|
Liturgie van deze zondag Voorbereiding Consistoriegebed (gebed door de ouderling van dienst om een zegen over de dienst te vragen) Een en ander gebeurt in de consistorie = kerkenraadskamer Mededelingen (wie gaat voor, wie musiceert, wel of geen jongerendienst, de bloemen gaan vandaag naar) Morgenlied (In de Handwegkerk fungeert het morgenlied eigenlijk als overgang van het rumoer naar de viering, het is een soort attentiesein.) Gebed van toenadering of stil gebed (stil gebed als moment van voorbereiding) Bemoediging (onze hulp ... , we staan er niet alleen voor, we vieren niet uit eigen kracht, laat staan dat we onze eigen kracht vieren, we vieren in de Naam van de Onuitsprekelijke) Groet (genade en vrede zij u ... nogal eens door Paulus gebruikt aan het begin van zijn brieven) Lied: Psalm van de zondag (een aantal zondagen ontleent de naam aan een psalmvers, minstens één psalm wordt gezongen) Kyriëgebed (voor Gods aangezicht spreken wij de nood van deze wereld uit) Lofzang (niet in Advent- en 40-dagen-tijd) (hoezeer ook aangevochten, toch zingen wij dat Hij goed is, tegen ons ongeloof in) Dienst van het Woord Gebed van de zondag of Gebed om de opening van de Schrift. (hier vragen wij dat de oren en harten open gaan, verlicht worden door de Geest opdat wij verstaan) Lezingen uit de Schrift (rooster of voortgezette lezing), afgewisseld, afgesloten met een lied Eerste Testament Brieven Evangelie (veelal wordt een keuze gemaakt voor één of twee lezingen) Preek, uitleg, verkondiging, toespraak (drie momenten spelen een rol: - wat is er oorspronkelijk met de tekst bedoeld, - wat staat er in de tekst, - wat moet worden doorgegeven aan de gemeente, zeker bij het laatste geldt dat er gekozen moet worden, bijna altijd staat er meer dan in één preek aan de orde kan komen) Orgel, muziek Lied Afsluiting Gebeden; voorbeden, stil gebed, Onze Vader (voor de voorbeden geldt de drieslag wereld - kerk - persoonlijk, in het stil gebed kan dat vanuit eigen intenties geconcretiseerd worden. het 'Onze Vader' wordt gemeenschappelijk gebeden) Collecte (grotendeels volgens een centraal opgesteld rooster) Lied (moet een vlot, gemakkelijk te zingen lied zijn) Zegen (we gaan de 'wereld', het 'dagelijkse leven' weer tegemoet, dat is niet altijd even zegenrijk en de zegen is daarin niet altijd even gemakkelijk te ervaren, maar we staan er niet alleen voor, de NAAM gaat mee) |
|
|
Iedere tweede zondag van de maand is er om 19.30 uur in de Handwegkerk een oecumenische, meditatieve kerkdienst, waarbij de muziek ontleend is aan de kloostergemeenschap van Taizé.
We beginnen met koffie, in De Achterkant. Om 19.30 uur worden twee of drie liederen ingestudeerd, om 19.45 uur gaan we naar de kerkzaal. De zang wordt ondersteund door instrumentale begeleiding: vleugel, hobo, klarinet, viool en fluit. De muzikale leiding is in handen van Vincent Dorenbos.
Taizévieringen:
Zondag 8 januari 2012 om 19.30 uur in de Achterkant. De Achterkant is open vanaf circa 19.00 uur. U bent van harte welkom!
Voorganger is ds. M. Aalders
Klik hier voor de orde van dienst van zondag 8 januari 2012
De eerst volgende viering hierna is op zondag 12 februari 2012
Orde van dienst van recent gehouden Taizé-vieringen:
11 december 2011 6 november 2011 9 oktober 2011 11 september 2011 10 april 2011 13 maart 2011 13 februari 2011 9 januari 2011 12 december 2010 14 november 2010 10 oktober 2010 Zie ook de nadere uitleg |
|
|
Wij heten u hartelijk welkom tijdens de dienst op zondagmorgen, aanvangstijd 10.00 uur. Deze viering is het hart van ons kerk-zijn. Hier komen we samen om te bidden, te zingen, om te luisteren naar wat God ons te zeggen heeft.
Gastvrouwen en heren wijzen u de weg en vertellen u over het verloop van de dienst. Onze vaste voorganger is ds. G.J. de Bruin. Op het preekrooster leest u wie de voorganger van de zondag is.
Voor de allerkleinsten (0-4 jaar) is een crèche. De kinderen van in de basisschoolleeftijd (4-12 jaar) zitten aan het begin van de dienst bij hun ouders. Na de opening van de dienst gaan ze naar de kindernevendienst. De jongeren (12-17 jaar) hebben om de week een eigen kerkdienst, in een ruimte achter de kerk. Over al deze jeugdactiviteiten kunt u lezen in de rubriek jeugdwerk.
Na de dienst kunt u een kopje koffie drinken in De Achterkant, achter de kerk. U kunt daar kennismaken met de gemeenteleden en de voorganger. |
|
|
De Handwegkerk is de oudste Gereformeerde Kerk in Amstelveen. Vanaf 1865 wordt op dit terrein gekerkt. Het huidige kerkgebouw dateert van 1899. In de geschiedenis van deze gemeente zijn drie belangrijke keerpunten aan te wijzen. Rond 1930 nam de bevolking van Amstelveen Noord in snel tempo toe. Veelal betrof het welgestelde forensen, die niet zo gemakkelijk aansluiting vonden bij de plattelandsgemeente rond de Handwegkerk, om die reden spottend de klompenkerk genoemd. De 'bontjassen' begonnen voor zichzelf, en in 1936 werd de Pauluskerk in gebruik genomen, niet als tweede kerk van de Gereformeerde Kerk van Amstelveen Zuid, maar als Gereformeerde Kerk van Amstelveen Noord. In 1970 kwam het tussen beide kerken tot een toenadering. Nieuwbouw in Bankras, Waardhuizen, Middenhoven en Westwijk maakte samenwerking noodzakelijk. Het betrof een samenwerkingsverband dat nog steeds niet is omgezet in een fusie. Vandaar de officiele naam: Gereformeerde Kerken Amstelveen/Buitenveldert. In 1991 werd een federatief verband aangegaan met de Hervormde Gemeente Amstelveen. In het kader hiervan vormt de wijkgemeente Handweg een 'tweelingwijk' met de Dorpskerk. In het midden van de jaren '80 kende de Handwegkerk een dieptepunt: een vergrijsde gemeente, in een verouderd en slecht onderhouden kerkgebouw, met een slecht orgel. Zo was de situatie in 1990, met de komst van ds Aalders, nog steeds. Toch dagtekent vanaf dat moment een nieuwe periode in de geschiedenis van de Handwegkerk. De komst van deze jonge predikant betekende voor velen in de nieuwbouwwijk Middenhoven een goede reden ook de weg naar de Handwegkerk te zoeken. Binnen enkele jaren had de gemeente een ware metamorfose ondergaan. Hij mag nu één van de bloeiendste gemeenten in Amstelveen/Buitenveldert genoemd worden. Het gebouw is onlangs grondig gerenoveerd, het orgel uitgebreid. Het Samen op Weg proces verloopt moeizaam. Voor de kerkenraad van de Handwegkerk blijft dat wel het ideaal: een nieuwe kerk, in de nieuwe wijken van Amstelveen. In 1999 verscheen ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Handwegkerk een herdenkingsboekje van C.G. van Leeuwen, Wat was er aan de hand naar Leiden? Schetsen en beelden uit het honderdjarig bestaan van de Handwegkerk 1899-1999 (Amsterdam 1999). |
|
| | door M.J. Aalders In de oude kerk kende men het gebruik van de ziekenzalving, daarbij onder meer gehoorzamend aan het woord uit de Brief van Jacobus: “Laat iemand die ziek is de oudsten van de gemeente bij zich roepen; laten ze voor hem bidden en hem met olie zalven in de naam van de Heer.” In de Oosterse kerk is dit ritueel blijven bestaan, in de westerse kerk, de rooms-katholieke kerk, verschoof de betekenis: de ziekenzalving werd tot het laatste oliesel, tot een sacrament dat aan stervenden werd gegeven. Pas in de twintigste eeuw kwam er in de grote kerken opnieuw aandacht voor de bijbelse wortels van dit gebruik en werd het als het ware in ere hersteld. Ook in deel II van het Dienstboek van de PKN is dit gebruik opgenomen. Aan dat laatste is de grote aandacht voor de gaven van de Geest in de zogenaamde Pinksterkerken niet vreemd. Geloof is niet alleen een zaak van het hoofd, ook niet alleen een zaak van je hart, maar een zaak voor heel de mens, naar lichaam en ziel. Heil is niet iets voor later, voor ‘in de hemel’, maar voor het hier en nu. Het heeft niet alleen met onze ziel te maken, maar ook met ons lijf. We zouden het zo kunnen zeggen: God, de schepper van ons broze bestaan, laat niet varen wat zijn hand begonnen is te doen. Nu is het niet zonder reden dat de kerken niet zonder meer de boodschap van de Pinksterkerken hebben overgenomen. • De kerk distantieert zich van een al te eenzijdige en geïsoleerde aandacht voor de lichamelijke genezing. De heelheid van de mens heeft altijd met lichaam en ziel en met relaties met anderen en met de gehele samenleving te maken. Die heelheid hangt niet af van het geloof van de individuele gelovige. (Vgl Markus 2: 15). • De kerk distantieert zich van de opvatting dat iedere zieke genezen kan worden als hij maar gelooft. Daarmee wordt het uitblijven van genezing tot een schuld voor de zieke. • De kerk realiseert zich dat de Schepper in een geweldig gevecht gewikkeld is met de machten der duisternis. Van een ongebroken verlossingstheologie kan geen sprake zijn. Johannes in de gevangenis hoort over de wonderen van Jezus, maar hij zit nog steeds gevangen. ‘Zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt’, zegt Jezus in dit verband. Het koninkrijk is nabijgekomen, en hier en daar, soms, even, zijn daarvan tekenen zichtbaar. Om deze redenen wil de kerk niet spreken van genezingsdiensten, wel van de dienst der genezing. De kerk heeft ook op dit vlak een taak, ze heeft een dienst te vervullen. Het is de bijbelse opdracht waarmee de betrokkenheid van God bij de hele mens zichtbaar wordt gemaakt. Natuurlijk staat de moderne medische en sociale zorg daar niet buiten. De ziekenzalving biedt echter een vorm om die betrokkenheid van God indachtig te maken. In de vormgeving laten we ons bepalen door enkele belangrijke overwegingen. In de eerste plaats is het van belang dat er een gedeelte uit de Schrift gelezen wordt. Daarmee worden onze rituelen en handelingen ingekaderd, verbonden met een bron, met de bron, Jezus Christus. Juist in een tijd waarin allerlei vormen van healing populair zijn, is het van belang dit aspect te benadrukken. Als twee hetzelfde doen, is dat nog niet hetzelfde. Een ander element dat van belang is, is de aanroeping van de Heilige Geest. Het gaat niet om de kracht van de voorganger, het gaat niet om de kracht van het ritueel, het is geen magie, de bron van alle heil en heelheid is God zelf. Vandaar dit gebed om de Geest. Als laatste valt te wijzen op de handoplegging en de zalving. De handoplegging is het gebaar dat zichtbaar en voelbaar maakt hoe de kracht wordt overgedragen, de olie is het teken van de Geest. Zo wordt de zieke voor het aangezicht van God gesteld en gebracht in het krachtenveld van de heilige Geest. Waar dat gebeurt, kan er van alles gebeuren, en dat wil zeggen dat er niet per definitie gebeurt wat wij zouden willen. Niet alle zieken worden genezen. Dat is moeilijk, en onverhoorde gebeden kunnen worden tot een struikelblok. Maar ook kunnen onze ogen geopend worden voor zaken die ten diepste nog belangrijker zijn dan onze wensen. Als Jezus tot de verlamde man zegt: ‘Uw zonden zijn u vergeven’, geeft hij hem veel meer dan zijn gezondheid. Zo is ook de ervaring van hen die betrokken zijn in de dienst der genezing. Er kan van alles gebeuren, maar wat er gebeurt, wordt niet door ons bepaald. Soms wordt iemand genezen of bevrijd. Andere mensen zien ondanks een uitzichtloze situatie onvermoede perspectieven opdoemen; weer anderen leren opnieuw nadenken over God, en wie hij voor ons is; er zijn er die ervaren hun ogen opengaan voor een heel ander gebrek; en er zijn er die zich in de diepte gedragen weten, die een vrede ervaren die alle verstand te boven gaat. In onze gemeente gaan we voorzichtig om met de dienst der genezing. Zelf voel ik aarzeling bij een al te uitbundige vormgeving daarvan. Het gaat om tere zaken en het luistert nauw. Aan publiek heb ik zelf geen behoefte, ik ervaar dat vaak eerder als storend dan als stimulerend. Vandaar dat ik me tot nog toe altijd beperkt heb tot zegening en zalving in de kleine kring van het huisgezin. Wel is er na afloop van onze Taizévieringen ruimte voor voorbede en zegening, en al enkele jaren staat op de liturgie vermeld dat er ook ruimte is voor zalving. Nu weet ik niet of het gebruik van deze rituelen beslissend is. Daarachter liggen theologische vragen die ik nu maar even terzijde laat. Wat voor mijn besef vooral van belang is, is dat wij als gemeente een biddende gemeente vormen, en dat wil voor mij zeggen: een gemeente die leeft in het besef dat de Heer de levende en de aanwezige is en daaruit ook consequenties trekt als het gaat om de zieken in haar midden. ‘Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’ (Markus 2: 5). Bij het zien van hun geloof! De vraag is hoe het daarmee gesteld is. (N.a.v. C. van der Kooi en M.A.Th. van der Kooi-Dijkstra Ziekenzalving (Boekencentrum 2006)) |
|
|
|
door M.J. Aalders Binnenkort is het weer Goede Vrijdag. Of er veel kerkgangers zullen zijn? Eerlijk gezegd durf ik dat niet met zekerheid te zeggen. Goede Vrijdag staat er bij gereformeerden nu eenmaal niet zo goed op. Daarover gaat dit artikel. In de kerkorde van Dordrecht (1618) werd vast gelegd dat de kerk van de Republiek vijf feestdagen kende: Kerst, de dag van de besnijdenis van Jezus (1 januari), Pasen, Hemelvaart en Pinksteren. Goede Vrijdag hoorde daar dus niet bij. Het is me niet helemaal duidelijk geworden waarom niet. De viering van Goede Vrijdag maakt al vanaf de 3e of 4e eeuw deel uit van de kerkelijke traditie. Het was een vastendag geworden, waarop men vis at. Dat had een symbolische betekenis. Het Griekse woord voor vis is namelijk ‘ichtus’, het oud-christelijke symbool van de christenen. Het betekent echter niet alleen ‘vis’, maar kan ook worden gelezen als de afkorting van ‘Jezus Christus, Zoon van God’. Vandaar dat de vis het symbool van de gelovigen is geworden. Wellicht waren onze protestantse voorouders van mening dat de viering van die dag (met al wat daar bij hoorde) meer te maken had met de ‘paapsche stoutigheden’ dan met een zinvolle gedachtenis van het sterven van onze Heer. In ieder geval, in de Dordtse kerkorde wordt de dag niet genoemd als feestdag. Dat heeft niet kunnen voorkomen dat de oude kerkelijke praktijk hier en daar werd voorgezet, want her en der kwamen behalve de roomsen ook de protestanten samen op Goede Vrijdag. In ieder geval in Friesland bleef de kerkdienst op deze dag ook na de Reformatie bestaan. Maar algemeen was zo’n kerkdienst op deze dag niet. De protestanten wilden in de 17e en 18e eeuw geen viering van de Goede Vrijdag. Het geringe kerkbezoek op Goede Vrijdag heeft dus hele oude wortels: de protestantse weerzin tegen allerlei katholieke gebruiken. Aan het einde van de achttiende eeuw openbaarde zich een sterke behoefte aan liturgische vernieuwing. Velen hadden het gevoel dat een vernieuwing van de liturgie noodzakelijk was om te zorgen dat de mensen naar de kerk zouden blijven komen. Daarbij werd door sommigen ook de viering van Goede Vrijdag bepleit. Deze wens om tot een liturgische vernieuwing te komen werd in 1817 door de synode van onze kerk (de Nederlandse Hervormde Kerk) overgenomen, en bij allerlei andere aanbevelingen die de synode rond zond, behoorde ook de wens om op Goede Vrijdag samen te komen. Goede Vrijdag was, zo meende de synode, bij uitstek een dag van gewicht voor de christen. Vanaf die tijd dateert de opgang van de Goede Vrijdag in de negentiende eeuw. Er werd op steeds meer plaatsen een kerkdienst, en er gingen steeds meer stemmen op om de Goede Vrijdag tot een vrije dag te maken. Bovendien bepleitten sommigen de viering van het Heilig Avondmaal op Goede Vrijdag. Het waren vooral gemeenten met wat later genoemd zouden worden vrijzinnige voorgangers waar dit gebruik ingang vond. Daardoor kreeg de Goede Vrijdag een lading die vooral gevuld werd door de ‘mens’ Jezus, die aan zijn eigen idealen ten onder ging. Het avondmaal werd een ‘begrafenismaal’. De gemeente werd geconfronteerd met de dood van haar leraar Jezus. Uiteindelijk kwam het in 1853 tot een synodale aanbeveling op Goede Vrijdag een kerkdienst te houden met avondmaalsviering. Aan het eind van de negentiende eeuw was dit de gewone praktijk in de meeste hervormde gemeenten: een dienst van Woord en Sacrament. Daarmee plaatste men zich eigenlijk buiten de liturgische traditie, want vanouds was de dienst op Goede Vrijdag een dienst waarin de eucharistie niet werd gevierd (een enkele uitzondering daargelaten). Dit gebruik heeft het hier en daar tot op de dag van vandaag uitgehouden. In de afgescheiden gemeenten wilde men vasthouden aan de kerkorde van Dordrecht. Bovendien hadden de afgescheidenen zoveel vervolging van de synode ondervonden, dat de bereidheid om allerlei liturgische vernieuwingen te aanvaarden nihil was. Maar toen de hervormde synode in 1853 met haar aanbeveling gekomen was, werd de vraag naar Goede Vrijdag ook voor de afgescheidenen van belang. Men leefde nu eenmaal niet op een eiland, en wat school er voor kwaads in het gebruik om het sterven van onze Heer te gedenken? In sommige plaatsen ging men er daarom al spoedig toe over op Goede Vrijdag de gemeente samen te roepen, zij het dat de viering van het avondmaal achterwege werd gelaten. Maar elders bleef de weerstand bestaan. De viering van Goede Vrijdag was rooms, en voorzover protestanten er aan mee deden, waren het vrijzinnigen. Deze weerstand leefde in sommige plaatsen heel lang voort. Zo werd in Voorthuizen pas in 1949 voor het eerst een dienst op Goede Vrijdag gehouden. Dit alles betekent dat rond 1960 de viering van Goede Vrijdag algemeen was, maar dat alleen in hervormde gemeenten de dienst een dienst van Woord en Sacrament was. Bovendien was de oude weerstand tegen een kerkdienst op Goede Vrijdag onder de gereformeerden niet van de ene dag op de andere uitgestorven: het aantal kerkgangers bleef betrekkelijk laag. De laatste decennia zien we opnieuw een verschuiving plaatsvinden. Onder leiding van de Van der Leeuw-stichting zijn we ons gaan bezinnen op de betekenis van de liturgische traditie. In veel kerken is er daarom tegenwoordig ook op Witte Donderdag en op Stille Zaterdag een kerkdienst. De avondmaalsviering heeft zijn plaats gekregen op de Witte Donderdag en op Stille Zaterdag. Tegelijkertijd verdween de aanduiding Lijdenstijd. Deze werd vervangen door de term ‘veertigdagentijd’, of ‘vastentijd’. Bovendien wordt in het leesrooster meestal geen aandacht gevraagd voor de verhalen uit de lijdenstijd, maar voor het oudkerkelijk rooster van de dopelingen die zich voorbereidden op de doop in de Paasnacht. En tenslotte zien we steeds meer aarzeling rondom de vraag of er op Goede Vrijdag gepreekt moet worden. Deze veranderingen hebben ook hun weg gevonden naar de Handwegkerk. Ook dit jaar zijn er in de Stille Week vier kerkdiensten, ook dit jaar zal er op Goede Vrijdag niet gepreekt worden. Zelf heb ik deze veranderingen vooral als winst ervaren. Maar tevens constateerde ik dat er als gevolg hiervan de laatste jaren niet meer gepreekt is over al die bekende verhalen uit de lijdensgeschiedenis. Vandaar dat Renger en ik er dit jaar voor hebben gekozen die verhalen in de veertigdagen tijd te lezen. Als wij van mening zijn dat de Schrift moet worden uitgelegd, moet er ook over deze verhalen gepreekt worden. Of er ook gepreekt moet worden op Goede Vrijdag? Zo zou ik het niet willen zeggen. We hebben enkele jaren geleden de lezing van het lijdensverhaal afgewisseld met koralen uit de Mattheus-Passion. Ik heb dat uit een buitengewoon indrukwekkende dienst beleefd. Zo kan het dus ook. Maar daarmee is niet gezegd dat het niet kan, preken op Goede Vrijdag. Misschien is het juist nu wel eens nodig. De kerk verkeert in grote verlegenheid over de betekenis van het sterven van Jezus. Daar waar het hele evangelie op uitloopt, daarover durven we geen uitspraken meer te doen. Maar als je dat niet durft, wat is dan de zin ervan om wel het verhaal te lezen, of de koralen van Bach te zingen? M.J. Aalders Bronnen: Twee artikelen van ds K.W. de Jong uit Centraal Weekblad, eén artikel van ds R.A. Bosch uit Eredienstvaardig. |
|
|