13 Zoals een vader zich ontfermt over de kinderen,
zo ontfermt de Heer zich
over wie ontzag voor Hem hebben.
14 Want Hij weet wat voor een maaksel wij zijn,
Hij gedenkt dat wij stof zijn.
15 Het mensje: als het gras zijn zijn dagen,
zoals de bloem op het veld, zo bloeit hij;
16 een stormwind gaat erover heen, en hij is weg,
de plaats waar hij stond, kent hem niet meer.
17 Maar de liefde van de Heer
is van eeuwigheid tot eeuwigheid
over wie ontzag voor Hem hebben,
zijn gerechtigheid is voor de kinderen van de kinderen,
18 voor hen die zijn verbond bewaren,
voor hen die zijn opdrachten gedenken,
om die te doen.
19 De Heer heeft zijn troon in de hemel gezet,
zijn koningschap heerst over alles.
20 Zegent de Heer, jullie, zijn engelen,
sterke helden, daders van zijn woord,
die horen naar de klank van zijn woord.
21 Zegent de Heer, heel zijn legermacht,
jullie, zijn helpers, daders van zijn wil.
22 Zegent de Heer, al zijn daden,
op alle plaatsen van zijn heerschappij.
Zegen de Heer, mijn ziel!
Lieve gemeente,
Ik wil vanochtend niet veel meer doen dan de tekst nog eens laten zien, en een aantal dingen nog wat onderstrepen. Als je zo’n goede en mooie en rijke tekst hebt gehoord, dan moet ik als predikant er niet te veel aan toevoegen, want dan doe ik er eerder aan áf, ben ik bang. De tekst kan voor zichzelf spreken.
Psalm 103 is een lied: een loflied op het verbond. Hier komt een mens aan het woord, hier barst een mens uit in zingen: een mens die in het verbond met zijn/haar God staat. Dat verbond, dat is een relatie van twee partners: de God van Israël en zijn volk. Deze God en zijn mensen.
Deze relatie is hij aangegaan, het is zijn initiatief. Maar nu vervolgens mag die mens daarin ook helemaal meedoen, die mag helemaal zijn rol gaan spelen. Het is één groot gebeuren van met elkaar omgaan, elkaar aanspreken. Een gebeuren van Gij en ik, ik en jij. Van twee die bij elkaar horen.
En dat komt prachtig naar voren in dat ene woordje waar het hele lied mee begint, én mee eindigt: zegenen. Zegen de Heer, mijn ziel!
Nu is het gekke, dat in ons taalgebruik (in ons kerkelijke taalgebruik) dat woord zegenen eigenlijk alleen maar gereserveerd is voor God. Alleen God zegent. En daarom vind je in alle Nederlandse vertalingen: ‘Loof de Heer, mijn ziel!’ Of: ‘Prijs de Heer, mijn ziel!’ En de gedachte daarachter zal wel zoiets zijn: Nee, zegenen, dat doen wij niet, dat doet God alleen. In het Engels is het geen probleem: Bless the Lord, my soul! Maar in het Nederlands (en in het Duits trouwens ook) zeggen we dat kennelijk liever niet.
Maar dat is nu juist het hele punt, en dat is nu juist ook zo mooi: God (deze God) zegent. Dat wordt trouwens in deze Psalm niet letterlijk zo gezegd, maar het wordt wel op vele manieren beschreven en bezongen: hij vergeeft je onrecht, hij geneest je ziekten, hij verlost je leven, hij kroont je met vriendschap en ontferming, hij stilt je verlangen… Dat zijn allemaal manieren van zeggen, die samengevat worden met dat ene: hij zegent je! Je jeugd wordt nieuw als van de arend!
En nu is dus het hele mooie, dat het daar niet bij blijft. Want in dat verbond, in die relatie, gaat nu die ander, die zoveel zegen ontvangen heeft, die gaat nu ok terugzegenen. Mijn ziel, nu moet jij ook hém zegenen! En dat betekent dan: hem liefhebben, hem grootmaken, hem bezingen, bij hem blijven…
Dat betekent ook: ontzag voor hem hebben. Dat horen we in die Psalm ook een paar keer. De Heer, God, hij ontfermt zich over wie ontzag voor hem hebben. In de oude vertalingen wordt dat weergegeven met de ‘vreze des Heren’. Daar gaat het dan over ‘hen die de Heer vrezen’. En dat klinkt even alsof je God ontferming en zijn toewending wel eerst moet verdienen met een flinke portie vrees. Je moet wel flink voor God door het stof kruipen voordat hij zich over jou ontfermt. Maar dat lijkt mij nou verre van de bedoeling van de Psalm. Ik denk dat hier vooral iets geschilderd wordt van dat verbond: je bent sámen in die relatie. Hij ontfermt zich over jou, en jij blijft bij hem. Hij doet zijn daden van liefde aan jou, en daar ben jij van ondersteboven, daar ben jij blij mee.
Hij zegent jou, en jij zegent hem. Zo gaat dat in dit verbond. Je bent met elkaar verbonden, in wederkerigheid: jij en ik en ik en jij.
Zie je, zo, met deze woorden, wordt de omgang van deze Bevrijder-God met zijn mensen getekend, en andersom de omgang van zijn mensen met hem. Hier wordt kortom het geloof getekend. Geloof (dat zeg ik wel vaker, dat komt doordat me dat zo aan het hart gaat), dat is dus niet theorie, niet een prachtig geheel van regels en ideeën en overtuigingen. Maar dat is omgang hebben. Dat is Gods verborgen omgang vinden. Zijn omgang met jou, en jouw omgang met hem. Je wordt aangesproken en je spreekt terug. Je wordt gezegend, en je zegent terug.
Zoals het ook is als twee mensen met elkaar verbonden zijn. Je kunt vanalles van elkaar vinden en allerlei ideeën over die ander hebben. Maar het gáát er toch om dat je elkaar aanspreekt, met elkaar omgaat. Dat is relatie.
II
Dat klinkt nu allemaal heel mooi. Dat klinkt allemaal heerlijk. En dat is ook mooi. Het is heerlijk! Dat is natuurlijk helemaal wat deze Psalm uitroept aan alle kanten: Wat heerlijk is dit!
Maar er staat iets op de achtergrond. Er klinkt iets door de woorden heen. En dat is: het ergste wat er in een relatie kan gebeuren. Het ergste wat er kan gebeuren, namelijk dat die relatie verbroken wordt. Dat één van de twee eruit stapt. Dat één van de twee zegt: ‘Ik wil jouw liefde niet. Ik zie jouw bevrijding niet zitten. Ik ga niet de weg die jij voor ons voor ogen hebt…’
Dat is het ergste wat er is.
En terwijl ik dat zeg, voel ik ook meteen hoezeer die zinnen ook pijn doen. Omdat dat is wat wij om ons heen zien, soms heel dicht bij. Of ook uit ons eigen leven. Relaties worden verbroken. Er gaat iets niet door. En dat kan duizend redenen hebben. En duizend keer doet het zeer.
Dat weet de Psalm ook. De Psalm bezingt de relatie van de Mensengod van Israël met zijn mensen. En op de achtergrond staat dus precies zo’n verhaal: van die relatie die verbroken wordt. Van die liefde, die een ongelukkige liefde is. Omdat de mens toch, steeds, niet wil en eruit stapt. Dat verbond wordt verbroken door – de zonde van de mens.
Ai! Het hoge woord is eruit. De zonde. De mens die het niet wil of het niet kan of het gewoon niet doet. Of dat allemaal tegelijk. Die mens maakt dat dat grote gebeuren van het verbond – tot stilstand komt.
Gemeente, wat ik nu zou kunnen doen, is enorm uitweiden over die zonde. Over alle mogelijke verschijningsvormen ervan. Over de schuld van de mens tegenover God. Over het onrecht tussen de mensen. Ik zou kunnen zeggen wat ik toch wel het állerergst vind, in de wereld, en in de kerk niet te vergeten. Ik zou u ervan langs geven. En mijzelf ook natuurlijk! En dan zouden we daar allemaal van onder de indruk zijn.
Maar de Psalm is van iets anders onder de indruk. Die is namelijk vooral onder de indruk van de vergeving. Zie je, dat is toch wat dit lied aan alle kanten bezingt. Deze Psalm wil het niet hebben over de zonde, maar over het wégdoen daarvan. En wij mogen vandaag met elkaar niet onder de maat van de bijbeltekst blijven. De Psalm wil helemaal niet over de schuld vertellen, en over de mens en over hoe slecht die is. Dat weten we ook allemaal wel. Je zou kunnen zeggen: de Psalm laat ons dat gewoon lekker zelf bedenken. Maar hier horen we iets wat wij niet zelf kunnen bedenken. En dat is: dat het uít is met de schuld. Dat dat niet meer telt. Een streep door de rekening. Een schone lei.
En nu moet ik even aan ons denken, zo aan het begin van een nieuw jaar. De eerste dagen van januari zijn altijd vol van de goede bedoelingen: nu gaan we het echt anders doen, opnieuw, beter… Maar we kunnen het toch niet echt. Maar deze God kán het: opnieuw beginnen. Hij begint opnieuw met ons. Dat is het wonder dat hier bezongen wordt.
De Heer, deze God, hij gaat zijn mensen steeds weer halen, als die weglopen. Als wij eruit stappen, komt hij achter ons aan om ons te halen, ons óver te halen. ‘Ach toe, kom nu weer bij me staan. Ik blijf toch van je houden. Kunnen we niet opnieuw beginnen, met een schone lei.’ En dat – dat is geweldig. Dat deze God zó is! Dat hij zo ongelofelijk, zo steeds weer een nieuw begin met ons maakt. Dat is, nou ja, te gek. En: als je dat hoort, dan moet je wel zingen. Dat kan eigenlijk niet anders. En dat doet dus deze Psalm, hier, in onze oren.
En hoe! Het is zó mooi. De beelden die er dan gebruikt worden. Zo hoog de hemel boven de aarde is… Weet u wel hoe hoog dat is? Héél hoog! Nu, zo is zijn liefde, zijn vriendschap, zijn bevrijding, verheven boven zijn verbondsmensen. En: zo ver het oosten van het westen is… Dat is dus heel ver! Nu, zo verwijdert hij onze overtredingen van ons.
En zo, van de hemel tot aan de aarde, en van het oosten tot aan het westen, zo is dus de héle schepping vol van zijn liefde. Waar je maar kijkt, zie je zijn vergeving, zijn ontferming. Zo alomvattend is het.
Daar gaat het om in deze woorden, natuurlijk. Het gaat erom dat wij horen hoe totaal, hoe radicaal, deze ontferming is. Dit is niet: voor sommige zonden is er een beetje vergeving. En ook niet: als je nu heel erg je best doet, dan kun je misschien rekenen op… Nee, dit is totaal: de Here God maakt helemaal een nieuw begin met ons. Ben jij in het oosten, dan zijn jouw zonden in het westen. Wég! Helemaal weg.
III
Nou, zo. Dat is het verhaal van deze Psalm.
Het was trouwens ook het verhaal van kerst. Ook met kerst hebben we het in vele toonaarden gezongen. En het schalde zelfs uit de speakers bij de V&D: Stille nacht, heilige nacht. Vrede en heil wordt gebracht aan een wereld verloren in schuld. Dat is het verhaal van kerst: God zelf komt naar ons toe, om ons weer binnen zijn verbond te halen. Hij komt, om ons te zoeken en te vinden en te redden. Om een nieuw begin met ons te maken. Dat is wat wij zagen in dat kind dat ons gegeven werd. Het totaal nieuwe begin van Godswege.
In hem is deze Psalm nog een keer, opnieuw en helemaal en definitief waar geworden. Want Jezus is het toch in levenden lijve: de liefde van God. Jezus is toch zelf de hand van de Vader, die ons zegent. Hij is het toch: die al je onrecht vergeeft. Die al je ziekten geneest. Die je leven verlost van de groeve. Die jou kroont met vriendschap en ontferming.
Gemeente, zoek dan niet langer. Want in hem zijn wij gevonden. Twijfel dan niet meer. Want hij is onze zekerheid. Vraag niet langer. Maar zing!
Zegen de Heer, mijn ziel!
Jesaja 61:10-62:1-3 (door ds P. de Bres)
Overweging uit de dienst van 27 december 2009 (door ds P. de Bres)
Lezen: Jesaja 61: 10-11 Jesaja 62: 1-3 Lucas 2: 22-40
Gemeente,
De geboorte van Jezus vindt plaats in een roerige tijd. In Galilea was voor het eerst sprake van opstand: de guerrilla beweging van de Zeloten tegen de Romeinse onderdrukking. Er is wel eens gesuggereerd dat Jozef en Maria daarom geen plaats vonden in Bethelehem. Alles vol? Ontzettend druk? U leest het nergens. Maar stel, dat die Galileeer ook zo’n Zelotische opstandeling blijkt? Nee, die hebben we liever niet in huis. Hoe het ook zij, er zinderde iets in de lucht van: weg met de Romeinen. Zal God, die ons uit de slavernij van Egypte bevrijdde, Die ons uit de Ballingschap van Babel redde, ons ook nu niet, vandaag redden? Is God vandaag en morgen niet Dezelfde als Hij vroeger was?
De tempel in Jeruzalem. Voor de 2e keer sinds Jezus geboorte zijn Jozef en Maria naar de tempel gekomen voor het reinigingsritueel na 40 dagen en het bijbehorende offer. Wat onzeker, wat onder de indruk van alles. Opeens staat er een man naast hen. Hij neemt het kind van Maria over en neemt het in zijn armen. Hij slaat de ogen ten hemel: Dank Heer God, nu kan uw dienstknecht in vrede heengaan. Met eigen ogen heb ik uw redding, uw Messias gezien. Wat gebeurt hier? Kennen Jozef en Maria hem? Simeon heet hij. Simeon, dat heeft met horen te maken. God heeft hem gehoord, verhoord. Maar proeven we niet dat ook Simeon heeft gehoord? Zo begint de Joodse geloofsbelijdenis: Hoor Israel, de Heer is onze God, de Heer is één; Je zult de Heer, je God liefhebben met heel je hart. Simeon heeft daarnaar gehoord, heeft God liefgehad, en heeft zich aan zijn geboden gehouden. Simeon was rechtvaardig en vroom, horen we dan ook. De 1e die in de Bijbel rechtvaardig genoemd wordt is Abraham. (Noach, die figureert in de Voorgeschiedenis, laat ik buiten beschouwing). Een rechtvaardige; een Tsaddiek, zegt men in de Joodse traditie. Simeon, een man die God liefheeft en daarom in zijn wegen gaat. Van zulke mensen heb je er nooit genoeg. Maar helaas, dik gezaaid zijn ze niet. Een Joods verhaal vertelt dat er alle eeuwen door 36 rechtvaardigen zijn. Niemand weet precies wie het zijn. Zijzelf misschien het allerminst. Maar dankzij deze rechtvaardigen houdt God de wereld in stand. Er is iets bijzonders met deze Simeon. Hij is altijd als oude man getekend, maar Lukas zegt dat niet. Oude mensen, hoe vaak heb ik ze in Zorgcentra niet ontmoet. Mensen die vaak in het verleden leven. Ach, vandaag, alles is zo anders, het gaat allemaal zo snel, ze kunnen het niet meer goed bijhouden. Ze vergeten ook veel, maar niet van hun jeugd, van thuis, vroeger; ah, dat was zo geweldig. Zo is Simeon niet. Hij verwachtte dat God Israel vertroosting zou schenken. Vertroosting? Voor het lijden onder Romeinse overheersing? Of dieper? Was Simeon geen Tsaddiek, een rechtvaardige, die leefde van Gods woord, die uitzag naar zijn vrede en gerechtigheid? Rustte de Geest van God niet op Hem? Waar die Geest aan het werk is ontstaat toch altijd iets nieuws? Was dat niet waarop Simeon wachtte, het nieuwe van het Rijk van God dat komen zou? Hij had de belofte gekregen dat hij de Messias van Israel zou zien. De Messias die het Rijk van Gods vrede en gerechtigheid brengt. Simeon is geen mens die vanuit het verleden leeft, allerminst. Hij leeft vanuit de toekomst, vanuit verwachting. Hij is geworteld in het nieuwe, in wat komen gaat in Gods naam.
Daar staat hij in de tempel. Heeft de Geest hem daarheen gebracht? Opeens: als of een lichtflits uit de hemel hem treft. Hij hoort, ziet, het kind, de Messias. Hij weet, God heeft mijn gebed verhoord. Het kind neemt hij in de armen, zonder protest van de ouders. Dit kind: de Messias van Israel; dit kind: Gods belofte van vrede en gerechtigheid. Dit kind: Gods koninkrijk, zijn toekomst, liefde en genade. Hij opent zijn mond: hij roept, zingt: Nu laat Gij Heer uw dienstknecht gaan in vrede. Wat bedoelt hij? Dat hij het moede hoofd te ruste kan leggen? Dat hij nu bereid is zijn aardse leven los te laten? Zo is het altijd geïnterpreteerd en daarom noemde men Simeon oud, al staat dat, in tegenstelling tot Hanna, niet in de tekst. Nu laat Gij Heer uw dienstknecht heengaan. Het woord dat gebruikt wordt voor heengaan, heeft nooit de betekenis van overlijden. Letterlijk staat er losmaken, losmaken van wat knecht. En slaat die dienstknecht op Simeon of op Israel, dat in het OT zo vaak de dienstknecht van God wordt genoemd? Simeon had gehoopt, gewacht op het moment dat God Israel vertroosting zou schenken en niet specifiek aan hem. In dit kind, weet hij, is dat vervuld, is Gods redding onder ons. Gods heil, Gods Koninkrijk, zijn liefde en genade, vrede en goedheid. Nu kan Israel in vrede verder gaan. Nee, nog groter, niet alleen Israel wordt gered, maar alle volkeren Dit kind, Licht van God voor de volkeren die Israels God niet kennen.
De woorden van Simeon zijn groot en ze buitelen over elkaar heen. Iets nieuws in dit kind; bevrijding en redding van God, Vrede en Koninkrijk van God, Licht van God voor heel de wereld, zodat iedereen de weg van vrede weer ziet. Geen wonder dat de ouders van het kind verbaasd, verbijsterd zijn. Maar voor we weer op adem zijn, staat er weer iemand bij het kind. Een vrouw, Hanna, een profetes; haar familiegeschiedenis horen we in het kort. Heel oud is ze voor die tijd: 84 jaar. Na 7 jaar huwelijk overleed haar man, nu is ze al meer dan 60 jaar alleen. Waarom krijgen we dat te horen? Omdat zij van verdriet en pijn weet, van eenzaamheid en zorg in die wereld zonder sociale wetgeving. Had zij, vanuit eigen verdriet, niet een groot inlevingsvermogen voor het verdriet, de pijn, maar ook de hoop van anderen? Want waar vind je troost in je verdriet, waaruit put je hoop? Waar mensen zo snel jouw verdriet vergeten zijn, vind je daar geen troost bij God? Is Hij niet je enige hoop? Dat leer je als je lang alleen bent. Mensen zijn vriendelijk, best bereid te helpen, althans soms. Want tenslotte kiezen ze toch altijd voor zichzelf. Dat is haar ervaring. Niet voor niets horen wij dat zij dag en nacht in de tempel was. Nee, God bleek haar hoop en haar troost en daarvan heeft ze de mensen verteld; ze wordt immers profetes genoemd. Laten we dat on-Bijbelse idee van de toekomst voorspellen nu eindelijk eens los laten. Een profeet voorspelt niet, een profeet is iemand die het volk, die mensen weer bij God brengt. Als Israel God vergeet en de Baäl naloopt, brengt Elia het volk weer terug bij de God van Israel. Als David, met de Batseba-affaire, God en zijn geboden in de wind slaat, is het de profeet Nathan die hem weer bij God terughaalt. Zo was die oude Hanna dag en nacht in de tempel. Een trouwe ziel. Dicht bij de Heer was haar thuis. Daartoe zocht ze het gebed, zoals Jezus later ook zou doen. En mensen, met al hun pijn en vragen, bracht zij weer bij God. Met allen, vertelt Lukas, sprak zij over dit kind. Met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem; met allen die hoopten op Gods Rijk van vrede en gerechtigheid.
Of Simeon oud was, weet ik niet. Hanna wel. In de Advent heb ik een goed woordje voor Maria gesproken, die heel bijzondere vrouw. Nu een goed woord voor onze ouderen. De kerkbevolking bestaat voor een steeds groter deel uit ouderen, met een accent op vrouwen. Vaak even trouw als Hanna. Onze samenleving, snel, altijd veranderend, met alleen respect voor wie een economische inbreng heeft, heeft moeite met ouderen. Jong en dynamisch, daar gaat het toch om. Ouderen houden al die veranderingen maar moeizaam bij. Maar ouderen hebben een andere, diepere deugd, die jongeren vaak over het hoofd zien: levenservaring en in de kerk: geloofservaring. Ouderen zijn vaak even trouw als Hanna; ik kan ze hier met m’n vinger aanwijzen. Kunnen ook zij niet als profeet/ profetes fungeren? Jonge mensen - die in onze pluralistische en seculiere maatschappij dikwijls grote moeite hebben geloof en maatschappij bijeen te houden – de weg naar God te wijzen. Als zij maar de kans krijgen ipv. afgeschreven te worden. Onze maatschappij is snel en uitdagend, dynamisch en spannend. Maar ook uiterst ingewikkeld en vaak kil en humaniteit staat te vaak onder druk. Het laatste decennium staat geloven in de openbare ruimte onder zware druk van de politiek, de VVD voorop. Wees eerlijk: zo geweldig is onze wereld niet. Het lijkt tenminste nog op geen kanten op het Koninkrijk van God. Waar vinden we heil, vrede, gerechtigheid voor iedereen? Teveel rafelranden, te velen die uit de boot vallen. Altijd dreiging en geweld, overal stille armoede. Te weinig inspiratie, geest, geloof en weten van toekomst. Hebben ouderen vanuit hun levens- en geloofservaring niet meer antwoorden dan jongeren? Vreemd, maar ik ken geen kerk die over deze vragen eens met ouderen hebben gesproken, over hun mogelijke rol hier. Vreemd, het meest trouwe deel van de kerk, lijkt vaak afgeschreven. Maar ouderen, mogen, net als Hanna, hun plaats hebben. Houdt hen in ere, zoals Lukas dat ook doet.
Simeon en Hanna: 2 heel verschillende mensen. De een Tsaddik, een rechtvaardige als Abraham; hij houdt zich aan Gods geboden, die een mens op de weg ten leven leiden. Staat Simeon niet voor Gods wet, voor de Torah. Hanna, de profetes, verwijst naar de profeten van het OT. Samen, Simeon en Hanna, verwijzen naar Wet en Profeten, zoals Jezus ons OT noemt. Zo zegt Lukas: alleen lezend in het OT herkennen wij het kind Jezus. Van zijn kant heeft Jezus, daarin lezend, de weg ontdekt die Hij moest gaan.
Simeon en Hanna, beide bijzondere mensen, omdat zij weigeren vanuit het verleden te leven, maar – ondanks hun leeftijd – leven vanuit Gods toekomst. Simeon leefde vanuit Gods toekomst: hij verwachtte de vertroosting van Israel: Gods Rijk van vrede en gerechtigheid, waar mensen weer kunnen zijn waartoe God hen bestemd heeft: thuisgekomen, zichzelf geworden in het licht van Gods goedheid. Leven vanuit die toekomst, dat is wat ik ouderen en jongeren toewens. En het kan, is mogelijk geworden: het kind Jezus is gekomen, heeft onder ons gewoond en heeft zijn bestaan voor ons geven, zodat wij kunnen leven.
Leven vanuit de toekomst is iets anders dan leven naar de toekomst toe. Dat doet ieder mens vanzelf; de ene dag volgt immers de andere op. Dat is volkomen onze natuur: trouwen, kinderen krijgen, werken. Maar ligt daarin de diepste kern van ons bestaan? Jongeren: hopen op een betere baan, de nieuwste mobiel of elektronisch speeltje kopen, mee willen doen, er bij horen, belangrijk zijn. Laten we ook dat maar snel relativeren. De Bijbel wijst in Jezus een andere weg. In het kind, rond wiens wiegje we nog maar kort geleden stonden, herkennen we God, die ons uitnodigt vanuit Zijn toekomst te leven, die ons zo hoop geeft, uitzicht op zijn goedheid en vrede, zonder de pijn van dit bestaan, de tranen , ziekte en dood. Nogmaals wijs ik naar alle Hannas, de ouderen in ons midden, trouw in hun kerkgang, die hun leven diep lieten wortelen in Gods huis’ en zo een plaats openhouden waar God herkend en gekend wordt.
40-jarig ambtsjubileum Ds. E.G. (Nora) van Egmond
40-jarig ambtsjubileum Ds. E.G. (Nora) van Egmond
17 Januari 2010 wordt om 10:00u in de Immanuelkerk in De Bilt een feestelijke kerkdienst georganiseerd om het veertig jarig ambtsjubileum van Ds. Van Egmond te gedenken. Van september 1974 tot maart 1981 heeft Ds. Van Egmond de Adventkerkgemeente in Amstelveen – Zuid gediend. Vele oud-leden van de Adventkerk zullen haar nog kennen. Ds. Van Egmond was overigens de eerste vrouwelijke predikant in de (toenmalige) Gereformeerde Kerken in Nederland, ook aan dit aspect wordt tijdens de dienst aandacht geschonken.
Vanuit haar huidige wijkgemeente in De Bilt is gevraagd of een delegatie oud-gemeenteleden uit Amstelveen deze dienst wil bijwonen. Als hiervoor belangstelling bestaat dan kunnen de aanmeldingen via mij lopen: 020-6453525 of
. Wellicht kan een ‘autodienst’ worden ingesteld.
Jan W. Bossenbroek
Monologen Kerst 2009 (ds. G.J. de Bruin)
Monologen Kerstdienst, 25 december 2009 (door ds. G.J. de Bruin)
Lezen: Jesaja 9: 5-6 Lucas 1: 26 e.v. Lucas 2: 1-7
monologen door: Fanny Legerstee, Maxim Schoemaker en ds. G.J. de Bruin
Het verhaal van Maria
Heerlijk vind ik het om voor een paar weken weg te zijn. Om Nazareth even achter me te kunnen laten. Ik merk de laatste tijd dat er over me gekletst wordt. Mensen zie ik raar naar me kijken. Ze zeggen tegen elkaar: Heb je het al gehoord? Maria krijgt een kind. Ik zie ze smoezen achter hun hand. En nieuwsgierig dat ze zijn… Ze willen natuurlijk heel graag weten wie de vader is. Maar dat gaat ze niets aan. Dat is mijn geheim, dat is het geheim van Jozef en mij. Je denkt toch niet dat ik dat ga delen met al die mensen uit mijn dorp. Jozef en ik houden het voor onszelf. Ze zullen ook wel over hem kletsen. Maar ik weet dat Jozef mij niet in de steek zal laten. Dat was toen we erover spraken een hele geruststelling. Als Jozef iets belooft, dat houdt hij zich daar ook aan. Zo goed ken ik hem wel.
Nu ben ik op weg naar Elisabet. Dat is een hele reis maar dat heb ik er graag voor over. Mijn geheim is bij haar veilig. Ze is als een moeder voor mij. Als klein meisje kon ik het al heel goed met haar vinden, vertrouwde ik haar door en door. Elke zomer logeerde ik bij haar. 't Is gek maar ik zeg soms dingen tegen haar, die ik nog nooit tegen iemand heb gezegd, nog niet eens tegen mijn eigen moeder…
Heerlijk vind ik het, om haar straks te zien. Om haar uitgebreid te spreken. En ik houd van Judea, van deze streek, van de groene heuvels hier, van de gekromde olijfbomen, van de wind door m'n haren. In het dorp van Elisabeth wordt er gelukkig niet op me gelet.
In Nazaret heb ik de laatste tijd steeds lopen fluisteren. Jij mijn lief kind, je hebt heel wat verhalen van me moeten aanhoren. Ik heb je al bij je naam genoemd. Jezus zul je heten. Ik heb je verteld over je grote opdracht, over de troon die jou wacht. De troon van koning David. Jouw roeping is eigenlijk te groot voor woorden. Hoe kan ik het je duidelijk maken? Het is een groot geheim. Ik kan er maar beter over zwijgen.
Zo klein als je bent in mijn buik, ben je nu al op reis. Moet je kijken m'n kind, daar… tegen die heuvel ligt het dorp van Elisabet en Zacharias. We zijn er bijna. Elisabet weet dat ik kom. Dat zij nu toch ook in verwachting is. Toen ik dat hoorde, kon ik het eerst bijna niet geloven. Maar het is echt zo. Wat een geluk voor haar en voor Zacharias.
We zijn er bijna, lief kind. Je snapt wel waarom ik onderweg soms loop te zingen. Te zingen van vreugde. Rozen zullen bloeien. Er komt een nieuwe lente. Dat duurt niet lang meer. Nog een paar maanden. Voorbij die herberg moeten we naar links en dan zijn we er. Ik weet bijna zeker dat Elisabet op de uitkijk staat. Wie is dat daar in de verte… die vrouw met die buik…? Ja hoor, daar staat ze.
Elisabet! Joehoe! Elisabet!
Verhaal van de ezel (voor de kinderen)
Meisjes en jongens, als je bij de stal gaat kijken, kom je ook de ezel en de os tegen. Wat zou hun verhaal over de geboorte van dat kind zijn? Het verhaal van Jozef en Maria en het kind kennen jullie, maar als die ezel nou eens ging balken, wat zouden jullie dan te horen krijgen? Het zou zo kunnen gaan:
“Ik krijg er nog tranen van in mijn ogen, zegt de ezel, het geloei van mijn moeder, toen ze me bij haar weghaalden. Dat vond mijn moeder niet goed. Wij ezels zijn kuddedieren, wij doen niet graag iets alleen en nu moest ik zonder mijn moeder op weg. Maar ik had geen keus. Op mijn rug zat Maria, heel die weg van Nazaret naar Betlehem. Dat was een lange tocht. In Betlehem moesten we in een stal, of wat daar op leek, overnachten. Dat is voor mij geen punt natuurlijk, ik heb het niet gauw koud. Maar voor Maria en Jozef en het ventje dat geboren werd, was het allesbehalve een pretje.
Ik vraag me trouwens wel af waarom ik uit het kerstverhaal geschrapt ben. Lukas heeft het over een engel en later over herders. Maar niks over de dieren, mijn vriend de os en mij heeft hij weggelaten. Daar kan ik soms wel boos over worden. Ik vraag jullie: Hoe zijn Maria en Jozef in Betlehem gekomen? Echt niet met de trein, al rijden die bij ons beter op tijd dan bij jullie. Zien jullie Maria, met haar dikke buik, dat hele stuk lopen? Of een paar dagen op de rug van één van die engelen? Zo'n engel gaat gelijk klagen bij een Arbo-arts. Ik vraag nogmaals: hoe is Maria in Betlehem gekomen, dankzij wie…? Inderdaad, daar heb je een ezel voor nodig.
Lukas heeft in zijn kerstverhaal ook niets geschreven over de os. De os stond in de stal toen wij daar kwamen. Goeie trouwe os. Eén en al bescheidenheid. Toen die baby geboren was, zei ik tegen broeder os: zullen wij eens naar de voederbak gaan om een kijkje te nemen? Maar de os durfde niet. Nee, zei hij: wij zijn te onbelangrijk. Bovendien zou het kind maar schrikken van mij. Die gekke horens op mijn kop. Ik heb me altijd al afgevraagd wat ik daar toch mee moet. Toen zei ik tegen de os: ga maar niet mee, je zou het kind nog onderkwijlen, als je aan het herkauwen bent. Maar dat bedoelde ik als grapje hoor. De os is toen niet naar het kindje te kijken. Het klopt dus niet op al die schilderijen, wij ieder aan een kant van de voerderbak, één en al oog voor het kindje. Dat is niet gebeurd. Ik stond daar wel, maar hij niet. Weet je wanneer de os dat deed? Iedere nacht ging hij even kijken, als het kind sliep. Het was dan heel donker in de stal. Dan kon het ventje hem niet zien. Dan zou hij ook niet schrikken van de os. Heel voorzichtig schuifelde de os er naar toe op zijn logge poten. Hij boog zich over de voederbak en dan verwarmde hij het kind met zijn adem. Als je het mij vraagt, heeft het ventje daarom dat koude begin van zijn leven doorstaan.
Die goede os. Echt een prachtbeest. Ik vind het nog steeds jammer dat ik nauwelijks afscheid van hem heb kunnen nemen. Opeens moesten we weg. Op de vlucht. De os kon toen niet mee. Maar voor we weggingen heeft het jongetje hem aangekeken. Met grote donkere ogen. En… hij schrok niet. Broeder os was helemaal ontroerd. Hij had tranen in zijn ogen.
Lukas heeft ons vergeten, toen hij zijn verhaal schreef. Maar dat vind ik niet terecht. Voor de meeste mensen ben ik niet veel meer dan vier poten en een vacht. Een ezel heb je om te gebruiken, zeggen ze tegen elkaar. En een os is niet meer dan een soort tractor. Maar hij, hij kent ons. Ergens valt te lezen: Een os herkent zijn eigenaar, een ezel zijn voederbak. Zij zijn trouw. Maar mensen vergeten nog wel eens wie God is. Goed dat ik vanmorgen mijn verhaal kan doen. Wij waren erbij in Betlehem. Wij hebben alles gezien. Meisjes en jongens, ik hoop dat jullie ons niet vergeten!"
Het verhaal van Jozef
Ik ben er aan gewend geraakt dat alle aandacht uitgaat naar Maria. Wat wordt er aan haar getrokken vanwege ons bijzondere kind. Hoe vaak zij niet moet verschijnen… Lourdes, Fatima, Kevelaer, pas nog werd ze door een vrouwenvereniging gevraagd hier ergens in Amstelveen… ze kan moeilijk op al die uitnodigingen ingaan… Ik hoef nergens te verschijnen. Dat vind ik niet erg. Kan ik rustig verder gaan met mijn werk. Er moet toch brood op de plank komen. Vermoedelijk hebben de meeste mensen geen flauw idee van wat er allemaal omgaat in een timmermanswerkplaats. Hoe druk ik het vaak heb.
Soms zit Jezus vlak bij mijn werkbank met blokjes hout te spelen. Hij wil wel eens de houtkrullen in een hoek bezemen. Vaak gaat hij die houtkrullen dan in de lucht gooien, dat vindt hij leuk. Dan roept hij haast altijd: kijk eens pappa, ik kan het laten regenen. Dat zijn nou echt dingen die ik eens zou moeten opschrijven voor later. Soms komt hij hier in de werkplaats naast me zitten en dan geef ik hem wel eens een beitel en een schaaf. Hij kan er een beetje mee overweg. Maar of hij later deze werkplaats van me overneemt… geen idee.
Ik wil in ieder geval niet zo'n vader voor hem zijn, die alleen op sabbat als het vlees gesneden wordt de zegenspreuk uitspreekt. Ik neem de tijd voor hem, we doen dingen, gaan samen naar de synagoge, regelmatig maken we een wandeling, ik vertel hem de namen van bloemen en bomen - dat zijn toch allemaal dingen waar hij later de vruchten van kan plukken.
Na zijn moeilijke begin is alles wat tot rust gekomen. Dat was wat, die lange tocht naar Betlehem, Maria op alle dag, zijn geboorte daar. Als ik daar aan terugdenk… Maar dat hoef ik u niet allemaal te vertellen. Dat heeft u al vaker gehoord. Laatst stuurde een man die ik niet kende, een zekere Jaap me een gedichtje. Dat verwoordde heel mooi hoe ik Jezus' geboorte en de tijd erna beleefd heb. Wonderlijk dat een ander soms kan zeggen, waar je zelf de woorden niet voor hebt. Maar laat ik u dat gedichtje voorlezen, dat weet u wel ongeveer wat er in me omgaat.
Nooit van mijn leven zou ik durven dromen (gedicht Jaap Zijlstra) aan God een naam te geven en een onderkomen. Van kindsbeen aan is mij geleerd om te geloven in God de Alomtegenwoordige, de Alvermogende.
En nu komt hij mijn leven binnen zo gering, zo aard en kwetsbaar als een boreling. Verwonderd geeft ik hem de naam Jezus - God redt - en hij is kind aan huis bij mij, Jozef van Nazareth.
Ik die de jongen niet meer leren kan dan dit: een leerjongen te zijn, een handwerksman.
Dat ik een kind van God ben, durf ik nauwelijks te geloven, maar dat Hij nu mijn kind wil zijn, gaat mijn begrip te boven.
Het verhaal van een herder
Laat ik maar direct met de deur in huis vallen: wat wordt er toch vaak kortzichtig en zonder kennis over ons gesproken. Dikwijls worden wij, herders, voor simpele zielen versleten. Als ik ons op tekeningen en schilderijen bekijk, dan kijken wij herders vaak wat dommig uit onze ogen. Zegt u nou zelf: kijk ik dom uit mijn ogen? Nou dan!
Hoe komen mensen er toch bij dat herder zijn iets is voor domme mensen…? Als je bij de kudde bent, moet je heel waakzaam zijn. Je aandacht mag geen moment verslappen. Je moet de schapen bij elkaar houden. Maar dat wil niet zeggen, dat ik geen oog heb voor de verschillen binnen de kudde. In elke kudde heb je avonturiers. Ik zie de eigen aard van elk schaap, de verschillen die er zijn in de manier van lopen, in eten, in omgaan met elkaar. Dat vind ik het leuke van het herderschap, je ontdekt steeds opnieuw hoe verschillend schapen binnen één kudde zijn. Ik heb wel eens een donkergekleurd schaap. Sommige jaren zelf een paar van die donkergekleurde schapen. Maar dat maakt mij niks uit. Een donker schapen degradeer ik echt niet tot zwart schaap. Elk schaap hoort erbij. Dat is mijn levensmotto; dat zeg ik ook vaak tegen mijn collega's: geniet van de veelkleurigheid van de kudde!
Maar nou praat ik over mijn kudde, over het karakter van mijn schapen terwijl u uit mijn mond waarschijnlijk iets anders wilt horen. U wilt over dat éne schaap horen, dat kindje dat jaren geleden geboren werd. U bent vast geïnteresseerd in mijn verhaal over die nacht in Betlehem. Ik moet u zeggen, ik kwam eigenlijk tamelijk onverwacht met dat kind in aanraking. Gods wegen zijn vaak wonderlijk. Ondoorgrondelijk. Er gebeuren soms dingen die wij mensen niet voor mogelijk houden. Waarom moest ik uitgerekend die nacht in de buurt zijn… Ik had voor hetzelfde geld kunnen kiezen voor de velden rond Beit Jala. Dan had ik dat pasgeboren ventje nooit gezien.
Ik moet nog regelmatig aan die nacht terugdenken. Ga maar kijken, zei de moeder van het kind en ze maakte met haar hoofd een beweging in de richting van de voederbak. Is het een meisje, vroeg ik. Nee, een jongetje, zei de vader. Ik heb mijn hand een moment op zijn hoofdje gelegd en een paar lieve woordjes gefluisterd. In die zin heb ik hem die nacht gezegend. Dat ben ik later ook gaan doen met mijn eigen kinderen. Als ik 's avonds niet bij de kudde was maar thuis, dan legde ik voor ik zelf ging slapen, even mijn hand op hun voorhoofd. Ze sliepen altijd rustig door.
Nu ik weer terugdenk aan die lang vervlogen nacht in Betlehem… Ik heb dat jongetje toen gezegend. Vaak vraag ik me af: wat is de zin van wat ik meemaak, de zin van wat me overkomt? Dat ik op een nacht, het is zeker dertig jaar geleden, een kind in een voerbak zag, wat wil mij dat zeggen?
Het mooiste heb ik u nog niet verteld. Het verhaal gaat dat hij rondtrekt en de mensen zegent. Dat kind van toen wordt nu zelf een herder genoemd. Is dat niet vreemd? Ze noemen hem een herder van mensen. Ik vraag me wel eens af: moest ik hem daarom tegenkomen en hem zegenen, die nacht in Betlehem?
Het verhaal van de herbergier
Waarom ben jij teruggekomen? Wil je de stal weer zien? De os en de ezel? Opmerkelijk vind ik het wel… dat je ieder jaar weer terugkomt. Zeg nou zelf: er is hier niet veel te zien… Wat stro op de vloer, een paar oude zakken in de hoek.
Waarom fluister je? Ben je bang dat je iemand wakker maakt? Is er soms iets dat je horen wil, het huilen van een kind, het zuchten van een vrouw?
Dat is jaren geleden, dat van die vrouw… Ik voel nog de kou van jaren geleden. De herberg zat helemaal vol. Door die volkstelling was m'n hoofd helemaal op hol. Het was ontzettend druk. M'n vrouw liep te rennen, onze dochter was zo goed om een handje uit te steken. Zelfs onze eigen kamer hadden we weggegeven, ook daar sliepen mensen, kun je nagaan. Het was nog nooit zo druk geweest in Betlehem.
Hoe koud het was, merkten we toen die stumpers 's avonds bij de voordeur stonden en aanklopten. Wat konden we doen? We zaten helemaal vol. Ik zag dat die vrouw haast niet meer kon staan, het was haar tijd. Toen heb ik die vrouw en man meegenomen naar deze oude stal. Het was toen ook al zo'n bouwval. Geloof me, ik heb me wel geschaamd. Het was hier vuil, ook toen was het hier vuil. Vind je het gek… de beesten stonden er. De wind had haast vrij spel, blies door de kieren. Niet veel later moet het kind geboren zijn.
Het is jaren geleden, de geboorte van dat kind. Ik voel nog de wind van jaren geleden. Niet veel later kwamen al die mensen en ze vroegen allemaal eigenlijk maar één ding: waar is het kind? Iedereen begon te spreken over een nieuwe tijd, over een groot licht, over een ster aan het firmament. Wie het snapt, moet het maar zeggen
Ach, het is jaren geleden, dat gerucht over een nieuwe tijd. Waarom ben je ook dit jaar weer teruggekomen? Vind je het gek, dat ik je dat vraag? Wat wil je zien? Waarom staar je zo? Ben je dat hele eind naar hier komen lopen, om het verhaal nog een keer te horen?
De woorden van de Schrift (door drs. R.J. Prent)
De woorden van de Schrift zijn woorden van mensen, uitgekristalliseerde diep doorleefde ervaring. Herkenbaar, niets menselijk vreemd aan. De bijbel leukt niet op, verdoezelt niet, maar laat zien wat gebeurt altijd weer. Tegelijk klinkt er uit de verhalen iets op dat dat alledaagse ook weer overstijgt, in een perspectief stelt, richting geeft, verheldert, openbaart. Woord van God, zeggen we dan, niet de letter op zich, maar de geestkracht die er uit spreekt, die aanspreekt en oproept, die troost en uitdaagt, die bemoedigt. Woorden van onszelf en tegelijk boven ons uit. De bijbel en het menselijk hart zeggen hetzelfde, zei de grote joodse filosoof Fr. Rosenzweig. Ik heb daar altijd weer moeite mee, heb nogal wat aarzeling bij het menselijk hart, dat berust niet alleen op zelfkennis, ook op enige kennis van de geschiedenis van toen tot nu. Tegelijk fascineert de uitspraak mij, stel toch eens dat …het zo zou zijn.
Luc. 11:27 Het geschiedt als hij dat zegt dat zomaar een vrouw uit de schare haar stem verheft en tot hem zegt: zalig de schoot die jou heeft gebaard en de borsten waaraan jij hebt gezogen. 28 Maar hij zegt: jazeker, zalig die het woord van God horen en erover waken. Met onze protestantse oren horen wij Jezus een correctie aanbrengen op de zaligspreking van de vrouw. Zalig de schoot en de borsten, het zal wel. Maar … zalig die het woord van God horen. Het gaat niet om de natuur, het gaat om het Woord met een hoofdletter. De vertaling werkt er aan mee: Maar … het griekse woord kan echter ook vertaald worden met ‘en’ en hij sprak. Dan wordt de tegenstelling al een stuk zachter, als die überhaupt bestaat.
Maria is de patrones van de orde der dominicanen, de orde van de predikheren, de orde van het verkondigen van het Woord, van het uitleggen van de Schrift. Er zijn nogal wat beelden en voorstellingen van Maria met kind en een boek op haar schoot. Maria als de verkondigende, als degene die het Woord uitlegt aan Hem die geroepen is om het Woord van God te zijn in vlees en bloed, in volle natuur. Zoals in het boek Spreuken vrouwe Wijsheid haar kinderen de wijsheid onderwijst die aan de schepping ten grondslag ligt, zodat zij zich kunnen ontplooien zoals zij bedoeld zijn. Blijkbaar heeft de traditie in Maria een voorbeeld gezien van een vrouw die geroepen is om al de woorden door te geven. Zij die het Woord in haar schoot gedragen heeft, heeft het ook bezongen en doorverteld.
In de geboorteverhalen van Lucas gaat het om handelen van Godswege, om zijn interventies en om wat dat uitwerkt bij mensen. Hen met stomheid slaat zoals bij Zacharias of de lofzang doet zingen zoals bij Maria. Het heil komt van alzo hoge van alzo veer, dat is bij Lucas glashelder, maar het gaat niet buiten mensen om. Het komen van de Gerechte is genade, gave van de Geest, maar er is de menselijke bereidheid om te ontvangen, om deel te nemen aan, om in een schijnbaar dood- gelopen geschiedenis een teken te willen zijn van nieuw begin, draagster van een andere toekomst dan die voortvloeit uit het dorre heden.
Het is de grote kerkvader Augustinus die dat op majestueuze wijze vertolkt in zijn kerstpreken. Doordenkend op het God- en menszijn van Jezus, zonder concurrentie en zonder dat het één ten koste gaat van het ander, vat hij dat in zijn kerstpreken in de enige taal die geschikt is om het dogma te verwoorden, de taal van het poëtisch spreken, van het spreken op verhoogde toon:
Christus is geboren: God van de Vader, mens van de moeder. Van de onsterfelijkheid van de Vader, van de maagdelijkheid van de moeder: van de Vader zonder moeder, van de moeder zonder vader. Van de Vader zonder tijd, van de moeder zonder kiem. Van de Vader geboren is Christus het begin van het leven, van de moeder het einde van de dood. Van de Vader geboren geeft Hij aan elke dag zijn ordening, van de moeder geboren geeft Hij aan deze dag zijn wijding.
Het is die moeder die optrekt naar Elizabeth en haar met eerbied groet, die groet brengt twee dingen met zich mee: het kind springt op in de schoot van Elizabeth en zij zelf wordt vervuld met Heilige Geest. Het is niet voor niets dat Lucas wel het evangelie van de Geest genoemd wordt, het is voortdurend de geest die inbreekt, ingaat, inspireert, in beweging zet. En het is de hoogbejaarde die tegen de gewoonte in de lof zingt van de jonge vrouw tegenover haar, die haar zalig prijst en het als een eer beschouwd dat Maria haar bezoekt. Niet om Maria op zich, maar om waartoe zij is geroepen en waarmee zij heeft ingestemd: moeder van de Heer te zijn.
En niet alleen zij, ook het kind in haar schoot verheugt zich, springt op. Dat woord klinkt ook bij Jacob en Esau in de schoot van Rebecca en bij David dansend achter de ark. Het gaat niet alleen om de begroeting van twee vrouwen, ook twee nog ongeborenen ontmoeten elkaar. Het kind van Elizabeth dat toekomst is waar geen toekomst meer leek te zijn en nieuwe belofte voor een geschiedenis die doodgelopen was, begroet het kind van Maria, dat naar het woord van de engel ‘heilig’ zal zijn, apart gesteld en ‘kind van de Almogende’ op bijzondere wijze.
Toekomst begroet toekomst, want een nieuw begin is mooi, maar er moet een perspectief zijn. Dat is gelegen in het kind dat Maria draagt, dat goddelijk Woord in vlees en bloed. Door de woordkeuze is de begroeting liturgie, lofprijzing en zoals zo vaak in de Schrift geldt ook hier de omkering van oudste en jongste. Tegen het gangbare in gaat de jongste voorop. Er is in het Evangelie wel sprake van spanning tussen de beweging van Johannes en die van Jezus. Maar het is volstrekt helder dat Johannes de voorloper en wegbereider is, de verwijzende.
Zoals Elizabeth de hoogbejaarde, de onvruchtbare begenadigde, verwijst naar de jonge vrouw tegenover haar en haar zalig spreekt. Tweemaal wordt Maria zalig gesproken in het ev. van Lucas. Zij het éénmaal via haar schoot en haar borsten.
In Betlehem beheren Franciscanen de melkgrot waar enkele druppels gemorste melk van Maria als een witte uitslag zijn te zien. In de kerk verrichten Franciscanessen de altijddurende aanbidding van het lichaam van de Heer. Voor vrouwen die moeilijk zwanger kunnen worden is het een geliefd bedevaartsoord. En overal ter wereld zijn relieken met daarin enkele druppels melk uit de borsten van Maria. In het DOM-museum in Wenen is een tentoonstelling van Maria lactans, de zogende Maria. Vanaf de 12e eeuw een geliefde voorstelling in Europa. Maria met haar kind op de arm en haar linker- of rechterborst ontbloot om haar kind te voeden. Vanaf de 16e eeuw verdwijnt de voorstelling weer grotendeels omdat men het dan niet meer netjes vindt om de moeder van de Heer met ontblote borst af te beelden en haar kind al drinkend te laten zien. Maar dat laat onverlet dat in de afbeelding Maria staat voor het moederschap dat leven geeft en behoedt.
Dat vloeit voort uit datgene wat zij geantwoord heeft op het woord van de engel: Mij geschiede naar jouw woord. Of zoals Elizabeth zegt: Zalig zij die heeft geloofd dat er voleinding zal zijn van al wat tot haar gesproken is vanwege de Heer. Zij draagt het woord, zij baart het woord en zij voedt het woord. Zo wordt het woord dat haar is aangezegd door haar beaamd, bevestigd en behoed. Zo verbindt zij op voorbeeldige wijze maagdelijkheid als beschikbaarheid met moederschap dat het leven behoedt. Luc. 11:27 Het geschiedt als hij dat zegt dat zomaar een vrouw uit de schare haar stem verheft en tot hem zegt: zalig de schoot die jou heeft gebaard en de borsten waaraan jij hebt gezogen. 28 Maar hij zegt: jazeker, zalig die het woord van God horen en erover waken.
Gaat het om een tegenstelling of om een bevestiging? Want Maria is bij uitstek degene die het Woord hoort, er op in gaat, het draagt in haar schoot, het bevestigt in haar lofzang en het behoedt in haar moederschap.
Zo wordt zij de voorbeeldige, Willem Barnard zegt: zij is geen mevrouw, zij is de vrouw bij uitstek. Zij leeft als persona, als figura. D.w.z. dat anderen dan het meisje van Nazaret mede deel hebben aan haar bestaan. Anders gezegd: Door de wijze waarop zij wordt uitgebeeld wordt in haarde gemeente voorgehouden waar het heel de gemeenschap om moet en mag gaan.
Het is daarom dat de gemeente Maria bij uitstek mag zien als voorbeeldgestalte van en voor de kerk. Het gaat niet om maagdelijkheid op zich, noch om moederschap op zich. Maar in Maria als beeld, als voorbeeldige in het evangelie, wordt duidelijk dat toewijding aan God en zorg voor het leven op aarde elkaar veronderstellen.
Dat messiaans leven dat leven is waar wijding en zorg elkaar ontmoeten, tot eer van God, ten dienste van de naaste, als teken van de tijd die nog niet is maar wel moet komen, waarvan we nu alleen nog maar kunnen zingen en dat dan ook maar moeten doen: God lof nu is gekomen, Gods aangename tijd. En zo moge het zijn.
Laat uw koninkrijk komen (door ds. G.J. de Bruin)
(gelezen: Psalm 126 en Romeinen 8:18-25)
Als de Eeuwige ons thuisbrengt, dat zal een droom zijn. Psalm 126 is als gebed geboren in een concrete situatie, toen ballingen in Babel hoorden dat ze na bijna vijftig jaar terug mochten naar hun land. Het was een ongehoord bericht, de ballingen konden het nauwelijks bevatten. Het doet denken aan een deur van een gevangenis die wijd opengezet wordt terwijl tot gevangenen gezegd wordt: jullie kunnen gaan. Dan kunnen gevangene reageren door te zeggen: hoor ik het goed of droom ik? Mensen, levend in oorlogsgebied die horen van een gesloten vrede tussen de strijdende partijen, zullen vaak net zo reageren: wat nou vrede, houd je me voor de gek? Droom ik?
De ballingen in Babel die toestemming krijgen om naar huis te gaan, verkeren in verwarring. Maar tegelijk wordt een droom in hen gewekt die ze waarschijnlijk allang hadden begraven. De droom van een terugkeer. Het verlangen naar huis, wat meer is, het verlangen naar een aarde waar je je thuis kunt voelen, naar een wereld waar gerechtigheid woont. Elke eeuw zijn er mensen die die droom koesteren. ‘I have a dream’, zei Martin Luther King in de zestiger jaren van de vorige eeuw in de Verenigde Staten.
De hoop op een wereld van recht en vrede is meestal de boodschap van een enkeling die zich daarmee de hoon op de hals haalt van de zwijgende meerderheid. Jesaja, Jeremia en andere profeten werden voor gek verklaard. Voor naïevelingen werden ze uitgemaakt. Maar juist hun woorden zijn geboekstaafd en bewaard gebleven. Voor Jezus en Paulus zijn de profetische visioenen en dromen een bron geweest waaruit zij hebben gedronken. Daarom kan Paulus zeggen: ik ben er zeker van dat het huidige lijden niet opweegt tegen de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. Dat kun je alleen maar zeggen als je vertrouwen in de toekomst hebt, als er hoop in je leeft.
We weten dat die hoop niet vanzelfsprekend is. Waarom zou je je nog richten op de toekomst? Vaak zijn wij geneigd om te denken dat alles zich eindeloos herhaalt. Er is niets nieuws onder de zon. Steeds nieuwe brandhaarden, voortdurend gewapende conflicten. Mensen niet mét elkaar maar tégenover elkaar. De ene oorlog is nog niet afgelopen of er breekt ergens anders alweer een nieuwe uit. Bij oppervlakkige beschouwing lijkt er nooit eens iets te veranderen.
Maar Jezus leert zijn discipelen bidden: laat uw koninkrijk komen. Die woorden kun je alleen maar bidden als je niet genoeg hebt aan de wereld zoals die is. Als je van de toestand in de wereld wakker ligt. Maar de cynicus in ons verzucht: is dat niet een bede die mensen al tweeduizend jaar op de lippen nemen? Hoe lang moet dat nog duren? God, dat koninkrijk van U, wordt dat nog wat?
Wat moet je, als je kijkt naar wat er om je heen gebeurt? Wat moet je als je die eindeloze stroom van beelden op de televisie ziet over menselijk geweld en natuurgeweld. Een koninkrijk dat komt? Weet je wel wat je zegt? Je kunt het gevoel hebben te zitten in een trein die zonder remmen naar een afgrond lijkt te rijden. Het negatieve nieuws dat in de media voortdurend wordt uitvergroot, kan ons in de greep krijgen. De woorden over het koninkrijk komen dan niet langer over onze lippen. Ieder van ons zal die moeite wel herkennen. Maar kunnen de beelden die op ons afkomen nog een andere betekenis hebben?
De Schriften willen ons helpen bij de vraag: wat is er feitelijk gaande? Hoe moeten we allerlei gebeurtenissen duiden: zijn het de laatste stuiptrekkingen van een wereld die op z'n eind loopt of zijn het barensweeën? Stuiptrekkingen of barensweeën: dat maakt een wereld van verschil. Voor Paulus is dat geen vraag: de hele schepping zucht en lijdt als in barensweeën. Barensweeën is een woord dat zowel angstaanjagend als veelbelovend is. Het kind is op komst, straks komt er een einde aan de pijn, dan is er de vreugde. Maar Paulus, hoelang duurt het wel niet? De weeën bij deze geboorte duren en duren.
Een moeder vertelde over haar jongen van 24 jaar. Hij heeft nog nooit een kik gegeven, nog nooit een teken van herkenning, voor wie dan ook. Zij komt voor de duizendste keer de zaal van het internaat binnen en zegt: Dag Hans, hoe is het nu met je? Maar Hans geeft geen antwoord. Hij heeft nog nooit op iets gereageerd. Zij heeft een speelgoedbeertje meegenomen en een pyjama. Een rode, zegt ze, die zal je mooi staan bij je blonde krullen. En die jongen blijft maar staren. Dat doet hij al 24 jaar. Ze gaat zitten breien en vertelt aan een andere bezoekster: toen hij geboren werd, was ik zo blij; ik kon m'n geluk niet op. Maar na een paar dagen zagen we al dat hij zó was. Toen hij hier kwam wonen, zei de dokter: u hoeft niet steeds naar hem toe te gaan, hij merkt toch niet dat u er bent. Dan denk ik: ik heb hem negen maanden geherbergd in mijn schoot, dat is niet niks en misschien heeft hij toch wel een kaal gevoel als ik niet kom. Daarom stap ik elke woensdag op de trein. En elke keer denk ik: misschien zal hij vandaag even glimlachen. Zo lang kunnen de weeën duren: die vrouw gunt zich geen rust, voordat haar kind eindelijk geboren is.
Zo zucht de hele schepping in barensweeën, in afwachting van het openbaar worden van de kinderen van God: misschien zal hij vandaag glimlachen. Niet alleen moeders, ook vaders ervaren de weeën. Laatst in de krant zei een vader: ik heb mijn zoon vroeger leren fietsen, nu is hij verslaafd en mijn vijand. Die paar woorden zijn tot de nok gevuld met geboortepijn: het is wachten op de onthulling van zijn zoon als een kind van God, de verslaving voorbij.
De schepping zucht, zegt Paulus. Als de hele schepping zucht, dan zuchten de schepselen mee. Ook wij behoren tot de onverloste creatuur. Wat schieten we in de kerk op met oppervlakkige blijheid? In een goed loflied hoor je ook het Kyrie eleison. Dat wist Paulus als geen ander. Hij groeide op in een traditie die spreekt van de weeën van de messias. Voor hem is het zonneklaar dat het rijk komt door weeën heen, die zijn niet te vermijden. Het lijden en de pijn voorafgaande aan de verlossing is niet te vermijden. Maar weeën wil, naast de pijn, toch ook zeggen: het leven breekt door.
Niet iedereen kijkt zo naar de wereld. Het doemdenken heeft velen in de greep. Bespeuren we dat ook bij Jezus als hij spreekt over oorlogen, hongersnoden en aardbevingen? Zijn dat de voorboden van het einde? Dat alles is voor Jezus niet het begin van het einde maar... het begin der weeën. Jezus en Paulus zijn zeer eensgezind in hun onalledaagse kijk op de geschiedenis.
Hoe kijken u en ik vandaag naar het wereldnieuws, naar Kopenhagen, naar Afghanistan? Ik kan mijn ogen proberen te sluiten voor teleurstellend nieuws. De zoveelste bermbom. Ik kan bij negatieve berichten gaan zoeken naar schuldigen. Maar wij kunnen verschijnselen in de wereld ook proberen te zien als weeën, als het begin van een geboorte, als een teken van de naderende komst van het Koninkrijk. Het tribunaal in Den Haag met het proces tegen Karazic: zou dat niet het reikhalzend verlangen van de schepping naar gerechtigheid zijn? Zijn arrestatie indertijd betekende dat er stem en erkenning wordt gegeven aan slachtoffers van de oorlog op de Balkan. Een wereld die niet stilzwijgend wil toekijken als er etnische zuiveringen plaatsvinden. Bestond het werk van de waarheidscommissie in Zuid-Afrika indertijd niet in het werken aan het openbaar worden van dochters en zonen van God? Ging het bisschop Tutu er niet om dat mensen eindelijk verantwoordelijkheid op zich namen voor hun daden.
Kijk toch om je heen, bezweert Paulus ons. Overal om je heen voltrekt zich een geboorteproces. Zeg toch niet: er is niets te doen tegen het lijden. Allerlei vormen van leed zijn te bestrijden. Als je er oog voor hebt, dan zie je vaak dat iets klein begint maar door de inzet van mensen uitgroeit tot iets groots. Wat Jezus begon in een uithoek van het Romeinse rijk is uitgegroeid tot een wereldbeweging. Henri Dunant begon met hulpposten op het slagveld en dit is uitgegroeid tot het Rode Kruis. De strijd van zwarten in de Verenigde Staten kreeg een beslissende impuls toen een vrouw in een bus weigerde op te staan.
Maar dat betekent dat we door die woorden 'laat uw koninkrijk komen', bidden om een ander hart. Dat wij niet schamper lachen als Jezus over het koninkrijk spreekt maar ons juist laten raken door Gods droom. Dat wij geloof hechten aan het visioen van de profeten en van Jezus en al die anderen na hem, Gandhi, King, Tutu, noem ze maar op. Juist in de weeën gaat het om de geboorte van een mens die op eigen benen leert staan, die verantwoordelijkheid op zich neemt, die zich verzet tegen alles wat de komst van het koninkrijk verhindert. Wij zijn die mens.
Eens zag een bedelaar eLaat uw koninkrijk komen (gelezen: Psalm 126 en Romeinen 8:18-25)
Als de Eeuwige ons thuisbrengt, dat zal een droom zijn. Psalm 126 is als gebed geboren in een concrete situatie, toen ballingen in Babel hoorden dat ze na bijna vijftig jaar terug mochten naar hun land. Het was een ongehoord bericht, de ballingen konden het nauwelijks bevatten. Het doet denken aan een deur van een gevangenis die wijd opengezet wordt terwijl tot gevangenen gezegd wordt: jullie kunnen gaan. Dan kunnen gevangene reageren door te zeggen: hoor ik het goed of droom ik? Mensen, levend in oorlogsgebied die horen van een gesloten vrede tussen de strijdende partijen, zullen vaak net zo reageren: wat nou vrede, houd je me voor de gek? Droom ik?
De ballingen in Babel die toestemming krijgen om naar huis te gaan, verkeren in verwarring. Maar tegelijk wordt een droom in hen gewekt die ze waarschijnlijk allang hadden begraven. De droom van een terugkeer. Het verlangen naar huis, wat meer is, het verlangen naar een aarde waar je je thuis kunt voelen, naar een wereld waar gerechtigheid woont. Elke eeuw zijn er mensen die die droom koesteren. ‘I have a dream’, zei Martin Luther King in de zestiger jaren van de vorige eeuw in de Verenigde Staten.
De hoop op een wereld van recht en vrede is meestal de boodschap van een enkeling die zich daarmee de hoon op de hals haalt van de zwijgende meerderheid. Jesaja, Jeremia en andere profeten werden voor gek verklaard. Voor naïevelingen werden ze uitgemaakt. Maar juist hun woorden zijn geboekstaafd en bewaard gebleven. Voor Jezus en Paulus zijn de profetische visioenen en dromen een bron geweest waaruit zij hebben gedronken. Daarom kan Paulus zeggen: ik ben er zeker van dat het huidige lijden niet opweegt tegen de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. Dat kun je alleen maar zeggen als je vertrouwen in de toekomst hebt, als er hoop in je leeft.
We weten dat die hoop niet vanzelfsprekend is. Waarom zou je je nog richten op de toekomst? Vaak zijn wij geneigd om te denken dat alles zich eindeloos herhaalt. Er is niets nieuws onder de zon. Steeds nieuwe brandhaarden, voortdurend gewapende conflicten. Mensen niet mét elkaar maar tégenover elkaar. De ene oorlog is nog niet afgelopen of er breekt ergens anders alweer een nieuwe uit. Bij oppervlakkige beschouwing lijkt er nooit eens iets te veranderen.
Maar Jezus leert zijn discipelen bidden: laat uw koninkrijk komen. Die woorden kun je alleen maar bidden als je niet genoeg hebt aan de wereld zoals die is. Als je van de toestand in de wereld wakker ligt. Maar de cynicus in ons verzucht: is dat niet een bede die mensen al tweeduizend jaar op de lippen nemen? Hoe lang moet dat nog duren? God, dat koninkrijk van U, wordt dat nog wat?
Wat moet je, als je kijkt naar wat er om je heen gebeurt? Wat moet je als je die eindeloze stroom van beelden op de televisie ziet over menselijk geweld en natuurgeweld. Een koninkrijk dat komt? Weet je wel wat je zegt? Je kunt het gevoel hebben te zitten in een trein die zonder remmen naar een afgrond lijkt te rijden. Het negatieve nieuws dat in de media voortdurend wordt uitvergroot, kan ons in de greep krijgen. De woorden over het koninkrijk komen dan niet langer over onze lippen. Ieder van ons zal die moeite wel herkennen. Maar kunnen de beelden die op ons afkomen nog een andere betekenis hebben?
De Schriften willen ons helpen bij de vraag: wat is er feitelijk gaande? Hoe moeten we allerlei gebeurtenissen duiden: zijn het de laatste stuiptrekkingen van een wereld die op z'n eind loopt of zijn het barensweeën? Stuiptrekkingen of barensweeën: dat maakt een wereld van verschil. Voor Paulus is dat geen vraag: de hele schepping zucht en lijdt als in barensweeën. Barensweeën is een woord dat zowel angstaanjagend als veelbelovend is. Het kind is op komst, straks komt er een einde aan de pijn, dan is er de vreugde. Maar Paulus, hoelang duurt het wel niet? De weeën bij deze geboorte duren en duren.
Een moeder vertelde over haar jongen van 24 jaar. Hij heeft nog nooit een kik gegeven, nog nooit een teken van herkenning, voor wie dan ook. Zij komt voor de duizendste keer de zaal van het internaat binnen en zegt: Dag Hans, hoe is het nu met je? Maar Hans geeft geen antwoord. Hij heeft nog nooit op iets gereageerd. Zij heeft een speelgoedbeertje meegenomen en een pyjama. Een rode, zegt ze, die zal je mooi staan bij je blonde krullen. En die jongen blijft maar staren. Dat doet hij al 24 jaar. Ze gaat zitten breien en vertelt aan een andere bezoekster: toen hij geboren werd, was ik zo blij; ik kon m'n geluk niet op. Maar na een paar dagen zagen we al dat hij zó was. Toen hij hier kwam wonen, zei de dokter: u hoeft niet steeds naar hem toe te gaan, hij merkt toch niet dat u er bent. Dan denk ik: ik heb hem negen maanden geherbergd in mijn schoot, dat is niet niks en misschien heeft hij toch wel een kaal gevoel als ik niet kom. Daarom stap ik elke woensdag op de trein. En elke keer denk ik: misschien zal hij vandaag even glimlachen. Zo lang kunnen de weeën duren: die vrouw gunt zich geen rust, voordat haar kind eindelijk geboren is.
Zo zucht de hele schepping in barensweeën, in afwachting van het openbaar worden van de kinderen van God: misschien zal hij vandaag glimlachen. Niet alleen moeders, ook vaders ervaren de weeën. Laatst in de krant zei een vader: ik heb mijn zoon vroeger leren fietsen, nu is hij verslaafd en mijn vijand. Die paar woorden zijn tot de nok gevuld met geboortepijn: het is wachten op de onthulling van zijn zoon als een kind van God, de verslaving voorbij.
De schepping zucht, zegt Paulus. Als de hele schepping zucht, dan zuchten de schepselen mee. Ook wij behoren tot de onverloste creatuur. Wat schieten we in de kerk op met oppervlakkige blijheid? In een goed loflied hoor je ook het Kyrie eleison. Dat wist Paulus als geen ander. Hij groeide op in een traditie die spreekt van de weeën van de messias. Voor hem is het zonneklaar dat het rijk komt door weeën heen, die zijn niet te vermijden. Het lijden en de pijn voorafgaande aan de verlossing is niet te vermijden. Maar weeën wil, naast de pijn, toch ook zeggen: het leven breekt door.
Niet iedereen kijkt zo naar de wereld. Het doemdenken heeft velen in de greep. Bespeuren we dat ook bij Jezus als hij spreekt over oorlogen, hongersnoden en aardbevingen? Zijn dat de voorboden van het einde? Dat alles is voor Jezus niet het begin van het einde maar... het begin der weeën. Jezus en Paulus zijn zeer eensgezind in hun onalledaagse kijk op de geschiedenis.
Hoe kijken u en ik vandaag naar het wereldnieuws, naar Kopenhagen, naar Afghanistan? Ik kan mijn ogen proberen te sluiten voor teleurstellend nieuws. De zoveelste bermbom. Ik kan bij negatieve berichten gaan zoeken naar schuldigen. Maar wij kunnen verschijnselen in de wereld ook proberen te zien als weeën, als het begin van een geboorte, als een teken van de naderende komst van het Koninkrijk. Het tribunaal in Den Haag met het proces tegen Karazic: zou dat niet het reikhalzend verlangen van de schepping naar gerechtigheid zijn? Zijn arrestatie indertijd betekende dat er stem en erkenning wordt gegeven aan slachtoffers van de oorlog op de Balkan. Een wereld die niet stilzwijgend wil toekijken als er etnische zuiveringen plaatsvinden. Bestond het werk van de waarheidscommissie in Zuid-Afrika indertijd niet in het werken aan het openbaar worden van dochters en zonen van God? Ging het bisschop Tutu er niet om dat mensen eindelijk verantwoordelijkheid op zich namen voor hun daden.
Kijk toch om je heen, bezweert Paulus ons. Overal om je heen voltrekt zich een geboorteproces. Zeg toch niet: er is niets te doen tegen het lijden. Allerlei vormen van leed zijn te bestrijden. Als je er oog voor hebt, dan zie je vaak dat iets klein begint maar door de inzet van mensen uitgroeit tot iets groots. Wat Jezus begon in een uithoek van het Romeinse rijk is uitgegroeid tot een wereldbeweging. Henri Dunant begon met hulpposten op het slagveld en dit is uitgegroeid tot het Rode Kruis. De strijd van zwarten in de Verenigde Staten kreeg een beslissende impuls toen een vrouw in een bus weigerde op te staan.
Maar dat betekent dat we door die woorden 'laat uw koninkrijk komen', bidden om een ander hart. Dat wij niet schamper lachen als Jezus over het koninkrijk spreekt maar ons juist laten raken door Gods droom. Dat wij geloof hechten aan het visioen van de profeten en van Jezus en al die anderen na hem, Gandhi, King, Tutu, noem ze maar op. Juist in de weeën gaat het om de geboorte van een mens die op eigen benen leert staan, die verantwoordelijkheid op zich neemt, die zich verzet tegen alles wat de komst van het koninkrijk verhindert. Wij zijn die mens.
Eens zag een bedelaar een gouden koets zijn dorp binnenrijden. Dit is mijn kans, dacht de bedelaar en hij wierp zich voor de koets neer. De koning geeft me vast enkele kruimels van zijn rijkdom. Maar de koning gebaarde de bedelaar op te staan en vroeg: wat heb je voor mij? De bedelaar was verbijsterd, hij wilde wat van de koning en nu wilde de koning wat van hem. Hij deed een greep in zijn plunjezak waar hij wat rijst bewaarde en gaf de koning één rijstkorrel. 's Avonds toen hij de plunjezak opnieuw opende, zag hij dat er één gouden rijstkorrel in lag. De man weende en zei: had ik de koning nou maar al mijn rijst gegeven.
Soms kunnen we denken dat God ons helpen moet, dat hij onze problemen moet oplossen, voor gerechtigheid op aarde moet zorgen. Laat uw koninkrijk komen. Eeuwige, wat hebt u voor ons? Maar misschien antwoordt de Levende op ons bidden wel met een tegenvraag: lief mensenkind, wat heb jij voor mij? Is dat ook niet de vraag van Jezus aan wie hij maar tegenkomt: wat heb je voor mij? Kom met me mee, het koninkrijk is nabij, wat jij te geven hebt, al zijn het maar een paar korrels, is een bijdrage aan Gods koninkrijk. Jezus zoekt bondgenoten, tot op vandaag. Komt Jezus u, als u om het koninkrijk bidt, ook storen met die vraag: wat heb je voor mij?