil je, naast dit compliment, ook nog even het volgende laten weten; mijn zangleraar heeft op vrijdag nog even met me naar de Pilatuspartij gekeken, en hij liet zich positief uit over je vertaling. En gezien het feit dat hij jaarlijks meerdere passies op topniveau zingt, mag je hem echt wel een expert noemen, dus deze veer kun je rustig in de daartoe bestemde plek steken. En natuurlijk wil ik je nogmaals hartelijk danken voor het vertrouwen dat je me gegeven hebt. Al met al; het was een mooi avontuur. Hartelijk dank iedereen! Peter Lusse
Hallo Marcel, Het was een mooie uitvoering en voorbereiding tot. Ik heb er van genoten. Complimenten Marcel voor het stimulerend enthousiasme, knap dat je in zo'n korte tijd het koor zover hebt kunnen brengen. Met dank en hartelijke groet, Kees Janse
Goedendag allen, Het is nu inmiddels bijna een week na de uitvoering van de Johannes Passie, maar de muziek hiervan gaat nog elke dag door mijn hoofd. Het feit dat mijn echtgenote (Margot) en twee kinderen (Jeroen en Evelien) ook hebben meegezongen help ook niet echt, want er hoeft maar iemand van ons met een Passie-melodie te beginnen en we gaan weer “los”.
Hiermee geef ik aan wat dit muziekstuk teweeg heeft gebracht. Zes weken oefenen, met het hele koor of alleen met tenoren en collega-bassen (wat op zich al een feest was, niet in de laatste plaats door de vrolijke inbreng van Peter Lusse) , de generale en de uitvoering, we hebben er van genoten. Ik ben het helemaal met Philip en anderen eens dat we dit gewoon nog een keer moeten uitvoeren!! Marcel, hartelijk bedankt voor de beleving en al het werk wat je in dit project gestopt hebt. Met vriendelijke groeten, Gert Groot
Beste allen, Wat blijft hangen is natuurlijk de behoefte aan ‘nog een keer’ ! Misschien volgend jaar in het Concertgebouw, Marcel? Dat wordt pas een uitdaging…. Met vriendelijke groet, Philip Todd
Zonder enige koorervaring hebben wij (behoorlijk overmoedig..) mee gedaan aan de Johannes Passie. Wat hebben we genoten! Wat is het bijzonder om onderdeel te zijn van dit muziekspektakel! Het verhaal spreekt veel directer als je het zelf meezingt en dan ook nog eens in de eigen taal. Verder hebben we iets over zingen geleerd: schouders naar achter, strakke buikspieren, losse kaakspieren en dan schijnt de rest vanzelf te gaan… We hebben ook gelachen en niet in het minst door de humoristische aanpak van Marcel. Dank allemaal! Willemijn Wittkämper en Anita Kloek
|
|
|