|
Papa Wouter (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
Jezus vertelde eens een parabel waarbij hij een vader schildert die op de uitkijk staat, eindeloos wachtend op zijn kind. In mensenland komen we het omgekeerde ook tegen: een kind dat op de uitkijk staat, wachtend op de komst van haar vader…
Er was eens een man die heel hard werkte. Elke dag ging hij naar een groot gebouw, noem het een kantoor of een ministerie. Hij was er 's morgens al heel vroeg en 's avonds ging hij altijd als één van de laatsten weg. Zijn kinderen lagen nog in bed als hij van huis ging en waren 's avonds al naar bed als hij thuis kwam. Die man had het zo druk dat er bijna nooit tijd was om een spelletje met de kinderen te doen.
Op een dag loopt de man aan het einde van de middag na snel een broodje in het restaurant, terwijl hij al weer aan het bellen is, langs een portiersbalie. Z'n oog valt op de scheurkalender die aan de muur hangt. Elf maart staat er op. Zeg, hoe zit dat, 't is toch geen elf maart hè, vraagt hij. Op de kop af meneer, antwoordt de portier. Laat mij maar scheuren, ha ha... Donders nog aan toe, roept de man terwijl hij z'n mobieltje nog aan z'n oor heeft. Hij is vroeger netjes opgevoed en zegt haast nooit lelijke woorden. Wat stom, sist hij. Het is de verjaardag van zijn dochtertje. Job, hoor je dat, nou vergeet ik toch nog de verjaardag van mijn dochter. M'n vrouw heeft me er gisteren aan herinnerd. Je bent toch wel op tijd thuis hè, vroeg ze.
Nu moet alles snel. De man rent de gang door, vliegt de trap op. Beng, daar struikelt hij. Hij belandt midden in de grote plantenbak op de overloop. Die rot bloemen mompelt hij, terwijl hij de aarde van z'n jasje slaat. Opeens krijgt hij een idee. Hij begint wat te graven en trekt een deel van de blauwe bloemetjes uit de plantenbak. Met die kluit bloemetjes rent hij naar de uitgang en vraagt z'n chauffeur hem snel naar huis te brengen. Als hij thuis afgezet wordt, ziet hij de jarige Lieke voor het raam staan, haar neus zowat tegen de ruit gedrukt. Een tel later komt ze naar buiten en vliegt hem om z'n hals. Ik heb een hele tijd op je gewacht, pappa. Sorry Lieke, dat ik wat laat ben. Kijk eens wat ik voor je heb meegebracht... Deze bloemetjes heten vergeet-me-nietjes… Wat leuk pap, hoe kom je erop? Ach, ik val gewoon op die bloemen, antwoordt hij. Er ligt een glimlach op z'n gezicht. Ze zijn schitterend hè? Terwijl ze naar binnengaan, zegt hij tegen Lieke: ik bedacht net in de auto dat ik morgenmiddag vrij ben. En het weekend ben ik ook vrij. Dan gaan we met z'n vijven iets leuks doen. Waar heb je zin in, Lieke. Voordat ze antwoord kan geven, wordt haar vader door haar moeder omhelst. Welkom thuis, Wout, hoor ze haar moeder zeggen. Welkom thuis, dat heeft ze haar moeder nog nooit tegen hem horen zeggen…
|
|
|
Van de kindernevendienst. |
|
|
|
We lezen met de kinderen in de kindernevendienst uit het boek Exodus. In de verhalen horen we over het volk Israel, dat leeft in slavernij. Langzaam breekt het besef door dat er iets kan gebeuren, kan veranderen: ‘Het Kan’.
De projectverbeelding van het 40-dagenproject is een grote plaat voorin de kerk. Centraal staat een afbeelding van Jezus en zijn leerlingen die de maaltijd vieren, met daaromheen afbeeldingen van de bevrijdingsverhalen. Vandaag het verhaal van de farao. Mozes en Aaron gaan naar de farao, maar ook nu wil hij niet luisteren, ook niet als God wonderlijke dingen laat gebeuren.
De kinderen hebben inmiddels een 40-dagentijdkalender meegekregen met daarin een spaarboxje. We sparen voor kinderen in Bolivia. Irpanani, een project van de Presbyteriaanse kerk in de stad El Alto, biedt zorg, helpt kinderen met hun schoolwerk en geeft vier keer per week een voedzame maaltijd. Een campagne van ICCO en Kerk in Actie. Spaart u mee? 28 maart kunt u de spaardoosjes weer inleveren. |
|
|
Lucas 11, 14 t/m 20 (door ds. G. Manenschijn) |
|
|
|
Lezingen: OT: Deuteronomium 18, 9 t/m 15 Epistel: Romeinen 12, 14 t/m 18 Evangelie: Lucas 11, 14 t/m 20
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Voor politici is het tegenwoordig eis dat ze transparant moeten spreken. ‘Transparant’ be-tekent letterlijk: doorzichtig. Glas is doorzichtig, cellofaan is doorzichtig, maar op welke ma-nier kan taal doorzichtig zijn? Als je daar even over nadenkt, ontdek je dat de uitdrukking ‘transparant spreken’ zelf niet transparant is. Je kunt niet letterlijk door de taal heenkijken; je leest taal en dan zie je letters, je hoort taal en dan hoor je klanken. Maar je kijkt en hoort er niet doorheen. De vraag is al-tijd:’Wat lees je? Wat hoor je?’ Met andere woorden: de uitdrukking: ‘transparante taal’ is beeldspraak. En beeldspraak is overdrachtelijk, beeldspraak doet altijd een beroep op ons voorstellingsvermogen. Toch weet iedereen wat bedoeld wordt met de eis dan politici transparant moeten spreken. Bedoeld wordt dat ze geen wollige taal gebruiken, dat ze moeten zeggen waar het op staat en niet met veel woorden de waarheid mogen verzwijgen. Op dat laatste: met veel woorden de waarheid verzwijgen, worden ze trouwens getraind. Daar zijn ze vaak heel goed in. Want een politicus kan niet alles vertellen, veel zaken zijn vertrouwelijk. Als je met veel woorden de waarheid verzwijgt, lieg je niet, maar je spreekt ook de waarheid niet, die laat je in het midden. De eis van transparant spreken gaat daar tegen in: je woorden mogen niet voor dubbele uitleg vatbaar zijn, ze moeten één betekenis hebben en de hele waarheid vertellen.
Is Bijbeltaal transparant? Is Bijbeltaal maar voor één uitleg vatbaar? Mag Bijbeltaal alleen maar eenduidig zijn en nooit overdrachtelijk? Of is het juist andersom: is Bijbeltaal juist wel overdrachtelijk, juist wel beeldspraak? Ik denk het wel. Bijbeltaal kan weinig anders zijn dan beeldspraak. Maar geen beeld-spraak om de waarheid te verzwijgen, maar om een diepere waarheid te openbaren. Die diepe-re waarheid wordt ons door de profeten verteld, zegt Deuteronomium, en dat geldt zeker van de grote profeet Jezus van Nazareth. Wie de Bijbelse beeldspraak letterlijk neemt, is doof voor de diepere waarheid van het evangelie. De proef op de som is het evangelie van vanmor-gen: de genezing van een stomme, zoals dat verteld wordt in Lucas 11,14 t/m 20.
De beeldspraak waarvan Lucas zich bedient, is voor ons zeker niet vanzelfsprekend, ze stelt ons voor vragen, maar ik waag een poging. De man is met stomheid geslagen. Hij kan geen woorden vinden om zijn verhaal te vertellen. Hij is zwijgzaam opgesloten in zichzelf. Onmachtig om zijn onmacht te verwoorden. Alsof een duistere macht hem de mond snoert. En dan die schijnbaar eenvoudige mededeling: ‘Hij – Jezus – dreef een demon uit die niet kon spreken.’ Alsof het alledaags werk is. Schijnbaar even eenvoudig als de zin: ‘De psychia-ter doorbrak met zijn therapie het zwijgen van zijn gestoorde patiënt en kreeg hem aan het spreken.’ Dat is trouwens ook geen eenvoudige zaak, maar de woorden die dat vertellen zijn wel eenvoudig, voor geen misverstand vatbaar. Maar de mededeling van Lucas dat Jezus een demon uitdrijft die niet kon spreken, heeft niet de betekenis van de uitspraak dat de psychiater met zijn therapie een gestoorde patiënt aan het spreken kreeg. Aan de orde is niet het succes van de psychotherapie, maar de bevrij-dende kracht van het evangelie. En dat wordt verteld in de taal van het exorcisme, de taal van de duiveluitdrijving. En het is de kunst die taal te verstaan, zonder exorcisme te gaan beoefe-nen als een alternatieve geneeswijze. Dat is niet eenvoudig, je moet er een goede verstaander voor zijn. Laten we het proberen.
Met stomheid geslagen zijn, dat is geen gewoon spraakgebrek. Stomheid, dat is: geen taal meer hebben, niemand hebben die naar je wil luisteren, je in de greep voelen van een macht die jou het zwijgen oplegt. Alsof je tong vastzit en je gedachten geen woorden kunnen vinden. De Bijbel spreekt dan van een demon die niet kan spreken. In het spraakgebruik van de we-reld van toen is een demon nier per sé een duivel, eerder een bovenmenselijke macht die een mens in zijn greep heeft. Er staat niet dat de stomme niet kan spreken, er staat dat de demon niet kan spreken. Die belet jou te spreken; die staat machtig tussen jou en je medemensen in. Want taal is een brug tussen mensen. Stomheid is dat die brug is opgeblazen. Met taal uiten mensen hun gedachten en gevoelens tegenover elkaar. Ook met gebaren en een oogop-slag. Maar taal is meer. Mag ik dat verduidelijken met een persoonlijke herinnering?
Ruim twintig jaar geleden is mijn vader overleden. Enkele dagen voor zijn dood was hij in gesprek met mijn moeder en mijn jongste zus. Op een vraag gaf mijn vader ineens geen antwoord meer. Hij was geheel bij bewustzijn, zat overeind, maar was totaal verstomd. Mijn zus riep: ‘Moeder, vader kan niets meer zeggen!’ Een herseninfarct. Tot aan zijn dood, enkele dagen later, is er geen woord meer over zijn lippen gekomen. Wel die machteloze pogingen om iets te zeggen. Het is maar een vergelijking, maar ik begreep toen ineens wat het voor een mens betekent blijvend met stomheid geslagen te zijn. Met die man uit Lucas 11 ging het anders. De macht die hem belette te spreken, werd uit-gedreven. Hoe Jezus dat deed, staat er niet bij. Waar het echter op aankomt is dat Jezus die stomme de taal teruggeeft. Bevrijd tot spreken. Terug in de gemeenschap over de brug van de taal. Zo basaal is het evangelie. Je kunt weer betekenisvolle woorden vormen, de onmacht van de sprakeloosheid is van je afgenomen. Het staat er opnieuw zo schijnbaar vanzelfsprekend: ‘Toen de demon verdreven was, begon de stomme te spreken.’
En dan de reactie van de mensen die getuige waren van deze doorbraak van stomheid naar spraak. ‘Ze stonden verbaasd’, staat er. Begrijpelijk, zoiets is niet alledaags. Maar er is ook diep gekoesterde argwaan. Die argwaan is theologische van aard: het is het vermoeden van toverkunsten. Daar moest de Bijbel niets van hebben, we hebben dat gelezen in Deuteronomium 18. Het verwijt aan het adres van Jezus liegt er niet om: ‘Dank zij Beëlze-bul, de vorst der demonen, kan hij demonen uitdrijven.’ Dat was voor de mensen van die tijd transparante taal. Ze bedoelden: Jezus maakt zich schuldig aan toverij. Niet: Hij werpt de stomme demon uit, maar: dat doet Beëlzebul, een soort chef generale staf die het bevel voert over de vele demonen in het leger van gevallen engelen waarover de duivel beschikt. Met dat soort zaken mocht je je niet bezighouden. Gods schepping is geen tovertuin vol boze geesten, maar een bewoonbare aarde voor mensen die toverij en afgoderij hebben afgezworen. Nog weer anderen vragen van Jezus een bewijs van hogerhand. Er moet een teken uit de hemel komen, en Jezus moet dat maar eens regelen. ‘Als jij, Jezus, op aarde een stomme de-mon kunt uitdrijven, dan kun jij er ook wel voor zorgen dat er een signaal uit de hemel komt. Dan weten wij dat jij het ook in de hemel voor het zeggen hebt en dat je je niet met toverkun-sten bezighoudt.’
Blijkens het vervolg komen die beschuldiging van toverij met Beëlzebul en die vraag om een hemels bewijs dat Jezus niet tovert, op hetzelfde neer. Hoewel het reacties zijn van onge-loof en spot, moeten we ze toch serieus nemen, willen we verstaan wat hier aan de hand is. Want Jezus’ optreden roept een keuze op: voor de één is Hij iemand die zich inlaat met tover-kunsten, voor de ànder iemand die met Gods hulp mensen bevrijd uit lijden en eenzaamheid. Zo werden toen de omstanders voor de keuze gesteld. En zo ook wij, de hoorders.
De argwaan van het ongeloof zegt: ‘Door Beëlzebul, de vorst der demonen, kan Hij de-monen uitdrijven.’ Beëlzebul is een verbastering van Baäl-Zebub, en dat was de god van de Palestijnse stad Ekron, dus een heidense god die in 2 Koningen 1 voorkomt in een verhaal van een koning van Israël, Amasja geheten. Die koning stuurt boden naar Ekron om Baäl-Zebub te raadplegen of hij zal herstellen van zijn zware verwondingen ten gevolge van een val uit een vertrek op de bovenverdieping van zijn paleis. Het verhaal is te lang om na te vertellen, maar als u bedenkt dat Baäl-Zebub een scheldwoord is dat: ‘Heer der vliegen’ betekent, zeg maar: vliegengod, dan weet u het wel. Baäl-Zebub is een god die niets voorstelt, en dus Beël-zebul ook niet.
In de tijd van het Nieuwe Testament werd het scheldwoord Beëlzebul gebruikt voor de commandant van de demonen. Dat was allemaal volksgeloof, geen Bijbels geloof. Maar Jezus begrijpt onmiddellijk wat er bedoeld wordt. In dat volksgeloof is Beëlzebul een ondercom-mandant van Satan, die zelf de opperbevelhebber is van het rijk van het kwaad. In de voorstel-ling van dat volksgeloof voerde Beëlzebul het bevel over een legertje demonen, en daarmee kon hij in opstand komen tegen Satan zelf. Dat is zoiets als rebellie in militaire gelederen, en dat is heel gebruikelijk in een militaire dictatuur, daar zijn altijd opstanden. Ineens is het duidelijk wat er aan de hand is, dank zij dit mythische volksgeloof. Het be-vrijdende werk van Jezus, dat hij een stomme terugbrengt in de taal, hem weer aan het spre-ken krijgt, wordt voor duivelswerk verklaard. Hij handelt niet namens God, maar namens de onderbevelhebber van het kwaad: Beëlzebul.
Dat is de ergste beschuldiging die je kunt bedenken. Dat zeiden ze niet openlijk, dat sug-gereerden ze toen ze over Beëlzebul begonnen. Maar Jezus heeft ze door. Hij kent hun ge-dachten. Hij zegt: je kunt Beëlzebul niet uitspelen tegen Satan. Een koninkrijk dat tegen zich-zelf verdeeld is, kan niet standhouden. Een huishouden dat verscheurd wordt door tweedracht, gaat ten onder. Als de macht van het kwaad tegen zichzelf verdeeld is, kan hij niet standhou-den? Maar hij houdt stand. Daarmee is gezegd: het rijk van het kwaad vormt een eenheid, het is een gesloten colon-ne. Het kwaad houdt stand, juist omdat het niet intern verdeeld is: bijbels realisme. Dat is de werkelijkheid van een wereld waaruit de boze krachten niet zo maar te verdrijven zijn. Daar is meer macht voor nodig dan de wereld zelf kan leveren: Goddelijke macht. Vandaar dat Jezus zegt: ‘Als ik dankzij een kracht die van God komt demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van God over jullie gekomen.’ En dat koninkrijk, die regeerwijze van God, willen ze die wel? Dat is de kwestie.
Gemeente, we hebben een wonderlijk verhaal gelezen, meer beeldspraak dan diagnose, maar voor de goede verstaander is de beeldspraak duidelijk: Jezus overwint kwaad niet met een nog groter kwaad, maar met de goede krachten van Gods koninkrijk. De Bijbel neemt dat kwaad serieus, het is hardnekkig, het kan zich voordoen als een duivelse betovering. Maar de leefregels om het kwaad te overwinnen worden gegeven in de klare taal van het gebod, zo transparant als een blauwe zomerhemel. Zoals Paulus ons voorhoudt in zijn Brief aan de Ro-meinen: ‘Vergeld geen kwaad met kwaad – ofwel: drijf Satan niet uit door Beëlzebul – maar probeer voor alle mensen het goede te doen.’ ‘Laat u niet overwinnen door het kwade – ofwel: geeft niet toe aan de verlokking kwaad met kwaad te bestrijden – maar overwin het kwade door het goede: door het bevrijdend evan-gelie van Jezus Christus.’ Daarom: ‘Wordt krachtig in de Heer,/ en in zijn sterke macht,/ de duivel gaat te keer,/ Weest op zijn list bedacht. Maar ook: En bidt dan in de Geest / voortdurend voor elkaar. / God die de harten leest,/ dat Hij u wel bewaar!’ Amen.
|
|
|
Paasgroetenactie 2010 Vanuit heel de Protestantse Kerk in Nederland sturen gemeenteleden ook dit jaar weer een Paasgroet aan gevangenen in binnen- en buitenland, als een bemoediging. Met Pasen vieren christenen wereldwijd de opstanding van Jezus : de dood en de nacht wijken voor het licht! Juist ook de gevangenen die terecht veroordeeld kunnen zijn, willen wij laten weten dat zij waardevolle mensen zijn in Christus' ogen: er wordt aan hen gedacht, er wordt voor hen gebeden.
Dat dat goed doet, horen we via justitiepredikanten, van de Stichting Epafras, terwijl ook de gevangenen van de groetenlijst van Amnesty en de mensenrechtenorganisaties in het buitenland blij zijn met de steun die van de kaarten uitgaat. Twee thema’s In een project over vragen, die we ook onszelf kunnen stellen, beeldden gedetineerden uit hoe voor hen ‘een stad van vrede’ eruit zou zien. Hoe ziet die stad er voor jou uit? En wat kun je dan om aan zo’n stad van vrede te werken. De verwerking van deze vragen leverde bijzondere paasgroetenkaarten op.
Hoe je ook vastzit in je situatie, hoe dreigend het water ook mag zijn, het is met Pasen alsof God tot iedereen zegt: ‘Er is altijd een doorwaadbare plaats, kom maar met Mij mee naar de overkant.’ Een thema waarover veel gepraat kon worden, en waar gedetineerden ook dit jaar weer mooie paasgroetenkaarten van maakten. ‘Er is altijd een doorwaadbare plaats’
De projecten worden geleid door het Catechetisch Atelier van Elspeth Pikaar (kunstenares) en Folly Hemrica (justitiepredikante en kunstenares), samen met Marjanke van der Horst, justitiepredikante in Breda. Een Paasgroet aan iemand die je niet kent... Als u mee doet, stuurt u een Paasgroet aan iemand die u niet kent. In veel gevallen zelfs aan iemand van wie u de naam die niet kent: gevangenen in Nederland, Nederlandse gevangenen in het buitenland. Dat doen we om hun privacy te waarborgen. Dat voelt misschien voor u wat onpersoonlijk aan. Maar degene die uw groet ontvangt ziet en voelt het als belangstelling van ‘buiten de muur’ voor hem of haar. En dat doet goed, zo horen we steeds weer, via de justitiepredikanten en de Stichting Epafras. U kunt aan de kaart wel een persoonlijke tint geven met een persoonlijke groet of bemoediging op uw Paasgroet: een bijbeltekst die u zelf altijd bemoedigt, een gedicht dat u voor hem of haar heeft gemaakt...
Meedoen aan de Paasgroetenactie A.s. zondag 7 maart kunt u kaarten à € 1,15 kopen na afloop van de dienst. Bij de kaart ontvangt u een stencil met informatie hoe de kaart moet worden verstuurd. De ZWO-commissie Zuid |
|
|
En breng ons niet in beproeving (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
|
En breng ons niet in beproeving maar red ons uit de greep van het kwaad. (gelezen: Genesis 3: 1-9; Jakobus 1: 12-16) Hoe komt het dat de wereld is zoals ze is? Waarom zijn er zoveel dingen niet goed? Waarom steeds weer ruzies, familievetes, brandhaarden, conflicten, oorlogen? Waarom zijn mensen zoals ze zijn? Heeft God ons gewild zoals we zijn? Ik weet niet hoe het u vergaat maar een mens kan door al die beelden van aanslagen op de televisie, afgelopen vrijdag was het weer raak in Kaboel, afgestompt raken. Ik krijg de neiging om weg te kijken, om de paniek in de ogen van de mensen maar niet te hoeven zien en de hectiek rond de gewonden… Een conclusie op grond van die beelden is niet zo gewaagd: wat zijn wij mensen ver van huis geraakt. Regelmatig wordt ons de laatste tijd verslag gedaan van bijeenkomsten van verschillende tribunalen, van rechtszittingen in Den Haag, Aken en München en elders. Misdaden van mensen en van bevolkingsgroepen worden meer en meer gedocumenteerd, eerder hadden we slechts onze vermoedens; maar nu horen we ooggetuigeverslagen die schokkend zijn en ons confronteren met diep insnijdende vragen. Wat daar is gebeurd, kan dat overal op aarde gebeuren? Wat mensen in de laatste oorlog in Nederland, in Sobibor of later op de Balkan hebben gedaan, hoort dat ook tot onze mogelijkheden? Het zijn vragen die je kunnen verlammen. Het kwaad lijkt te gedijen. Zijn wij mensen niet of onvoldoende in staat ons tegen de zuigkracht van het kwaad te verzetten? Het is een wereld om van wakker te liggen. Je moet uitkijken niet cynisch te worden of onverschillig. Ongefilterd komt het onze huiskamer binnen: mensen in de ban van de wraak, in de ban van vijandsbeelden. Moet je horen wat joden en Palestijnen over elkaar zeggen, na alles wat er de afgelopen jaren is gebeurd. Kunnen we eigenlijk nog wel spreken van een menselijke beschaving? Toen Gandhi ooit naar de menselijke beschaving gevraagd werd, antwoordde hij: "Beschaving, dat lijkt me een uitstekend idee." Maar vooralsnog lijkt die beschaving niet veel meer dan een flinterdun vernisje. Ik denk dat de vragen over het kwaad, over wat mensen elkaar aan kunnen doen, nooit tot rust komen. Je kunt er voor op de loop gaan maar vroeger of later gebeuren er dingen in je eigen leven waardoor je er onontkoombaar bij bepaald wordt. Het oude volk Israël was ook voortdurend met die vragen bezig en dat werd nog verhevigd tijdens de ballingschap. Waarom deze ballingschap, hoe is het mogelijk dat we zo ver van huis zijn geraakt? Waarom is het niet goed? Genesis drie, dat is het verhaal over ha 'adam, over de mens. Niet een historisch relaas over een zekere meneer Adam, maar een verhaal over iedere mens, over u en mij. Een verhaal over verleidingen en beproevingen die voortdurend op ons afkomen en over onze slappe knieën. Vanwaar die verleidingen? Als je die zesde bede van het 'Onze Vader' hoort: breng ons niet in beproeving, dan ben je bijna geneigd om te denken dat God met die beproeving van doen heeft. Maar zou dan de Eeuwige het kwaad op ons pad sturen en het vervolgens gaan bestrijden? Dat zou toch hoogst merkwaardig zijn. Heeft Hij dan iets van een brandweerman of vrouw die eerst een brand aansteekt om vervolgens met groot materiaal uit te rukken om de brand te gaan blussen? De Jakobus-brief is glashelder. Beweer niet: de verleiding komt van God. De Eeuwige stelt niemand aan verleiding bloot. Wie probeert ons dan te verleiden? De bijbelse verhalen komen niet met sluitende theorieën over het kwaad. Het kwaad heeft iets raadselachtigs, iets ongrijpbaars. Daar komt bij dat het kwaad niet zozeer om een verklaring vraagt maar om bestrijding. En bestrijding begint met verbijstering over wat er gebeurt en die is in bijbelse verhalen met handen te tasten; er wordt niet gezwegen over de macht van het kwaad. De vertellers in ballingschap spreken over een slang. Die representeert het kwaad, waar de Eeuwige nee tegen zegt. De slang weet de mens te paaien. Dat is het ontluisterende, dat mensen door het gefleem van een slang verstrikt raken in de netten van het kwaad. Maar tegelijk laat de Eeuwige merken dat Hij z'n schepselen niet voor het kwaad in de wieg heeft gelegd, Hij heeft andere verwachtingen en daarom klinkt er die ontmaskerende vraag: Adam, mens, waar ben je? Waar zit je? Waag het niet om weg te duiken in het struikgewas van flauwe praatjes en misselijke smoesjes, je bent verantwoordelijk! Ik wacht op antwoord. God wil graag van de mens horen: hier ben ik. Het raadselachtige van het kwaad in de wereld doet geen afbreuk aan de menselijke verantwoordelijkheid. Een roman zag het daglicht. De hoofdfiguur in het boek is een man wiens vrouw op een afschuwelijke manier vermoord wordt, nadat vele andere vrouwen in de buurt hetzelfde lot hadden ondergaan. De man vertelt de politie dat hij z'n huis was binnengekomen en toen nog net een glimp van de moordenaar had opgevangen. Hij had diens gezicht gezien in het raam tegenover de deur. Een politieagent vraagt hem: hoe zag de moordenaar er dan uit? Dat weet ik niet precies, zegt de man, het was het gezicht van het kwaad. Hoe kun je dat nu beschrijven? Tijdens het politieonderzoek sterft de man. De politie moet het nu verder zonder zijn aanwijzingen doen. In het huis van het slachtoffer zoekt men naar het raam waar de man over sprak. Dat raam blijkt echter een spiegel te zijn. Wat blijkt: de man had zichzelf gezien, zijn eigen gezicht. Zijn gezicht was het gezicht van het kwaad. Hij bleek zelf de moordenaar. Had hij de rechercheurs door zijn verklaring op een dwaalspoor gezet? Had hij gelogen? Hij was de moordenaar en toch wees hij een ander aan. Was hij het nu wel of was het een ander? Ten diepste is dat allebei waar. Hij was de dader maar tegelijk was er iets dat bezit van hem nam, een kwade macht die de regie van hem overnam en hem dreef tot zijn daden. De waarheid van die man moet luiden: ik was het, maar ik was niet mijzelf. Ik vind dit een onthutsend verhaal, vooral ook omdat je onmiddellijk weet dat je er niet buiten kunt blijven. We hebben van die momenten dat we onszelf niet kunt volgen. Dan vraag je jezelf af: wat doe ik nu in vredesnaam? Ik ben gewoon mezelf niet. Wat val ik mezelf tegen. Heel kernachtig heeft Paulus dat in een brief aan de gemeente in Rome verwoord. In grote eerlijkheid biecht hij op: ik begrijp mijn eigen daden niet. Ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat (Romeinen 7:15). Dat is een ontnuchterende ontdekking. Paulus bespeurt dat er iets, een kracht, in hem woont, die hem drijft. Een tegenkracht. ‘Een vijand’ noemt Jezus die tegenkracht in de gelijkenis van het onkruid tussen het graan. Demon of onreine geest wordt hij ook genoemd in het evangelie. Je doet niet alleen kwaad, je raakt er ook in verwikkeld. Het kwaad als een macht die over ons mensen heerst. Daar moet ik steeds aan denken als ik mensen wraakzuchtig hoor spreken over elkaar, als kinderen in een oorlogssituatie met haat ten opzichte van anderen opgroeien. Mensen die elkaar laten stikken of die genadeloos oordelen. De zuigkracht van het kwaad verslaat zijn duizenden. Is verzet tegen die macht mogelijk? Jezus wil ons met deze bede leren dat de Eeuwige in alle beproevingen onze bondgenoot is. Dat we God mogen aanroepen om kracht, om bevrijding: red ons uit die wurgende greep van het kwaad. Jezus zelf heeft zich van meet af aan teweer moet stellen tegen de beproevingen. Direct na zijn doop komen de aanvechtingen in de woestijn op hem af, is er die duivelse stem die hem influistert z'n roeping vaarwel te zeggen. Gerechtigheid volbrengen… je weet niet waar je aan begonnen bent. Geef het toch op, met dat Koninkrijk wordt het nooit wat. Het is een stem die ageert tegen ons vertrouwen dat wij gekend en bemind zijn door de Eeuwige. Jezus heeft heel zijn leven gestreden met die duivelse tegenkracht. Hij wordt omringd door boze geesten, het is alsof hij al die kwade krachten in mensen provoceert om ze vervolgens te ontmaskeren als vijanden die op de terugtocht zijn. Vol geloofskracht treedt hij die vijandige machten tegemoet. Tegen zijn vrienden zegt hij: heeft de Eeuwige ons geen macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen? Of we ook machtig zijn… Maar Jezus weet hoezeer zijn leerlingen worden verzocht om de droom van het koninkrijk op te geven en bijna aan het eind van z'n weg, vlak voor z'n arrestatie zegt hij tegen drie van hen: waakt en bidt dat jullie in de verzoeking niet bezwijken. De geest is wel gewillig maar het lichaam is zwak (Mattheüs 26:41). Als illustratie van dit laatste denk ik aan een hulpverlener die iemand op het rechte spoor probeert te brengen. Ondanks alle gesprekken gaat het steeds weer mis. Collega's die er niet meer in geloven zeggen: "Joh, we wisten dat het niks zou worden, hou er toch mee op." Maar die hulpverlener wil daar niet van horen. De ander gaat hem ter harte. Wat z'n collega's over opgeven zeggen, beschouwt hij als een duivelse influistering. Niets is onmogelijk, geen vijand is onoverwinnelijk. Jezus heeft vlak na z'n doop, in de woestijn gehoord: geef toch op. Maar hij is voor die stem niet bezweken. Hij blijft geloven in de zaak waar hij voor staat. Het visioen van het koninkrijk wordt hem niet uit handen geslagen. En wij? Kunnen we de droom van het koninkrijk koesteren? Onze samenleving is de laatste jaren verhard, er heerst een bittere sfeer, bij nogal wat mensen leeft boosheid. Soms worden in een politiek debat mensen tegen elkaar opgezet. Het gaat soms zo ver dat mensen niet meer als mensen worden gezien, maar als aanhangers van een verderfelijke religie. Velen die veroordeeld worden ondanks hun bijdrage aan het welzijn in ons land. Kunnen we ons ertegen teweer stellen? De bede uit het 'Onze Vader' die Jezus ons leert, is een tegengif. Red ons uit de greep van het kwaad bidden we. Het is een gebed tegen cynisme en onverschilligheid, een gebed om onze bevrijding. Want zo snel raken we in ademnood. Daarom bidden we: Eeuwige, al die beproevingen die op ons afkomen, wapen ons er tegen. Behoed ons voor de verschrikkelijke zuigkracht van het kwaad, bevrijd ons ervan. Beziel ons met uw Geest, want zonder uw inspiratie redden we het niet. |
|
|
India zondag 28 februari 2010 |
|
|
|
Voor velen van u is het inmiddels bekend dat wij vorig jaar september naar India zijn geweest. Vanuit de beide gemeenten is er erg veel met ons meegeleefd. Dat vonden wij heel erg leuk en fijn. We hebben al vaak onze belevenissen verteld. In de Achterkant hangen een aantal foto’s en er ligt een exemplaar van het fotoalbum dat Dick heeft gemaakt.
Op zondag 28 februari zal er in de dienst in de Handwegkerk aandacht worden besteed aan onze reis en de projecten van Stichting Derde Wereld Hulp. Na de dienst (om ongeveer 11.30 uur) zullen wij een presentatie geven. We willen u graag vertellen over wat wij gedaan en beleefd hebben en een aantal van onze foto’s laten zien. Mede dankzij de vele giften die we ook van u hebben ontvangen hebben we veel kunnen doen voor en met de kinderen.
Verder kunt u in het “India-winkeltje” producten kopen (zoals shawls, handgemaakte tassen en andere Indiase producten) waarvan de opbrengst ten goede komt van de projecten in India.
U bent van harte uitgenodigd!
Hartelijke groet, Marjo, Selma & Dick, Marrie & Sjaak en Arjan |
|
|