spacer.png, 0 kB
Home arrow Blog
A blog of all section with no images
Formulierenbrigade PDF Afdrukken E-mail

"Dankzij de hulp van de Formulierenbrigade bleek dat ik recht had op een hogere zorgtoeslag!"

 Als u dit herkent, of met andere vragen zit over het invullen van een formulier kunt u gebruik maken van deze hulp.

Voor uitvoerige informatie hierover kunt u op deze link klikken - u krijgt dan volledige informatie over hoe en waar en wat.

Of anders vraagt u het bij één van de diakenen na.

De Diaconie.

 
Schepping PDF Afdrukken E-mail
In het begin was er niets. Het valt niet mee om je dat 'niets' voor te stellen. Alles wat er nu is, is er niet. Je bent er zelf niet, je fiets of auto is er niet, je favoriete krant komt niet door de brievenbus. Je hebt niet eens een brievenbus. Je moet het licht uitdoen en dan wordt het donker maar het donker moet je ook vergeten, want in het begin was het donker er ook niet. Als je aan het begin denkt, moet je heel veel weglaten. Je werk of opleiding weglaten, school weglaten, je sportclub, de winkels en de kerken. Het is er allemaal niet: je boeken en de kat, je rekeningen en de televisie. Je houdt alleen God over. Nou ja: God en een verteller. Er moet iemand zijn die over God vertelt. Maar eerst was er nog helemaal niets.

'Ik ben benieuwd waar U mee gaat beginnen', zei de verteller tegen God. 'Eens zien,' zei God, Hij spreidde zijn armen uit en schiep iets. Eerst zag de verteller het niet. Het was de avond die werd geschapen. Dat had hij pas door toen het licht werd, noteerde de verteller later in zijn dagboek. Die nacht kon de verteller door de spanning niet slapen. Hij trommelde met zijn vingers op zijn been en vroeg zich hardop af: wat komt er straks? 'Een ochtend', zei God en Hij glimlachte. Het begon een beetje te waaien. De verteller merkte het aan de haartjes op zijn armen. Toen hij weer opkeek, zag hij water en land. 'Zit ik aan water en land te denken, komt er ook water en land', zei God. De verteller stak z'n tenen in het water om te voelen of het water koud was. Het viel wel mee.

Op hetzelfde moment rolde God een tapijt uit van groen en gras en grond. Van alles
kwam te voorschijn. Groene gewassen en talloze  planten. God trok stoere eiken uit de grond. Wat een bloemen waren er opeens te zien: klaprozen en boterbloemen, meizoentjes en fluitenkruid. De verteller genoot en stak zijn duim op tegen God. 'Goed hè', zei God. In z'n dagboek schreef de verteller een vraag op: zal ik bloemen plukken voor God en hem straks een mooi boeket geven? Hij zuchtte. Hij voelde zich wat alleen op het land bij de zee, met al dat groen. Het was ook zo stil. God grinnikte. 'Lacht U me uit?', vroeg de verteller wat bozig. 'Ik lach niet om jou maar om hen', zei God en wees naar alle dieren die er opeens waren. Er liep en kroop van alles, er zwom en vloog ook van alles. De verteller was wel een dag bezig om te zien wat er allemaal te zien was. Alleen muggen die om z'n hoofd cirkelden, die hadden van hem niet gehoeven.
 
De verteller dacht dat God een beetje moe werd. 'Scheppen lijkt me zwaar werk', mompelde hij, dat gaat je niet in je koude kleren zitten. Hij had eens iets van klei gemaakt, het moest een schaap voorstellen. 'Leuk die koe', zei zijn moeder. Nee, scheppen is allesbehalve eenvoudig. Opeens gaf God de verteller een zetje en fluisterde: 'Draai je eens wat verder om.' En toen zag hij haar staan: een machtige meid. Zo eentje waarvoor jongens uit Amstelveen onmiddellijk door hun hoeven zakken, alleen al door de aanblik. Ze was net zo bloot als de verteller maar dat gaf niet. Mooi bloot is niet lelijk.
Toen de vrouw en de verteller de volgende dag wakker werden, sliep God nog. De verteller begon te tellen. Hij meende dat het de zevende dag was. Eindelijk werd God wakker. Het was duidelijk: God ging deze dag niets scheppen. Helemaal niets. De aarde vertrouwde God toe aan de mens. De verteller pakte z'n dagboekaantekeningen en een nieuw schriftje en zei: 'Het is de hoogste tijd om het allemaal eens netjes op te schrijven. Dan kunnen ze het in Amstelveen later nog eens nalezen.'

(voor deze parafrase van het scheppingsverhaal heb ik naast Genesis 1 en 2 gebruik gemaakt van een boek over de schepping van Bart Moeyaert)

 
De mier en de graankorrel PDF Afdrukken E-mail

Op een veldje lag dagen na de oogst een graankorrel. De graankorrel wachtte op regen om in de aarde weg te zakken. Het was zonnig en erg droog, het had tijden niet geregend. De graankorrel werd wat ongeduldig. Op een prachtige, warme dag kwam er een mier voorbij. Hé graankorrel, jou neem ik mee, sprak de mier. Het is nog lang geen winter, maar een voorraad voor de winter aanleggen is altijd verstandig.

De mier sjorde de graankorrel op haar rug en ging op huis aan. Poe, wat was die graankorrel zwaar. De mier moest er van hijgen. Waarom leg je me niet neer, zei de graankorrel. Ik ben er niet zo voor om deze winter door jou opgegeten te worden. Ik ben bedoeld om uit te groeien tot een grote plant.

De mier ging er even bij zitten. Ze wiste het zweet van haar voorhoofd. Wat zeg je, graankorrel? Dacht je dat jij een grote plant werd? Inderdaad knikte de graankorrel. Als je me hier op het veld laat liggen, dan zal ik je volgend jaar honderd graankorrels geven.

De mier krabde op haar hoofd. Dat was wat: honderd korrels volgend jaar of in haar huisje één graankorrel. Dat is zo'n beetje hetzelfde als wanneer je moeder of vader vraagt: wil je nu één dropje of wil je morgen een hele zak drop…

Wat kies je dan? De mier wist het wel! Ik kies voor honderd korrels, volgend jaar zei ze. Afgesproken, zei de graankorrel.

Maar de mier snapte nog niet helemaal, hoe dat eigenlijk kon. Graankorrel, leg me eens uit, hoe zit dat met die honderd korrels?

Dat is een geheim, luidde het antwoord, het geheim van het leven.

Mier, je moet een klein kuiltje in de grond graven en me daarin leggen. Kom dan over een jaar terug en dan zul je wat zien.

De mier legde de graankorrel in het kuiltje en gooide wat aarde over de graankorrel heen. Na een jaar kwam ze terug. Ze kon haar ogen haast niet geloven. Op het plekje stond een grote plant, vol graankorrels. De mier ging de graankorrels tellen. Ik geloof dat het bij achtentachtig was, dat ze de tel is kwijtgeraakt. Mieren vinden net als sommige grote mensen en een enkele juf van de basisschool rekenen een beetje moeilijk.

Dit is een Paasverhaal over een mier en een graankorrel. Een verhaal over zaaien en oogsten. Over graankorrels valt ook te zingen. Laten we dat maar doen

 
Stemmenspel PDF Afdrukken E-mail
Stemmenspel (Maria van Magdala en Romeinse bewaker/soldaat)

Maria: Hoe kan het, dat de haat het wint van de liefde? Dat de angst het wint van het vertrouwen? Ik snap er niks van. Ik heb toen ik jong was van mijn moeder geleerd: wie goed doet, goed ontmoet. Maar moet je eens zien, wat er met Jezus is gebeurd. Het is alsof ik de laatste dagen onder een laag plastic zit. Ik zie mezelf dingen doen, eten klaarmaken, maar ik ben er niet bij. Ik hoor mezelf dingen zeggen waarvan ik denk: zeg ik dat?

Soldaat: M'n moeder was er niet blij mee, toen ze hoorde van mijn uitzending. Mam het wordt Palestina, vertelde ik haar, maar daar had ze nog nooit van gehoord. Primo, waar mag die provincie wel niet liggen, reageerde m'n vader toen ik het hem op de hoogte bracht van mijn vertrek. Kunnen ze in die uithoek van het Romeinse rijk niet zonder jou, vroeg m'n jongere broer. We hebben soms ruzie, maar nu wil hij dat ik thuis blijf. We hebben toch een band…

Maria: Na die eindeloos durende sabbat ben ik vannacht toch nog in slaap gevallen. Volkomen uitgeput. Steeds opnieuw krijg ik beelden voor ogen. Dan zie ik het kruis, zijn dode lichaam, dan zie ik hoe ze een grote steen voor het rotsgraf rollen. Droom ik? Ik wou dat het een droom was, maar het is de bittere werkelijkheid. Hoe is het toch in vredesnaam mogelijk dat ze mijn Meester hebben vermoord?

Soldaat: Voor een jaar ben ik uitgezonden naar Palestina… Laat ik het maar bekennen: ik heb niet staan juichen, toen ik dat hoorde. Ik heb er een paar nachten slecht van geslapen. Een jaar zonder Carmen, een jaar zonder m'n familie… Het gemis van m'n vrienden… Pizzoli ligt wel heel ver weg, nu ik hier ben.

Maria: We zijn met z'n tweeën naar het graf gegaan, in het eerste licht. Maria, de moeder van Jakobus en ik. Onderweg wordt het langzaam licht. Maar van mij mag het donker blijven. Laat het maar gaan regenen, dat sluit meer aan bij mijn gevoel. En dan ziet niemand mijn tranen.

Soldaat: Nee, dit is geen spannende provincie. Ik kan niet zeggen: hier moet je zijn, this is the place to be. Het kan erg warm zijn en droog. Er wil hier maar weinig groeien. Eindeloze velden met olijfbomen heb je hier. Maar van olijven alleen, kan een mens niet leven. Wat ik om me heen zie, vind ik vreemd. 't Is een cultuur die zo anders is dan onze sublieme Romeinse cultuur. Ik versta de mensen niet en ze hebben vreemde gewoonten.

Maria: Het is maar een klein stukje en dan zijn we de stad uit. Wonderlijk hoeveel leven er op dit vroege uur al in de stad is. Wat een bedrijvigheid. Mensen doen hun winkel open. We passeerden net een herder met een kudde geiten, verderop staan mannen die hun ezeltjes laden om naar de markt te gaan.

Soldaat: Jeruzalem vind ik dodelijk saai. Onvergelijkbaar met Rome, waar het altijd bruist, altijd volop leven. We moeten hier de rust bewaren, nou, daar is niet veel voor nodig. Er gebeurt hier nooit iets. Er is wat handel bij de tempel, mensen offeren daar dieren. Maar dat is het wel zo'n beetje. Nou ja, zo nu en dan is er iemand die de kolder in z'n kop krijgt, die een opstand wil ontketenen. Maar daar rekenen we snel mee af.

Maria: Vreselijk eigenlijk hoe het gewone leven weer verder gaat. Alsof er niks gebeurd is. Alsof onze goede Meester niet gestorven is. Ik zou het wel uit willen schreeuwen tegen de mensen die ik onderweg tegenkom: weten jullie dan niet wat er gebeurd is? Wereld sta stil, zon sta stil. Vogels, hou op met fluiten.

Soldaat: Ik heb wel vaker simpele klusjes moeten doen. Maar een graf bewaken, wie verzint dat nou? Ik voel me hier met mijn maat echt voor gek staan… Maar onze commandant moet je niet tegenspreken. Dan heb je een probleem. Zijn wil is wet.

Maria: We zijn er. Of toch niet? Is dit wel Jezus' graf? Waar is die steen, die voor het graf is gerold? Ik geloof m'n ogen niet. Als een open wond gaapt de leegte me aan. Maria grijpt mij vast. En ik grijp haar vast. Haar tranen vermengen zich met de mijne. Het is alsof de grond onder onze voeten wegzakt.

Soldaat: Staan we dus braaf met z'n tweeën bij dat graf. Luigi kan er de humor wel van inzien. Primo, wat zijn we toch een helden, zegt hij. Een dode bewaken…
Je moet niet denken dat ik bang ben in het donker, ook niet in de buurt van graven. Waar we zo van geschrokken zijn, is dat plotselinge licht.

Maria: Zie ik uit mezelf die grote steen daar aan de zijkant liggen? Of valt het mij op, omdat er iemand op die steen zit en ons aanspreekt? Het dringt nauwelijks tot me door dat hij tegen ons begint te spreken. Hij zegt iets over onze angst. Hoe begrijpelijk onze angst is. Maar dat we niet hoeven te wanhopen. Wie we zochten, is niet in het graf.

Soldaat: Die explosie van licht, ik dacht werkelijk dat mijn laatste uur geslagen had. Hoe ik nu hier kom… Ik weet niet eens waar m'n maat is. Onderweg moet ik m'n zwaard verloren hebben, het hangt tenminste niet aan m'n riem. Ik ga maar terug naar de burcht Antonia. 't  Ziet er niet best voor me uit. 'Even Perugia bellen' zeggen we tegen elkaar als er iets helemaal mis gaat. Dat ik niet op mijn post gebleven ben… poe...

Maria: Ik hoor die vreemdeling bij het graf zeggen: hij is opgestaan. Ik hoor het en tegelijk hoor ik het ook niet. Het is een te vreemd bericht voor mijn oren. Hij is opgestaan - wat mag dat wel niet betekenen? Met dat bericht worden we weggestuurd. Naar de anderen gestuurd. Gek, maar we doen het. Aan de ene kant ben ik totaal uit het lood geslagen, nog steeds verdoofd en aan de andere kant gaat mijn hart als een razende te keer. Laten we gaan, zeggen we gelijktijdig tegen elkaar. Ik hoor in de verte een vogel fluiten.  


 
Eindfase bezinningsproces PDF Afdrukken E-mail

Wie zit er te wachten op een open en gastvrije kerk?

Op vrijdagavond 27 maart werd het Eindrapport van het Bezinningsproces binnen onze Protestantse Gemeente overhandigd aan Melis Melissen, voorzitter van de Algemene Kerkenraad. De kerk in Nederland, ook die van Amstelveen - Buitenveldert verkeert in zwaar weer. Binnen nu en een jaar sluiten er twee kerkgebouwen, de Bankraskerk en de Dorpskerk. Tegen deze turbulente achtergrond vond er vanaf september 2008 tot maart 2009 een bezinningsproces plaats. Hoe nu verder is de centrale vraag. Want tegen de verdrukking in groeit er ook nieuw elan en nieuw bewustzijn. Kerksluitingen kondigen immers niet het einde aan van Christus’ betrokkenheid bij wie er voor kiezen om hem te volgen.

Vele honderden gemeenteleden hebben zich in de periode van het bezinningsproces in verschillende vergaderingen, workshops en thema bijeenkomsten gebogen over de roeping en opdracht van de gemeente, onze sterke en zwakke kanten en over onze plaats in de samenleving. Benieuwd naar de uitkomsten?  Klik dan door naar het eindrapport.

Een belangrijk onderdeel van het bezinningsproces is een onderzoek dat Motivaction verrichtte naar de manier waarop verschillende groepen in de Nederlandse bevolking omgaan met geloof, levensvragen en zingeving. De rapportage van dit onderzoek is  hier te vinden.


 
Lucas 19: 28-40 (door ds. G.J. de Bruin) PDF Afdrukken E-mail
Lucas 19: 28-40 (en Zacharia 9: 9-10)

Vanochtend een dienst met een hoog ezelgehalte… Zal het lukken, dat de ezel ons een tale spreekt?
Indertijd lukte dat niet, toen kunstenaar Aad de Haas een kruisweg met zestien staties had gemaakt voor de Sint-Cunibertuskerk van Wahlwiller en de figuren had afgebeeld met honden en ezelskoppen. De kunstenaar had er drie jaar aan gewerkt maar in 1949 moest zijn kruisweg verwijderd worden; pas tien jaar na zijn dood, in 1981, kwam de kruisweg weer in de kerk in Wahlwiller te hangen. Artistieke vrijmoedigheid ontmoet niet altijd begrip, zoals Gerard Reve ook zou ondervinden, denkt u maar aan het ezelsproces in de zestiger jaren. Als u op vakantie naar Zuid Limburg gaat, moet u de kruisweg van Aad de Haas gaan bekijken. Zoals je Amstelveen eigenlijk niet kent als je nooit in de Handwegkerk bent geweest, zo ben je, zonder bezichtiging van de kruisweg van De Haas, in feite niet in Zuid Limburg geweest…

Spreekt de ezel uit het intochtverhaal ons een tale? Ida Gerhardt noteerde in een kort gedicht hoe ze zich eens verraden voelde, maar tegelijk zeer getroost.
 
  Gij met uw zachtzinnige oren
  en uw geduldig gezicht:
  ik ben u zeer verplicht.
  Dat Gij het hebt aan willen horen
  hoe toenmaals het is geschied;
  en hoe mij de ander verried.
  En dat ge zelfs niet hebt bewogen,
  mij slechts getroost met uw ogen.
  Dat kunnen de mensen niet.


Door de eerbiedige toon van het gedicht krijgen we misschien een vermoeden dat Ida Gerhardt zich in haar gedicht tot God richt. Maar de titel van het gedicht spreekt boekdelen: 'Dank aan een ezel'. Het was een ezel die geduldig naar haar heeft geluisterd en haar heeft getroost. En onmiddellijk ga je denken: waren er maar meer ezels!

De dichteres was zeer vertrouwd met de bijbelse verhalen. In die verhalen aan ezels geen gebrek. We beluisterden een profetie, op naam van Zacharia. Je koning is in aantocht, nederig komt hij aanrijden op een ezel. Niet iets wat er in de dagen van de profeet gebeurt, maar een toekomstvisioen.
Zacharia ziet de Eeuwige vrede verkondigen aan alle volkeren, zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee. Mensen die hun wapens restloos hebben ingeleverd, niet nog wat achter houden in geheime depots en schuurtjes. U en ik, wij zien zoiets dwaas nog niet gebeuren. Daar gelooft vandaag toch niemand in. Maar Zacharia ziet het voor zich. Alle paarden uit krijgsdienst ontslagen, die mogen weer heerlijk dartelen in de wei. Ruim baan voor de vrije kuren van de Edward Gals en Ankie van Grunvens onder ons…

Het paard is ooit door koning Salomo het land binnengevoerd en sindsdien rijden de koning en de bovenlaag van de bevolking op een paard. Het paard staat voor macht, voor aanzien, is bij uitstek het oorlogsdier. Over oorlog heeft Zacharia het ook, vlak voor waar wij begonnen te lezen. Over een oorlog die God te voeren heeft met de volkeren rondom. Maar alsof Zacharia daar zelf van schrikt, klinken vervolgens die woorden over een koning die op een ezel de stad binnenrijdt. Alsof Zacharia in gesprek met zichzelf tot de conclusie komt: een oorlog kan het doel van God niet zijn. Een oorlog kan misschien een middel zijn, een laatste noodmaatregel, een soms niet te vermijden kwaad - maar het kan Gods doel niet zijn. En dan vertelt de profeet over een koning op een ezel.

U vindt het waarschijnlijk niet vreemd dat de evangelisten bij het schrijven van hun verhaal over Jezus hebben teruggegrepen op het visioen van Zacharia. Alsof zij ons duidelijk willen maken: in Jezus zie je iets van een andere, geweldloze manier van leven, van een nieuw soort koningschap. Het koningschap van een argeloos mens die zijn volksgenoten leert om kwaad niet met kwaad te vergelden. Als iemand u op uw rechterwang slaat, sla niet terug, keer hem liever uw linker toe… Die vreemde rabbi die als hij bijna gevangen genomen wordt tegen één van zijn metgezellen zegt: weg met je zwaard. Want wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.
Hier spreekt iemand die zijn tegenstanders niet wil vernietigen, maar strijdt met andere wapens; met de wapens van de geest, zal Paulus later zeggen. Vanuit een grote compassie met mensen, geworteld in de bron die hij Abba noemt, gelovend in de mogelijkheid van ieder mens om te kunnen veranderen. Zo bevrijdt Jezus een man van zijn corrupte praktijken in een tolhuis, verjaagt hij de zeven boze geesten die een plaag zijn voor Maria van Magdala, redt hij een naamloze vrouw van een dood door steniging. Dan is het toch niet vreemd dat de evangelisten, bij het componeren van hun goede tijding, moeten denken aan het visioen van Zacharia. Dat visioen van een nieuw soort koningschap dat over de gehele aarde vrede zal brengen. Het beeld van een ongewapende koning die op een ezel Jeruzalem binnenrijdt - het laat de evangelisten niet meer los. Ze nemen het, elk met hun eigen accenten, op in hun verhaal.

Lucas laat Jezus diepzinnig tegen zijn leerlingen zeggen: in het dorp verderop zult u een ezelsveulen vinden waarop nog nooit een mens gezeten heeft of dat nog nooit iemand gedragen heeft. Zo was Jezus ook in de wereld gekomen: door een meisje dat nog nooit iemand gedragen had. En het verhaal dat op Goede Vrijdag zal klinken zegt dat ze Jezus in een rotsgraf leggen, een graf dat nog nooit was gebruikt, of letterlijk: waarin nog nooit iemand was gelegd. Alsof de evangelist ons op het hart wil drukken: de weg die deze mens gaat is geheel nieuw en volstrekt uniek. Het is van zijn geboorte tot zijn dood een weg die nog door geen mens is gegaan.

Bij Lucas heeft haast elke zin een dubbele bodem. Maak het ezelsveulen los en als iemand er naar vraagt, moet je maar zeggen: de Heer heeft het nodig. Hier spreekt een mensenkind die er weet van heeft nodig te zijn, die weet heeft van zijn roeping. Hij heeft zich als een ezel laten losmaken om zich te verbinden met zijn bestemming. Hij laat zich brengen naar Jeruzalem, daar gaat Jezus zijn ondergang tegemoet, de uiterste consequentie van zijn nodig zijn.
 
Het verhaal van de intocht is een verhaal dat pas kon worden geschreven na het leven van Jezus, toen alle stukjes van de puzzel op z'n plaats vielen. De oudste christelijke gemeenten hebben naar woorden gezocht om de unieke betekenis van Jezus door te geven aan komende generaties. De visioenen van Zacharia worden op Jezus betrokken. Een historicus kan dat volgens de regels der kunst niet doen. Maar Lucas is geen historicus in de moderne zin van het woord. Hij wil niet koel en zakelijk beschrijven, hij wil getuigen van de betekenis die Jezus heeft voor mens en wereld. Jezus is voor hem de koning van de eindtijd. Niet hooggezeten op een paard maar een laag-bij-de-grondse koning op een ezel, het dier bij uitstek van de armen.

In Rome is ooit een tekening ontdekt, gekrast op een muur van de heuvel Palatijn, die stamt uit de derde eeuw na Christus. Spotprenten zijn niet alleen iets van onze tijd, die had je toen ook al. Op die tekening zie je een kruis en aan dat kruis hangt een man. Het is een man met een ezelskop. Onder het kruis ligt iemand geknield, een zekere Alexamenos. Onder de tekening staan een paar woorden in de muur gekrast: Alexamenos aanbidt zijn God. Deze heidense cartoonist heeft meer begrepen van de God van Israël, dan hij zelf zal hebben beseft. Een God die neerdaalt om mens te zijn met de mensen, hun helpt hun last te dragen en die afziet van macht en geweld, zo'n nederige God draagt eerder de trekken van een ezel dan van een mens. Dat is niet menselijk meer.

Maar in het bijbels Verhaal hebben we voortdurend met omkeringen te maken die ons denken en doen ontregelen. Met oog op die mens uit Nazaret op een ezeltje zingt het geloofsverhaal: alleen wie zo nederig kan zijn, is de verhevene. Aan wie zo kan dienen, is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Paulus heeft dat in niet mis te verstane woorden samengevat: het dwaze van God is wijzer dan mensen en het zwakke van God is sterker dan mensen. Inderdaad, zo dwaas is deze God. We hebben een evangelie dat voor joden aanstootgevend is en voor heidenen, en dat zijn wij, dwaas. Zo had Alexamenos het begrepen en hij was bereid net zo dwaas te zijn als zijn God.

Aan u en mij de vraag of wij wat mee kunnen komen in die dwaasheid Gods? In onze wereld gaat het niet om een weg omlaag maar altijd weer om een weg omhoog. Het leven een eindeloos gevecht om een beter rapportcijfer. Je eigen koers uitzetten, krijgen we te horen en: leve de autonomie. Maar de diepte in, bij een ander zijn, in diepe nood, de last meedragen, dat is een ander verhaal. Hosanna roepen voor die unieke mens op zijn ezeltje is te doen, zolang hij iets voor ons doet. Dat is op palmzondag geen probleem. Maar als nu eens blijkt dat wij iets voor hem moeten doen, houdt dan ons 'Hosanna roepen' niet al gauw op?

Maar vroeg of laat gebeurt het, dat ons gevraagd wordt: mag ik dit of dat even van je lenen, want de Heer heeft het nodig. Of liever, want persoonlijker: De Heer heeft mij nodig. Laat ik mezelf losmaken, durf ik van eigenaar te wisselen om me opnieuw te laten binden, te verbinden met anderen? Zoveel nadruk ligt er vaak op ons eigen doen en laten, alles wat er gebeurt uit eigen naam, op grond van eigen plannen. Dat kan ons minder aandachtig maken voor die andere stem, die zegt dat we nodig zijn. De Heer, de ander heeft ons nodig. Dat ben je niet meer eigenaar van je eigen projecten, dan hoeven u en ik alleen maar te volgen. Zoals het ezelsveulen zich laat losmaken en meegaat. Zoals de ezel in het gedicht van Ida Gerhardt luistert en troost zonder het te weten. Zoals Jezus gaat en leeft uit de naam van de Levende die hem nodig heeft. Misschien dat we op belangrijke momenten in ons leven niet onze eigen plan hoeven trekken, maar ons laten losmaken, bevrijd worden van ons ik, ons ego, omdat we nodig zijn, voor een ander in de naam van de Levende. Is dat alles niet vreemd, niet heel anders dan wat deze wereld voor gewoon verslijt? Dat is het. Ons is dan ook een tegendraads evangelie toevertrouwd.

In de week die voor ons ligt, de centrale week van ons hele kerkelijke jaar, kunnen we proberen los te komen van alles wat ons gebonden houdt, om Jezus te volgen op zijn weg. Hij gaat een ongekende weg, een weg van liefde tot het uiterste, hij geeft zich in vertrouwen over. Het is te veel, te groot voor ons, wij kunnen dat niet. Maar we kunnen misschien, bij alles wat ons overweldigd, weer ontdekken dat de Heer ons nodig heeft. En hem, net als toen in Jeruzalem toeroepen: gezegend gij, die komt als koning in de naam van de Levende! Niet de machtigen van onze wereld, maar hij, deze dwaze mens, onze koning! Hosanna.

 
<< Begin < Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Volgende > Einde >>

Resultaten 21 - 30 van 301
spacer.png, 0 kB