|
Konijn en Hamster (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
Konijn en hamster
Ze liepen getweeën naar zee. De zon stond hoog aan de hemel. Ze droegen kleine rugzakjes, net genoeg voor een handdoek en een zwembroek. Heb jij een kam bij je, vroeg konijn aan hamster. Ik ben de mijne vergeten, wat stom hè. Ach, zei hamster, dan gebruik je toch mijn kam. Fijn hamster, anders had ik helemaal terug gemoeten, want zonder kam aan het strand… nee.
Het was een warme dag. Ze liepen puffend en zwetend verder. De zee is toch altijd weer verder dan je denkt, ook al is die dichtbij, dacht hamster. Nou zei konijn, ik ben blij dat ik een boterham heb meegenomen, anders zou ik het vandaag niet redden. Een boterham, zei hamster, heb jij een boterham bij je? Ja, met beukennootpasta. Zo zei hamster, dat lijkt me lekker. Is het ook, ik heb nu al zin, maar ik wacht nog even. Eh…, je hebt één boterham bij je?, vroeg hamster. Ja, één is precies genoeg, twee is net teveel, weet je. O, ja…
Ze liepen zwijgend verder. Opeens vroeg hamster: is het zo’n dubbelgeklapte boterham die je doormidden gesneden hebt? Ja… precies zoals je zegt, hamster. Hoezo? Oh, nee, zomaar, nou eh… ik dacht…
Het leek wel of de weg steeds langer werd en de zee steeds verder weg. Opeens zei hamster: ik heb geen boterham bij me, vergeten, wat stom hè? Konijn keek strak voor zich uit. Dat is zeker stom, hamster. Ik zou er voor terug gaan. Ach, zei hamster, ik dacht, misschien kan ik wel eh…van jou... Hoe kun je dat mij nu vragen, hamster, die boterham is maar net genoeg voor mezelf, je zou toch niet willen dat ik straks honger heb omdat jij… nee, dat wil je toch niet, als vriendin?
Hamster bleef stilstaan. Dan eh… ga ik maar terug konijn, om een boterhammetje te halen. Ja, dat lijkt me het beste voor jou. Mag ik alvast je kam lenen, want stel dat je pas tegen de avond terug bent… dan zit ik ermee. Hamster haalde de kam uit haar rugzakje en gaf ‘m aan konijn. Toen liep ze langzaam terug in de richting vanwaar ze gekomen was. Ze liep een beetje sloffend, sjokkend, alsof ze heel moe was.
En konijn? Ja, dat is vreemd, maar konijn kon die dag de zee niet vinden. Het leek wel of de zee zich had verborgen voor konijn. Vreemd hè, van de zee?
|
|
|
Ontmoeting over grenzen heen. (door ds. M. Bogaard) |
|
|
|
Gemeente van Christus,
Gisteren kreeg ik op Facebook een kort berichtje van een gemeentelid dat zich keurig afmeldde voor deze dienst, omdat hij nog een weekje wegging… van anderen weet ik via hetzelfde medium waar zij momenteel vakantie vieren.
Terwijl een deel van onze drie gemeentes hier verzameld is, is een ander deel op reis. De zomer is voor velen een tijd van vertrekken en verder trekken. Meerderen genieten van een andere omgeving, ontmoeten nieuwe mensen en spreken tijdelijk een minder bekende taal.
Anderen zijn inmiddels terug getrokken en weer op de thuisbasis, met boeiende verhalen over vreemde culturen, mooie kerken, heerlijk eten of misschien gewoon gezellige landgenoten op dezelfde camping.
In de vakantie gaan wij graag grenzen over. Zelf heb ik de ervaring dat het gemakkelijker is om de drukte van de dagelijkse gang achter je te laten als je in een volstrekt andere wereld bent. Dat kan letterlijk zo zijn, op een eiland in het Caribisch gebied, maar hetzelfde effect kan een Waddeneiland hebben.
Reizen kan heilzaam zijn, en allerhande ontmoetingen onderweg dragen daar zeker aan bij. Het kan ook leerzaam zijn en nieuwe verbindingen leggen. Reizen opent werelden die voorheen onbekend en daardoor ook vaak onbemind waren.
Maar wat of wie zien we als we reizen? Hoe kijken we? En lukt het ons werkelijk om de ander te ontmoeten? Of dragen we toch vooral onze eigen werkelijkheid mee?
Op een prachtige manier stelt Mattheus ons vanmorgen van binnenuit deze vragen. Want als er ergens al reizend geleerd wordt, dan is dat in het evangelie. Het heil waarin Jezus de mensen laat delen ontvouwt zich gaandeweg.
Al vanaf zijn geboorte, lezen wij in het eerste boek van het Nieuwe Testament, is Hij onderweg. Eerst wijkt Jozef met het kind en zijn moeder uit naar Egypte. Daarna wijkt hij uit naar Galilea, naar Nazareth. Vervolgens wijkt Jezus zelf uit naar Kapernaum aan het meer van Galilea. Vandaaruit trekt Hij rond in het hele gebied.
Als onderdeel van dit Bijbelse reisverhaal zijn wij vandaag aangekomen bij een volgende episode. Weer vertrok Jezus, hoorden wij. Daarna wordt een woord gebruikt dat we al vaker in dit evangelie tegenkwamen. Hij wijkt uit, of zoals de Naardense Bijbel zegt, Hij neemt de wijk naar.
Zeven keer gebruikt Mattheus deze uitdrukking. Jezus lijkt daarmee steeds verder van huis te komen, steeds verder van Jeruzalem af, tot Hij in hoofdstuk 15 terechtkomt in het gebied van Tyrus en Sidon. Heidens gebied, waar iemand van Joodse afkomst niets te zoeken had.
Maar altijd heeft dit uitwijken een bepaalde bedoeling. Via een omweg, soms een zeer grote omweg, komt vreemd genoeg het doel van Jezus levensreis, zijn goddelijke bestemming, scherper in beeld. Dat is ook in ons verhaal het geval.
Als Hij naar de omgeving van Tyrus en Sidon reist, letterlijk een door grenzen ingesloten gebied, komt Hem een vrouw tegemoet. Matteus leidt deze ontmoeting in met de woorden en zie. Die horen we niet terug in de NBV, maar er staat zoiets als: en zie, een Kananese vrouw uit dat gebied komt naar buiten.
Dat is te opvallend om zomaar overheen te lezen. Vooral omdat in de versie van Marcus de vrouw niet Kananees is, maar Syro-Fenicisch. Historisch is dat beter te plaatsen, maar Matteus maakt er een vrouw uit Kanaan van. Duidelijker kan hij niet vertellen dat haar achtergrond niet-Joods was. Het land Kanaan was immers vanouds beeld van het heidendom.
En zie, zij roept. Zij schreeuwt het uit: Heb medelijden met mij, Heer. Eleison me, kyrie. Kyrie eleison! Haar roep wordt geboren vanuit nood. Niet haar eigen nood, maar die van haar dochter. Jezus ontmoet een moeder die maar één ding wil. Dat haar dochter gezegend wordt, opdat het kwaad van haar zal wijken. Dat er toekomst is voor haar kind.
Daarbij spreekt ze Jezus aan met zijn Messiaanse titel, Zoon van David. Er zijn er niet veel die dat in dit evangelie doen. Ze verbindt Hem met zijn herkomst. Ergens heeft Hij haar geraakt, en ze verwacht vanuit deze bron heil en heling te kunnen ontvangen.
Maar Jezus lijkt haar helemaal niet te zien. Hij keurde haar geen woord waardig. Hij antwoordde haar met geen woord. De leerlingen doen er vervolgens nog een schepje bovenop. Zij vragen Hem haar weg te sturen. Haar geschreeuw is te lastig, het achtervolgt hen.
Het is een schokkende reactie, die je je in het evangelie bijna niet kunt voorstellen, maar die maar al te actueel is, toe en nu. Mensen aanhoren in hun pijn, in hun wanhoop, zeker als die uitzichtloos lijkt, dat vraagt iets van je.
En als die persoon dan ook nog eens niet tot jouw volk behoort, en naar jouw gevoel niets bij je te zoeken heeft, waarom zou je dan luisteren? Zij is immers niet jouw verantwoordelijkheid, die allochtoon die een vreemde voor je is omdat ze van elders komt?
De ander is dan geen medemens die je aanziet, maar iemand zonder gezicht en zonder stem. Iemand die je op afstand kunt houden, en waar je gemakkelijk in gemeenplaatsen over kunt praten en oordelen. Een ander die vooral vreemde moet blijven.
Jezus volgende uitspraak is in dat opzicht zo mogelijk nog schokkender. Hij wijst erop dat Hij alleen gezonden is naar de verloren schapen van het volk Israel. Het is overigens de vraag of dat gezegde oorspronkelijk hier thuishoort. Bij Marcus komen deze woorden niet in het verhaal voor en bij Matteus ook op andere plaatsen. Vermoedelijk heeft hij ze ingevoegd om de kern van dit gedeelte te benadrukken.
Met effect, want door Jezus uitspraak wordt genadeloos helder wat er gebeurt als er in concepten wordt gedacht. Dan wordt aan mensen voorbijgezien. En dan is er eigenlijk ook geen echte ontmoeting mogelijk. Dan worden grenzen barrières.
Toch blijft er een opening. Want Hij stuurt haar niet weg. Daardoor ontstaat een geladen ruimte, waarin alles lijkt te draaien om de tegenstelling Joods-heidens, die voor de mensen van zijn tijd zo vanzelfsprekend was. Jezus tocht naar Tyrus en Sidon kan niet om de problematiek heen van eigen en niet-eigen, in nationaal en religieus opzicht. Het is de vrouw die daarin een doorbraak teweeg brengt. Zij laat zich niet zomaar wegzetten als iemand die er niet bij hoort. Zij neemt geen genoegen met een antwoord dat uitgaat van algemene waarheden, waarin haar verlangen genegeerd wordt. Bewogen door haar liefde voor haar dochter en haar vertrouwen in Jezus geeft zij het niet op.
Dat doet denken aan Abraham, die met de Eeuwige in onderhandeling ging over het behoud van Sodom. Het doet ook denken aan de Psalmen, waarin men God maar al te vaak tot verantwoording roept. Soms komt in de Bijbel door de noodkreet van mensen Gods ontferming pas werkelijk aan het licht.
Het is alsof deze vrouw de reikwijdte, de strekking van de goede boodschap oprekt. En het is alsof Jezus is uitgeweken met dit doel, om haar te ontmoeten.
Even eerder heeft Hij met vijfduizend mensen het brood gedeeld en bleven er twaalf manden over, voor iedere stam in Israel een. Nu vraagt zij met heel haar hart of zij, nee, of haar dochter daarin mee mag delen. Of zij, een kind van buitenstaanders, mag ontvangen wat aan tegoed wordt gegeven aan de kinderen van Israel.
Zie mij, vraagt zij. Zie mijn dochter. Zie haar onmacht. Zie wat zij meedraagt.
Dat is het moment dat er een keer komt. Niet alleen in dit verhaal, maar in het hele evangelie. Haar volhardendheid maakt een echte ontmoeting mogelijk, en waar mensen elkaar werkelijk ontmoeten veranderen zij beiden en is de toekomst niet meer hetzelfde.
Hoe moeilijk dat is leert Jezus reis naar vreemd gebied ons. Het is vaak vanzelfsprekend of verleidelijk om van een afstand naar anderen te kijken. Van wij naar zij. Om je ideeen over wie zij zijn zwaarder te laten wegen dan een daadwerkelijke ontmoeting. Dan hoef je je niet te laten raken. Maar dan groei je ook niet meer. Dan leer je niet aan de ander.
Ook in dit opzicht gaat Jezus ons in menselijkheid voor. Hij spreekt niet alleen mensen aan, Hij laat zich ook zelf aanspreken. Zo wordt in de relatie tussen Hem en deze vrouw haar oprechte overtuiging zichtbaar. En zo wordt in diezelfde relatie zijn bestemming inzichtelijker. Die gaat verder dan het huis Israels.
Als Jezus aan het eind van dit hoofdstuk opnieuw brood en vis breekt en deelt, blijven er ditmaal zeven manden over. Er was al genoeg voor Israel. Nu is er ook genoeg voor anderen.
Deze moeder had dat al lang begrepen. Ook haar dochter is een kind van Gods oneindige ontferming. Zelfs de kruimels die van tafel vallen zijn genoeg om haar leven te helen.
We kunnen haar overal tegenkomen. Op onze verre reizen of dichtbij huis. De ander die aanvankelijk een vreemde voor ons lijkt. Wier taal we niet verstaan, wier achtergrond we niet kennen. Soms lopen we haar misschien gewoon voorbij.
Maar in de ontmoeting met haar kan Gods Heil oplichten. Dat maakt geen enkele reis meer hetzelfde.
Amen
|
|
|
Eekhoorn en nijlgans (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
Eekhoorn en nijlgans
Ik wou dat ik vliegen kon, dan ging ik met je mee, zei de eekhoorn tegen de nijlgans. De nijlgans meende een bibber in de stem van de eekhoorn te horen. Zelf moest ze ook even slikken. Ja eekhoorn, ik zal jou missen deze zomer. Maar ik vlieg morgen toch naar het Noorden, ik kan gewoon niet anders, het is een lange vlucht, helemaal naar Nederland. Daar is het lekker koel en regent het van tijd tot tijd. Binnenkort is hier alles kurkdroog. In Nederland niet. Heerlijke natte graslanden heb je daar. Eekhoorn, als ik aan dat land denk, zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan. O, wat zeg je dat mooi, sprak de eekhoorn vol bewondering. Nijlgans, er is aan jou een dichter verloren gegaan.
Even was het stil. Weet je, ging de nijlgans verder, weet je wie ik deze zomer ga missen? Jou, eekhoorn. Als ik ergens mee zit, kan ik het jou altijd vertellen. Je valt me niet in de rede. Andere ganzen beginnen, als ik iets vertel, er onmiddellijk doorheen te gakken. Maar jij luistert. Ja, zei de eekhoorn, je hebt helemaal gelijk. Ik kan ontzettend goed luisteren. Maar waarom schrijf je me niet een brief, als je ergens mee zit.
Een brief, eekhoorn? Wat een goed plan. Maar… als ik je een brief schrijf, hoe krijg jij die dan te lezen? De nijlgans begon somber te kijken. Dat is niet zo moeilijk nijlgans, sprak de eekhoorn opgewekt. Dat moet je gewoon aan een postduif vragen. Zo'n duif brengt jouw brief bij mij, dat is zijn vak en voor een paar noten of bessen wil die duif vast mijn antwoordbrief wel weer bij jou bezorgen. Zo houden we contact… Voor je het weet, is het dan november en zien we elkaar weer.
De nijlgans schudde haar veren los. Ze voelde zich opeens weer lekker in haar vel zitten. Wat had eekhoorn toch altijd goede ideeën. Afgesproken eekhoorn, ik stuur jou gauw een brief. Dat is misschien een mooie suggestie: stuur iemand eens een kaart of een brief… Laatst las ik wat een meisje aan God geschreven had. Een korte brief: Lieve God, wij gaan vrijdag op vakantie, dus we komen niet naar de kerk. Ik hoop dat U er zal zijn, als we terugkomen. Wanneer gaat U met vakantie? Tot ziens, Willy
|
|
|
Aan de gemeente van de Handwegkerk |
|
|
|
Aan de gemeente van de Handwegkerk
Jullie zijn warme en zorgzame mensen, die oog hebben voor elkaars lief en leed. Houdt die betrokkenheid in stand, maar vergeet niet om ook buiten je eigen kring te kijken. Heb oog voor nieuwkomers, mensen aan de rand, toevallige voorbijgangers en thuisblijvers. Bedenk hoe je straks – of misschien nu al – kerk wilt zijn in Westwijk, en geef het geloof handen en voeten je eigen buurt.
Zouden er meer gemeenten zijn waar mensen vóór de dienst al met elkaar koffie drinken? Jullie zijn beslist gezellig! Vlak voor de dienst worden de laatste nieuwtjes nog uitgewisseld. Er wordt georganiseerd en geregeld. Maar hebben jullie in al die drukte wel tijd om te luisteren? Kunnen jullie tussen dit gezellige rumoer de fluistering van God wel horen? Blijf zoeken naar de juiste balans.
Jullie gemeente is als een boeket bloemen. Een mooi, veelkleurig boeket, met een grote verscheidenheid aan manieren van geloven. Blijf elkaar bevragen op wat je gelooft en waarom. En versterk het contact tussen jong en oud, want jullie kunnen van elkaar leren.
De afgelopen jaren zijn jullie vol geestdrift bezig geweest met de vraag hoe jullie je zelf als gemeente kunnen vernieuwen. Jullie voelden dat het mogelijk was, dat er écht iets nieuws zou beginnen. Dat lopende vuurtje, brandt het nog? Of moet het een beetje worden aangewakkerd?
Wie ore heeft, die hore.
(Of: ‘Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.’)
|
|
|
De Bus, (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
De Bus
Er loopt een oude man over een stoffige weg. De zon staat hoog aan de hemel, het is heel warm. Hij is op weg naar het land waar het goed is om te wonen. Ruzie en vechtpartijen uit zijn stad heeft hij achter zich gelaten. Hij heeft niets anders bij zich dan een grote fles water. Hij zingt een liedje om zijn dorst niet te voelen, hij wil zuinig zijn met zijn fles water.
Een stuk verderop loopt een vrouw langs dezelfde stoffige weg. Ze kijkt geen enkele maal om, ze heeft het niet fijn gehad waar ze woonde. In dat dorp had niemand ooit naar haar geluisterd. Ze heeft een aantal broodjes in een bruine zak gestopt en is op weg gegaan. Ze heeft al een aardig stuk gelopen, maar nog helemaal geen honger.
Nog wat verder loopt een kind. Een mager meisje dat altijd te weinig eten kreeg, ze is nu op zoek naar een plek waar het fijner is. Soms gaat ze even met haar hand naar haar rugzak, in die kleine rugzak zit een kaars. In het land van vrede zal ze haar kaars gaan branden.
Er rijdt een bus over de stoffige weg. Een enorme stofwolk achter de bus. De oude man met de fles water stapt naar de zijkant van de weg om de bus te laten passeren en knijpt z’n neus alvast dicht, bang voor al het stof. Maar de bus stopt. Waar ga je heen, roept de chauffeur. Naar een land waar vrede is, antwoordt de man. Wij ook, je kunt meerijden gebaart de chauffeur en even later zit de man in de bus. Naast hem een gezette, zwarte oma, aan de andere kant van het gangpad een jongen met een gitaar, verderop een werkman en een moeder met een heel stel kinderen, helemaal voorin een vrouw in een paarse tuinbroek.
Nog twee keer stopt de bus. Eerst om een vrouw met een zak mee te nemen en wat later een meisje met een rugzakje. Het is heet in de bus. De oude man zou wel een slok water willen nemen, maar hoe moet hij dat doen zonder dat iemand het ziet? Misschien krijgt hij wel ruzie als hij gaat drinken en hij is nog wel op weg naar het land van de vrede. Dan roept hij: wie heeft er dorst? Mensen kijken om, er wordt geknikt en binnen de kortste keren gaat de fles door de bus en neemt iedereen een slok. De vrouw met de zak met broodjes draait onrustig op haar stoel. Even later gaan de broodjes van hand tot hand. Ze lijken in de bus wel een grote familie.
Maar een harde knal maakt een einde aan al dat moois. De bus heeft pech. De chauffeur en de werkman kijken onder de motorkap. Even later liggen ze onder de bus maar zonder lichtje is er haast niets te zien. Heeft iemand een zaklamp bij zich? Het meisje geeft haar kaars, ’t is voor de werkman net genoeg om de reparatie uit te voeren. Na een tijdje kan iedereen weer instappen. De zwarte oma tilt twee kinderen op schoot, de jongen begint op zijn gitaar te spelen en binnen de kortste keren zingt iedereen mee.
Het lijkt wel of we al in het land van de vrede zijn aangekomen zegt de oude man. Zijn we dan een grens overgegaan? Ja antwoordt de vrouw in de paarse tuinbroek; toen de fles water rondging en de broodjes werden gedeeld gingen we over de grens. En toen later de kaars tevoorschijn kwam, gingen we over de grens. Zo ziet u meneer, dat land van vrede komt niet uit de lucht vallen, vrede is om te doen, vrede maken we met elkaar.
|
|
|
Presentatie ontwikkeling Kerkelijk centrum |
|
|
|
|
Ontwikkeling kerkelijk centrum Westwijk door PKN Amstelveen/Buitenveldert juni 2011.
Aan de hand van de onderstaande presentatie krijgt u een beeld van de ontwikkeling van het kerkelijk centrum Westwijk. |
|
|