spacer.png, 0 kB
Home arrow Blog
A blog of all section with no images
Hebreeen 11: (door ds. G.J. de Bruin) PDF Afdrukken E-mail

Hebreeen 11: 1-4; 8-16 (laatste zondag van het kerkelijk jaar)

Vandaag gedenken we onze doden. Uiteraard zijn wij voor ons gedenken niet van vandaag afhankelijk; iedere dag kunnen dankbare of pijnlijke herinneringen bij ons bovenkomen. Er is immers zoveel dat ons verbindt met wie ons zijn voorgegaan. Zij hebben ons gestempeld, ons doen en laten beïnvloed. Je kunt je nauwelijks voorstellen wie of wat je geweest zou zijn zonder hen. Het is goed om ook in de kerk op gezette tijden stil te staan bij moeders, vaders, oma's, opa's, kinderen, gelieven, vriendinnen en vrienden, allen die in ons leven belangrijk waren en zijn. We moesten afscheid nemen, iedere dag verder van hen vandaan kan wat meer ruimte geven maar ook pijn. Als mens moet je voort, al weet je soms niet hoe, maar bij ieder afscheid dat ons aangrijpt, zijn we ons ervan bewust dat het leven niet meer zal zijn zoals het was. Ook de schrijver van de Hebreeenbrief gedenkt de doden. Al gaat hij verder terug in de tijd. Hij noemt de geloofsgetuigen van eeuwen her, Abel, Henoch, Noach, Sara en Abraham.  Hij hoopt dat zijn lezers zich zullen spiegelen aan die mensen. Hij kiest ze niet willekeurig, nee, deze mensen stonden ergens voor of liever: ze liepen ergens op af, ze leefden toe naar een stad die door God gereed gemaakt wordt. Mensen waren het die niet thuis raakten in hun wereld, die zich er vreemd voelden, ontheemd. Over deze eerste geloofsgetuigen zegt hij: God schaamt zich er niet voor hun God genoemd te worden.

God schaamt zich niet voor hen. Dat vind ik een prachtig zinnetje. Het heeft iets van een moeder of vader die enthousiast tegen iemand anders zegt: O heb je het over die en die, dat is mijn dochter, dat is mijn zoon. Niks gêne of schaamte, hier stuiten we op gepaste trots. Een God die uit hoge hemel laat weten: naar Abel en Henoch,  naar Sara en Abraham wil ik heten. Een God die zich er niet voor schaamt hun God te zijn. Ontroerend mooi. Er zijn ongetwijfeld mensen die dit maar moeilijk kunnen vatten. Ze hebben altijd gehoord dat de mens niet deugt, dat zij zelf dus niet deugen. Dat zij mensen zijn die horen tot een verdorven geslacht. Hoe kan er dan sprake zijn van mensen voor wie God zich niet hoeft te generen? Hoe bestaat het dat er mensen zijn, op wie Hij trots is. Wat zijn dat dan voor mensen?

De schrijver van de Hebreeenbrief noemt een aantal mensen, teveel voor vanochtend, maar twee licht ik er voor u uit. Abel en Abraham. Aan hen kunnen wij een voorbeeld nemen. Als eerste wordt Abel genoemd. Niet zonder reden, lijkt me. Alsof onmiddellijk duidelijk moet worden dat de keuze voor de God van Israel je niet een ongestoord of succesvol bestaan garandeert. Messiaans leven is iets anders dan een geslaagd leven leiden. Abel, ademtocht betekent zijn naam. Je kunt die naam ook vertalen als damp, nevel, vergankelijkheid. Een lang leven is Abel niet vergund, hij sterft een gewelddadige dood.

In Genesis krijgt Abel nauwelijks aandacht; het gaat om Kain; die voelt zich miskend, hij vindt dat hij achtergesteld wordt. We weten hoe levensgevaarlijk gevoelens van miskenning kunnen zijn; hele volksstammen voelen zich in onze wereld achtergesteld. Waar kan dat niet toe leiden?  Wat moet er van mensen als Kain terecht komen? Hoort op moord niet de doodstraf te volgen? Heeft hij nog recht op leven? In ons  land waar al een tijd van verharding sprake is als het om deze vragen gaat, wordt niettemin schande gesproken van culturen waar een moord het begin is van een keten van geweld, waar bloedwraak aan de orde van de dag is. Wat is het lot van de moordenaar in het bijbels Verhaal? We zouden het zelf vermoedelijk niet verzinnen maar de Eeuwige neemt Kain onder zijn hoede, al is Kaïn dan ook een stuk van zijn ziel kwijtgeraakt. Hij dacht Abel tot zwijgen te kunnen brengen, maar dat is niet waar. Het bloed van je broer uit de aarde schreeuwt naar Mij, zegt de Barmhartige tot Kain. Abels stem klinkt nog steeds ook al is hij gestorven, maakt de schrijver van de Hebreeenbrief ervan.
Je hoort hem tussen de regels door verzuchten: Jullie denken dat de drammers, de ellebogenwerkers alle aandacht opeisen, de geschiedenis beheersen. En is er dan niemand die zich bekommert om de slachtoffers? Maar het is anders. Abel spreekt nog. Want mensen als Abel mogen rekenen op eeuwige aandacht van Israels God; gelukzalig de zachtmoedigen zegt Jezus in zijn bergrede, als een onderstreping daarvan. In een lied uit ons liedboek heet het: 'Al wie zijn broeder haat, begaat een moord. God heeft ons niet geroepen om te doden, samen te leven heeft Hij ons geboden. Alleen de liefde plant zijn schepping voort.' Dat lied zou in politieke arena’s gezongen moeten worden, samen met al die beleidsmakers die de illusie koesteren dan strenger straffen helpt.

Door stil te staan bij geloofsgetuigen als Abel en Abraham wordt ons heel wat over God onthuld. De Barmhartige wordt geschilderd als een God die niet kan aarden in onze wereld,  een God die er maar niet aan kan wennen als ergens onschuldig bloed vergoten wordt, die er zich niet bij kan neerleggen dat het recht van de sterkste geldt op aarde, die geen rust kent voordat de schepping is geworden wat Hem voor ogen stond: een oase van vrede.

Bij deze rusteloze God horen mensen die overal wonen maar nog nergens echt thuis zijn, die zich vreemdeling voelen. Het zijn onaangepaste figuren die zich niet settelen omdat ze uitzien naar een andere wereld. Sara en Abraham werden uitgedaagd tot een zwervend bestaan. Toen er een stem klonk, zijn ze gegaan, op hoop van zegen. Zie Sara en Abraham gaan: van Ur naar Haran, van Haran naar Kanaan, van Kanaan naar Egypte en weer terug. Zij zijn allochtonen bij uitstek. Illegalen zouden ze vandaag misschien genoemd worden. Hun leven strookt met de Eeuwige die voortdurend in beweging is. Israels God zoekt mensen die ook in beweging blijven omdat het leven nog niet is zoals het worden moet, omdat we niet mogen berusten in wat krom, onrechtvaardig is.

Voor de duidelijkheid: het gaat bij de geloofsgetuigen niet om geslaagde mensen of succesrijke mensen. Want zo goed of succesvol zijn de genoemde getuigen niet. Noach heeft op een gegeven moment een probleem met alcohol, Abraham neemt een loopje met de waarheid als hij in het nauw gebracht wordt: Sara is dan opeens zijn zus. Sara op haar beurt schiet venijnig uit haar slof tegen Hagar. Deze mensen zijn geen heilige boontjes, hun leven gaat niet altijd van een leien dakje. Maar God voelt zich met hen verwant omdat zij op aarde ontheemden en bijwoners gebleven zijn, hun leven lang. Zij zijn gestorven zonder de beloften te hebben verkregen. Het herinnert me aan de bekende woorden van Adriaan Roland Holst:

Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven
maar doe mij in de oogst geloven
waarvoor ik dien...

U en ik, wij kunnen ons leven zien als deel van een groter geheel, denken aan een verder reikend doel, een oogst. Doe mij in de oogst geloven... Met dat perspectief hebben de geloofsgetuigen geleefd, hun arbeid op de akker was ten dienste van een latere oogst.
Kunnen zij een voorbeeld voor ons zijn? Om hun geloof worden zij geprezen, zegt de schrijver van Hebreeen. Wil je weten wat geloven is, kijk dan naar die wonderlijke trekvogels, naar Sara en Abraham en die anderen van het eerste uur. Lijken u en ik wat op die vreemdelingen? Ik vind dat een lastige vraag. Voor ik er erg in heb, voel ik me thuis in de wereld van alledag. En vind ik alles gewoon en vanzelfsprekend. Maar ik kan toch niet steeds mijn ogen sluiten voor het lijden van de tegenwoordige tijd? U toch ook niet? Wat laten wij het zwaarste wegen: de toekomst van God of het heden met al zijn aanspraken?

Altijd weer is er die tegendraadse boodschap. Een God die niet wenst te berusten in het bestaande... En mensen meekrijgt die zich niet neerleggen bij onrecht en geweld. Abel, Henoch, Noach, Sara en Abraham hebben vele navolgers gekregen. Die vormen samen een lange stoet door de eeuwen heen en die stoet vraagt om steeds nieuwe mensen die het estafettestokje aanpakken, die stoet vraagt om ons.

We gedenken vanochtend wie ons zijn voorgegaan. Heel die wolk van getuigen... Mensen uit het verleden die we niet persoonlijk kenden maar over wie we gehoord hebben en soms nog tot ons spreken. Mensen met wie we nauw verweven waren, die we missen, meer dan we zeggen kunnen,

Opa, wat wilt u eigenlijk worden, vroeg een kleinkind aan z'n opa, een paar maanden voor zijn dood. Dat is toch opmerkelijk… Je hebt de leeftijd van de sterken bereikt, bent je meer dan ooit bewust van je eindigheid maar je kleinkind ziet je als iemand met nog een hele toekomst voor je. Alsof je nog groeien kan: opa, wat wilt u worden? Het was een vraag die die grootvader ontroerde en is bijgebleven, de laatste maanden van zijn leven. Maar is die vraag van dat kind niet de kortste samenvatting van de Hebreeenbrief? Dat wij aan de toekomst zullen horen? Dat het er niet om gaat wat achter ons ligt maar om wat voor ons ligt. Dat we afgaan op het Koninkrijk?

Over maanden, jaren, eeuwen heen kijken vele geloofsgetuigen ons vandaag even aan. Ik zie Sara en Abraham zitten voor hun tent, de wind strijkt langs hun gezicht. Ik hoor het tentdoek klapperen; een flinke windstoot en hun behuizing loopt waarschijnlijk schade op. Toch zijn ze voor het moment tevreden met hun onderdak omdat ze nog niet thuis zijn. Daarin lijken ze op hun God die onderweg is. Kan hun verlangen ons verlangen wekken? Ik vertrouw erop dat de belofte die zij kregen ook geldt voor ons en voor degenen van wie wij afscheid moesten nemen. We hoorden toch dat God zich niet schaamt te heten naar mensen? Maar dan wil Hij ook heten naar onze doden en heten naar ons. Die belofte kunnen, mogen we beamen als we gaan zingen: Geef o God, dat onze namen in uw licht te lezen zijn.

 

 
Opa (door ds. G.J. de Bruin) PDF Afdrukken E-mail
Laatst dacht ik aan mijn opa. Ik herinner me nog dat hij ziek werd in een warme zomer. Na de vakantie zou ik naar de zesde klas van de lagere school gaan, dat heet tegenwoordig groep acht. M'n opa lag al een paar weken op bed. Mijn vader en moeder zeiden dat hij niet meer beter kon worden. Bijna aan het einde van de vakantie ging ik een keer alleen naar hem toe. Op de fiets van Scheveningen naar Rijswijk.
Daar aangekomen ging ik op een stoel naast z'n bed zitten; hij had z'n ogen dicht toen ik binnenkwam. 'Opa, slaapt u?', fluisterde ik. Al gauw deed hij z'n ogen open. M'n opa keek me wat verbaasd aan. Hij schraapte zijn keel: 'Jongen, ik ga nu niet over school praten, begrijp je dat?' Ik knikte.
Je moet weten dat mijn opa z'n hele leven meester is geweest. Altijd voor de klas gestaan. Ik vond het leuk als hij daarover vertelde. Mijn opa kon prachtig vertellen. En hij had een geweldige fantasie. Je geloofde  soms je oren niet. In zijn verhalen wist hij van sperziebonen een slagroomtaart te bakken, als je begrijpt wat ik bedoel. Soms dacht ik: zouden die verhalen allemaal echt gebeurd zijn? Maar wat doet dat er eigenlijk toe?

M'n opa lag in bed, ik zat op een stoel ernaast. Het was een tijdje stil. Ik wist niet zo goed wat ik zeggen moest. M'n opa frunnikte met zijn vingers aan het laken. Hij had hele dunne vingers gekregen. 'Er is één ding dat ik graag zou willen weten', zei hij opeens met zachte stem. Hij draaide z'n gezicht wat meer naar mij toe. 'Weet je wat dat is? Ik ben benieuwd hoe het verder zal gaan met jou.' 'Ja', zei ik. Ik was zelf ook heel benieuwd hoe het verder zou gaan met mij. Ik zat wat te draaien op m'n stoel en zei toen: 'Opa, ik word later dominee.' Dat had ik nog nooit tegen iemand gezegd, ik weet nu nog niet, waarom ik dat toen zei. Ik weet wel hoe m'n opa reageerde. 'Gekke jongen', zei hij en lachte wat.
Tot die tijd had ik altijd gezegd dat ik meester wilde worden. Dat vond hij mooi. Als ik m'n leven over mocht doen, zou ik weer meester worden, zei m'n opa altijd. Dat ik erover dacht meester te worden, viel bij hem in goede aarde. Maar dominee, wat was dat voor iets geks...
Hij deed z'n ogen dicht. Ik was bang dat hij geschrokken was. Het duurde lang voor hij weer wat zei. Hij fluisterde iets, ik kon hem niet verstaan. Ik stond op, boog me over hem heen en hield m'n oor vlak bij z'n gezicht. Opnieuw verstond ik hem niet. Alleen het woord meester kon ik verstaan. Later heb ik gedacht: misschien heeft hij wel willen zeggen dat ik van hem geen meester hoefde te worden.

Net toen de school weer begonnen was, in september, is hij overleden. Het was mooi weer toen hij begraven werd. Met touwen lieten ze de kist in het graf zakken. De dominee sprak over mijn opa maar hij vergat te zeggen dat m'n opa zulke mooie verhalen kon vertellen. Dat is later een gevleugeld gezegde in ons gezin geworden. Als iemand een mooi of een sterk verhaal vertelde, riep mijn moeder of vader vaak: wat een verhaal zeg, je lijkt opa wel. Zo zijn we aan m'n opa blijven denken. Tot vandaag toe, nu ik jullie over hem heb verteld.

Lied/lampen




 
“Duurzaam bouwen” (door ds. S. Zijlstra) PDF Afdrukken E-mail
Kerkdienst Handwegkerk, zondag 30 okt. 2011

Schriftlezing:    1) 1 Koningen 6:11-13 (NBV)
        2) Mattheüs 7:24-29  (NBV)
        3) Efeziërs 2:19-22  (NBV)

Verkondiging: “Duurzaam bouwen”
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Voor mensen is het beschikken over een huis om in te wonen uitermate belangrijk. Zonder huis, zonder dak boven je hoofd en muren om je heen, leef je als mens onveilig en onbeschut. Je hebt dan, als het erop aankomt, geen of weinig bescherming tegen kou, regen, wind of felle zon. Ook heb je geen veilige plek om je terug te trekken en af te schermen van de soms ongewenste bemoeienis of agressie van andere mensen. Tenslotte beschik je zonder huis om in te wonen ook niet over een plek waar je je kunt omringen met je eigen, vertrouwde spullen, waar je je echt ‘thuis’ kunt voelen en kunt ontspannen. Kortom: zonder huis, zonder onderkomen, mis je als mens de bescherming, rust en ontspanning die je nodig hebt om goed te kunnen leven en werken. Een goed huis om in te wonen is daarom een eerste levensbehoefte voor mensen. Daarbij spreekt het voor zich dat zo’n huis als het even kan wel een beetje stevig en solide moet zijn, wil het z’n functie als veilig onderkomen daadwerkelijk kunnen vervullen. Een krakkemikkig gebouwd en slecht gefundeerd huis stort bij de eerste de beste storm of heftige regenval in, met alle gevolgen van dien voor de bewoners.

Tegen deze achtergrond spreekt de korte gelijkenis die Jezus vertelde over een verstandige en een onnadenkende man die allebei een huis bouwden meteen tot onze verbeelding. Het is duidelijk dat Jezus in deze gelijkenis niet zozeer spreekt over een materieel huis, een huis van hout en steen, maar dat het hem te doen is om ons levenshuis, de manier waarop we ons leven vorm geven en inrichten. Jezus benadrukt dat ons levenshuis in stormachtige tijden alleen overeind blijft als het op een stevig fundament gebouwd is. Dat stevige fundament, zo leert onder andere de apostel Paulus ons, bestaat uit het solide onderricht van apostelen en profeten, maar bovenal van Jezus Christus zelf. Hijzelf is de hoeksteen waar heel het gebouw van ons persoonlijke leven maar ook van ons gemeenteleven op rust. Jezus Christus is de ‘rots waarop wij bouwen’. Hij is immers het vleesgeworden Woord van God, het Evangeliewoord waar een oud gezang van zingt. De eerst regels van dat lied luiden als volgt, ik citeer:
    Rots waarop wij bouwen, Evangeliewoord.
    Gij zijt ons vertrouwen, zalig die u hoort... (Zangbundel Joh. de Heer, 528)
Deze woorden klinken misschien een beetje ouderwets, maar spreken voor mijn besef nog steeds aan omdat ze aansluiten bij de woorden van Jezus die we lazen uit het Mattheüs-evangelie. Ze staan daar aan het eind van de bergrede, die Mattheüs heeft weergegeven in de hoofdstukken 5 t/m 7 van zijn evangeliebeschrijving. In die bergrede leert Jezus aan de mensen die gekomen waren om hun ziekten en kwalen te laten genezen en zijn onderwijs te horen wat de ware gerechtigheid inhoudt die vereist is om het Koninkrijk der hemelen te kunnen beërven. Anders gezegd: de bergrede is een uiteenzetting van de grondwet van het Koninkrijk der hemelen. Die grondwet is niets anders dan de wet der liefde en vormt als zodanig de samenvatting en essentie van de Wet van Mozes, die bestond uit speciale inzettingen en geboden. Daarover heeft Jezus gezegd: “Denk niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen.” (Matth. 6:17) En als jullie weten willen wat de Wet en de Profeten ten diepste bedoelen te zeggen, weet dan dit: “Behandel anderen steeds zoals je zou willen dat ze jullie behandelen. Dat is het hart van de Wet en de Profeten.” (Matth. 7:12)

U zult het vast wel met me eens zijn als ik zeg dat de woorden van de bergrede prachtige woorden zijn. Het zijn als het ware gebeeldhouwde woorden, die door het werk van de Heilige Geest gegrift staan in het collectieve geheugen van de mensheid. Toch blijven het lege, krachteloze woorden als er niet naar gehandeld wordt! “Wie deze woorden van mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots”, heeft Jezus gezegd! Dat is en blijft iets wat we goed in onze oren moeten knopen. De woorden van de bijbel kunnen ons nòg zo vertrouwd zijn, we kunnen over nòg zoveel parate bijbelkennis en kennis van de christelijke traditie beschikken; als we de woorden die ons door de wet, de profeten en de apostelen maar bovenal door Jezus Christus zelf zijn overgeleverd niet doen, dan is ons levenshuis alsnog op zand gebouwd. Dan wankelt het en stort het uiteindelijk in, als de stormen in ons leven opsteken en de golven van tegenspoed en beproeving over ons heenslaan. Die stormen kunnen hevig zijn, zoals de meesten van ons maar al te goed weten. Als je plotseling met ernstige ziekte geconfronteerd wordt of als je partner of een andere geliefde overlijdt, dan wordt je leven flink door elkaar geschud. Ook conflicten in je huwelijk of zorgen om kinderen of andere familie kunnen maken dat je levenshuis op z’n fundamenten staat te schudden. En wat denkt u van de omvangrijke financiële crisis waar we al zo’n poos mee te maken hebben en die onze regeringsleiders ook met vereende krachten maar niet de baas lijken te kunnen worden? De Europese top van afgelopen week heeft weliswaar een akkoord opgeleverd, maar zouden de afgesproken maatregelen werkelijk voldoende zijn om het tij te keren en het vertrouwen op de financiële markten langdurig te herstellen? Zou het echt goed aflopen met de euro en met de Europese Unie, of zal de crisis doorzetten en op termijn wellicht zelfs leiden tot het instorten van de Europese economie en het uit elkaar vallen van de Europese Unie? Een dergelijk scenario is niet geheel ondenkbaar en zal, als het ooit bewaarheid wordt, ongetwijfeld ingrijpende gevolgen hebben voor ons allemaal. Misschien gaan we –na decennia van ongekende economische voorspoed- een compleet andere tijd tegemoet met veel minder materiële welvaart. Zullen wij dat persoonlijk aankunnen? Maar wat meer is: zal onze samenleving –met al z’n onderhuidse spanningen en conflicten die nu al zo vaak de kop opsteken- dat aankunnen?
Ik vermoed dat u het tegen deze achtergrond wel met me eens zult zijn dat we ook in de komende tijd individueel en gezamenlijk grote behoefte zullen hebben aan houvast en stevigheid, aan een stevige bodem onder ons bestaan. Die stevige bodem biedt Jezus Christus ons aan! Als we aandachtig luisteren naar wat hij ons ook in deze 21e eeuw nog altijd te zeggen heeft en als we vervolgens ook doen wat hij zegt, staan we sterk. Dan rust ons bestaan op vaste grond, op de vaste rots van ons behoud, op de hoeksteen Jezus Christus.

Lieve mensen, de teksten die we gelezen hebben spreken niet alleen over het bouwen van ons eigen levenshuis, maar ook over het bouwen van Gods huis ofwel zijn tempel. In de oudtestamentische periode was dat een concreet gebouw van hout en steen op de tempelberg in Jeruzalem. Het plan tot de bouw van die tempel was al opgevat door koning David, maar werd uiteindelijk uitgevoerd door zijn zoon Salomo. We hebben gelezen hoe God duidelijk tegen Salomo zei: denk erom dat ik alleen in dit huis temidden van de Israëlieten zal blijven wonen en ze niet in de steek zal laten als jij je houdt aan mijn voorschriften, inzettingen en geboden; met andere woorden: als jij doet wat Ik gezegd heb! Hieruit blijkt dat het fundament onder het huis van God eigenlijk hetzelfde is als het fundament onder ons levenshuis. Dat geldt nog steeds in de huidige, nieuwtestamentische fase van de geschiedenis, nu de tempel van God een geestelijk huis is waar wij gelovigen als levende stenen deel van uitmaken. De protestantse gemeente van Amstelveen vormt als het ware een klein vleugeltje van dat grote, wereldomspannende geestelijke huis van God. Dat huis –en daarmee dus ook ieder afzonderlijke kerkelijke gemeente- heeft een heel belangrijke functie: het is de plek waar God woont temidden van de mensen. In dat huis ofwel die tempel kunnen mensen God vinden en met Hem in contact treden. Daarom is het zo ontzettend belangrijk dat die tempel in goede, degelijke staat verkeert. Anders gezegd: daarom is het zo belangrijk dat er aan die tempel steeds verder gebouwd wordt! Dat laatste niet alleen door af te bouwen en terug te snoeien, door steeds meer te fuseren en in te krimpen, steeds meer gebouwen af te stoten, formatie op te heffen en dergelijke, vanuit het op zichzelf gerechtvaardigde motief van het in financieel-economische en organisatorische zin ‘de tering naar de nering te zetten’. Aan dat laatst valt uiteraard in deze tijd waarin ook de kerk in het Westen zich in een crisis bevindt niet te ontkomen. Maar er zal meer moeten gebeuren. Er zal niet alleen afgebouwd, maar ook opgebouwd moeten worden. Er zal nieuw beleid moeten worden ontwikkeld en er zullen nieuwe initiatieven moeten worden ontplooid om aan de missionaire opdracht van de kerk vandaag op een goede en eigentijdse wijze uitvoering te geven. Daarbij zullen de handen ineengeslagen moeten worden, niet alleen om samen te werken, maar ook om samen te bidden! Er zal biddend gezocht moeten worden naar de koers die we als kerk de komende tijd dienen te varen. Daarbij is het van groot belang om één ding vooral te beseffen: een kerkelijke gemeente heeft slechts toekomst en zal pas tot bloei komen als de leden van die gemeente er niet alleen op gespitst blijven om op allerlei manieren goed te luisteren naar de woorden van onze Heer Jezus Christus, maar als ze die woorden vervolgens ook in de praktijk brengen door ze heel concreet te doen! Als dat onze inzet en ons verlangen is, bouwen we op een verstandige en duurzame manier aan onze gemeente en ook aan ons persoonlijke levenshuis. Dan hoeven we voor stormen, hoe heftig ook, niet bang te zijn. Dan groeit –om met Paulus te spreken- onze gemeente, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan onze Heer en in wie we samen opgebouwd worden tot een plaats waar God woont door zijn Geest.
Halleluja! Lof zij U, Christus, in eeuwigheid! Amen.

Sicco Zijlstra, Heemstede, 29 okt. 2011

 
Flip (door ds. G.J. de Bruin) PDF Afdrukken E-mail
Flip

Als het in de kerk over Goliat gaat, die sterke reus, moet ik soms aan Flip denken.
Toen ik naar de hoogste klas van de lagere school ging, kwam er direct na de zomer in onze klas een nieuwe jongen, Flip. Hij kwam uit Noord Holland vandaan, ergens vlak onder Amsterdam, Aalsmeer misschien of Uithoorn, dat ben ik vergeten.
Flip was een kop groter dan wij en binnen de kortste keren wisten we dat hij reuze sterk was. Je moest niet te luid zeggen dat hij nogal plat praatte. Want met Flip kon je op het schoolplein maar beter geen ruzie krijgen. Dat viel trouwens niet mee: het leek wel of Flip van ruzie hield. Als er wat te vechten viel, was Flip van de partij. Hij was altijd de sterkste. Het bleek dat hij al jaren op judo zat. Toen de meester ons eens vroeg wat we wilden worden, zei Flip dat hij later in Kenia of Tanzania wilde gaan wonen. Hij had gehoord dat ze daar met wilde dieren vochten. Dat leek hem wel wat.

Flip was voor niemand bang. Nou ja... dat is niet helemaal waar. Dat moet ik even uitleggen. Flip had een tentje. Dat tentje hebben we een paar keer opgezet op het veldje bij de school. Ik zie ons nog die éne keer in het tentje zitten. We hadden een zak drop bij ons. Buiten regende het een beetje. Toen kwam er een spin de tent binnengeslopen, die wilde zeker even schuilen voor de regen. Wat er toen gebeurde, valt met geen pen te beschrijven. Flip raakte helemaal in paniek. Hij kroop zo ver mogelijk naar achteren en begon te gillen: 'Jaag die spin weg, jaag hem weg. Ik vind dat zulke enge beesten.' Flip bibberde over z'n hele lichaam. Ik heb in een deuk van het lachen gelegen. Flip die later met wilde dieren wilde gaan vechten op de vlucht voor een spinnetje. Flip smeekte me om het tegen niemand uit de klas te vertellen. 'Je verraadt me toch niet hè?
Het was in de tijd dat we vaak touwtje sprongen op het schoolplein. Om het hardst zongen we: in spin de bocht gaat in, uit spuit, de bocht gaat uit.  Bij dat 'in spin' keek ik soms even naar Flip. Als hij terugkeek, gaf ik hem een knipoog. Niemand die het verder zag. Flip, de held van onze klas met wie ik een geheimpje deelde. Als het in de kerk over David en Goliat gaat en over de mensen van Davids volk die ontzettend bang zijn, dan moet ik nog wel eens denken aan Flip. Flip die voor niemand bang was, maar op de vlucht ging voor een spin.


 
Ach en Wee- liturgisch project rond klaagliederen en smartlappen PDF Afdrukken E-mail
Ach en Wee-  liturgisch project rond klaagliederen en smartlappen


De afgelopen 10 jaar heeft een serie succesvolle liturgische projecten in de Handwegkerk het daglicht gezien. Het laatste liturgische project “Labyrint’ werd voor het eerst uitgevoerd in juni 2009.
Ter voorbereiding op het volgende liturgische project zaten de mensen van ‘Liturgisch Project’ (Marieke Sinnige – coördinatie; Gert Jan Slump –  concepten en teksten;  Nico Ph. Hovius – muziek en artistieke leiding) bijeen en kwamen tot het volgende idee.

Uitgangspunt van het project ‘Ach en Wee’ (werktitel) zijn de Lamentaties die al veel vaker door componisten gebruikt zijn voor hun composities (onder andere Tallis, di Lasso, de Morales, Krenek).
In de liturgische projecten vinden oude liturgische vormen opnieuw hun weg naar de eredienst. Daarbij worden teksten uit de schrift en teksten van gemeenteleden als inspiratiebron gebruikt.

De lamentaties/klaagliederen kennen een bepaalde opzet:
•    Eerste lied: het bittere lot van Jeruzalem (1,1-22): Denkend aan het leed …
•    Tweede lied: de HEER als vijand (2,1-22): Verwoesting en collectieve schuld …
•    Derde lied: wanhoop en hoop (3,1-66): Hoop en herstel; een betere dageraad …
•    Vierde lied: Sions schuld en ondergang (4,1-22): Treurnis over wat verwoest wordt …
•    Vijfde lied: gebed om mededogen (5,1-22): Inkeer en herstel …

Een andere eigenschap van de teksten is de bijzondere tekstopbouw. Klaaglied 1, 2 en 4 hebben elk 22 verzen, elk beginnend met een letter van het Hebreeuwse alfabet (acrosticon).
Klaaglied 3 heeft 66 verzen omdat steeds 3 opeenvolgende verzen met dezelfde letter beginnen. Het vijfde klaaglied is niet acrostisch en kent een vrijere vorm.

Insteek van het project is om in een schrijfsessie rond de klaagliederen bezig te gaan. De klaagliederen vormen inspiratiebron maar niet per definitie het uitgangspunt. In de schrijfsessie gaat het niet om hertalen maar om taal te vinden om emoties en ervaringen tot uitdrukking te brengen rond de thematiek van de Lamentaties.
Insteek is ook om als mensen uit de geloofsgemeenschap van de drie kerken over verleden en heden heen te kijken de toekomst in. Door het klaaglied, door de smartlap is er ruimte voor hoop! Er zal dan ook dwars door de klaagliederen heen een ode aan de vreugde klinken.

I make all things well
and I can make all things well
and I shall make all things well
and I will make all things well
And thou shalt see thyself
that all manner of things shall be well

(cit. uit artikel van Jaap Faber over Julian van Norwich, herademing, december 2010)

Er wordt een verbinding gelegd met smartlappen, met een kwinkslag en gevoel voor humor in de juiste zin van het woord.  Dat lijkt een rare verbinding maar die is niet zo gek; overigens roept die wel een creatieve spanning op die we vaak bewust opzoeken in het schrijven van deze liturgische projecten. Een smartlap is een levenslied en dan vooral voor die vormen van het levenslied waarin een larmoyante geschiedenis wordt verteld. Een smartlap is ook een refreinlied. De inhoud ervan is beschouwend en het lied eindigt met de dood. De voorstelling van het lied werd geschilderd op een katoenen of linnen lap, vergelijkend met een stripverhaal. Deze lap werd roldoek of smartlap genoemd; later ging de naam over op het lied zelf. De smartlap kende een grote populariteit in de 17e en vroeg 18e eeuw gezongen door zangers op kermissen en markten.

De uitvoering van het nieuwe liturgische project ‘Ach en Wee’ zal zijn tijdens een speciale liturgische viering op vrijdagavond 30 maart 2012. Dat is vanouds de plek waar muziek klinkt met de focus op het lijden van de mens (Stabat Mater). Ook voor de uitvoering zullen te zijner tijd mensen worden geworven.

Wij hebben er zin in.


Schrijfworkshop ‘Ach en Wee’

Als het jou wat lijkt om eindelijk eens een keer dat klaaglied of die smartlap te schrijven dan ben je welkom op de schrijfworkshop op maandag 12 december 2011 in de Achterkant (het bijgebouw van de Handwegkerk). De adventtijd is een tijd van inkeer en daarin past een schrijfsessie uitstekend. |
Als je wilt meedoen kun je je opgeven bij Gert Jan Slump ( ; 020-6403239). Langskomen op 12 december mag natuurlijk altijd.

19 oktober 2011

Marieke Sinnige (coördinator liturgischproject.nl)
Gert Jan Slump (teksten en concepten liturgischproject.nl)
Nico Ph. Hovius (muziek en artistieke leiding liturgischproject.nl)


 
1 Samuël 16: 1-13 (door ds. G.J. de Bruin) PDF Afdrukken E-mail
1 Samuël 16: 1-13

Er was eens een volk dat een koning wilde. Alle volkeren hadden een sterke koning en zij niet. Waarom niet? Ze vroegen het aan Samuël. Samuël, wij willen ook een koning. Samuël vond het geen goed idee. Al gauw wordt zo’n koning iemand die voortdurend de baas speelt en niet goed zorgt voor de mensen in het land.
Maar het volk blijft maar zeuren:… ‘Samuël, geef ons een koning.’ Op een gegeven moment is Samuël het zat en krijgt het volk z’n koning. Ach, denkt Samuël, misschien valt die koning mee. Maar wat valt het tegen. De koning is geen goede koning.

Samuël gaat op zoek naar een nieuwe koning. Een koning die niet steeds aan zichzelf denkt, maar aan de mensen in het land. Een koning die niet bezig is met grote maaltijden in het paleis waar je gans kan eten en je je ook ongans kan eten maar die er voor zorgt dat er geen honger is, dat er vrede is in het land. Kortom, een herderlijke koning.
Waar vind ik zo’n herderlijke koning, vraagt Samuël zich af. Hij moet van God naar Betlehem. Weet je nog Samuël, Ruth heeft daar gewoond nadat ze met Naomi was meegegaan. Ga naar Betlehem, naar Isaï en zijn kinderen. Eén van hen zal de nieuwe koning zijn. O ja, Samuël, vergeet niet een kruikje olie mee te nemen. In Betlehem zal je wel ontdekken wie je olie over z’n hoofd moet gieten.

Samuël gaat gauw op weg. Niet met de auto, niet met de trein maar met een ezeltje. Als hij Isaï ziet, zegt hij onmiddellijk waar hij voor gekomen is. Eén van jouw zonen is de nieuwe koning. Deksels nog aan toe reageert Isaï, die met minder ook tevreden zou zijn. Maar wie van mijn zonen, Samuël? Weet je wat, ik zal ze één voor één binnenroepen, dat moet je hem maar aanwijzen.
De oudste komt als eerste. Een grote vent, zo groot als de vorige koning. Dit moet hem zijn, denkt Samuël en wil z’n kruikje olie al pakken.
Ho, ho, hoort hij opeens. Samuël, jij kijkt nu naar de buitenkant, hoe die zoon van Isaï eruit ziet. Maar het gaat om de binnenkant, om het hart. Je ziet in het Amstelveense stadshart vast wel eens een leuke meid lopen, hand in hand met een lelijke vent. Die man kan je dan eigenlijk feliciteren. Zij heeft niet gekeken naar zijn buitenkant, naar zijn rare kop of z’n sprieterige lijf, ze heeft hem gekozen om wie hij is, om wat in hem steekt, omdat hij een goed hart heeft.

De tweede zoon van Isaï komt binnen. Maar die is niet de nieuwe koning. De derde komt binnen, de vierde, de vijfde, de zesde. Ze zijn het niet. Dan moet de zevende dus de nieuwe koning zijn. Maar ook die is het niet. Samuël is uitgeteld, hij snapt er niets van. Is er dan geen herderlijke koning te vinden? Isaï, zijn dit al je zonen?
Nou, er is er nog eentje, onze Benjamin, maar die is nog zo jong, eigenlijk nog een kind, die is in het veld bij de schapen, die heb ik niet laten roepen. Maar Samuël wil dat die jongen komt. Isaï, zou je hem willen roepen? We gaan niet eten voor hij er ook is. En als die herdersjongen binnenkomt, weet Samuël het zeker: dit is de nieuwe koning.

De jongen knielt en Samuël giet olie over zijn hoofd. De hele kamer gaat er naar ruiken. Jongen, hoe heet jij, vraagt Samuël. David, meneer.
David staat op en wrijft eens in zijn handen, hij is wel wat verlegen, met die olie in zijn haren. Zo gaat het vaak in bijbelse verhalen. Wie knielt krijgt een troon, de laatste die de eerste wordt, de jongste en niet de oudste. David zal een goede koning worden. Natuurlijk heeft hij ook z’n fouten en soms is hij de weg kwijt. Maar zo ver is het nog lang niet.

David staat in de kamer en ziet zijn vader, al zijn grote broers. Tot z’n verrassing is hij erbij geroepen. Dat had hij niet durven dromen. Maar wat moet hij nu straks gaan doen? Wat verwacht Samuël van hem? Dat gaat hij te horen krijgen… niet veel later maakt hij muziek voor een verwarde Saul…

 
<< Begin < Vorige 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Volgende > Einde >>

Resultaten 21 - 30 van 210
spacer.png, 0 kB