|
Lucas 2: 36-38 (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
|
Monoloog Hanna uit de dienst van 31 december 2012 (door G.J. de Bruin)
Uit de mond van Hanna (Lucas 2: 36-38) Mijn voeten zijn langs vele wegen gegaan, mijn ogen hebben veel gezien. Hanna, begenadigde is mijn naam. Ik moet u zeggen dat er tijden zijn geweest dat ik geworsteld heb met die naam. Dagen en nachten dat ik er geen raad mee wist. Ik begenadigd? Kom nou, schiet toch op… Ooit was het anders. Mijn man en ik hadden het goed samen. We verwachtten zoveel van het leven. We vierden de feesten van ons volk. Ik hoopte dat mijn wens om moeder te worden in vervulling zou gaan. Maar ik kwam alleen te staan. Van het ene op het andere moment was mijn man mij ontvallen. Alles werd anders. Ik trok me terug, had nergens meer zin in… waar moest ik in vredesnaam heen. Hoe zo begenadigde? Ik was nog jong toen ik alleen kwam te staan. Alleen betekent in mijn cultuur dat je terug gaat naar het huis van je ouders. Maar dat wilde ik niet. Niet dat ik iets tegen mijn ouders had, integendeel… ik hield van ze. Fanuël heette mijn vader, dat betekent zoiets als: het zoeken van Gods aangezicht. Hij deed die naam eer aan en ging zijn kinderen daarin voor. Hij wist ons iets te laten zien van de verborgen omgang met de Onuitsprekelijke. Aan mijn vader kon je zien dat geloven niet alleen maar buitenkant was, nee het raakte hem. Aan de houding van mijn moeder kon ik merken hoe ze van binnenuit koos voor het leven. Tot op de laatste dag van haar leven keek ze alsof het mooiste nog moest komen. Het was te lezen in haar ogen. ik ben dan wel nooit moeder geworden, maar ik heb er wel één gehad. En wat voor één. Wat heb ik veel van mijn moeder en vader ontvangen. Uit hun liefde werd ik geboren. Hoe dankbaar ik ook was, ik besloot niet terug te gaan, toen mijn man zo plotseling overleed. Ik dacht aan het verhaal over die andere Hanna. Die was in eerste instantie ook niet direct begenadigd. Voor zover wij daar althans iets over kunnen zeggen. Ook zij had geen kinderen en waar zocht zij troost? Precies, in de tempel en daarom besloot ik om ook naar de tempel te gaan. Ik heb daar mijn verdriet geuit, niet alleen om wat mij was overkomen, ook het verdriet om mijn volk. Er was veel gebeurd, een op macht beluste koning heerste over ons land. Hij zaaide haat en onrust. God leek in die dagen verborgen, veel mensen waren lamgeslagen. Het was donker om ons heen. Dag en nacht was ik in de tempel om te bidden en te vasten. Ook daar hebben mijn ogen veel gezien. Langzaam groeide er iets van berusting in mij. Of er ook wijsheid in mij groeide moeten anderen maar bepalen. Het werd in ieder geval wat lichter in mijzelf. Is het niet juist vaak in het donker dat het licht van de Eeuwige doorbreekt? Er groeide in mij hoop op andere tijden. Niet alleen voor mijzelf maar ook voor alle jonge mensen die ik om mij heen zag. Ook voor de mensen die naar de rand van de samenleving werden geduwd. Ik deelde mijn hoop met een man die ik regelmatig in de tempel ontmoette. Simeon heette hij, wat was hij bezield en betrokken. Er was herkenning tussen ons, wij zagen het verlangen in de ogen van elkaar. We bevestigden elkaar in de verwachting die we koesterden. Moeilijk vonden we dat de priesters en levieten zoveel drukte maakten als ze hun werk deden. Natuurlijk is het goed als mensen hun godsdienstige plichten kunnen vervullen, daarbij speelden zij een rol… Maar het leek Simeon en mij of de priesters door de situatie in ons land de hoop hadden opgegeven, geen of weinig dromen koesterden. Toen kwam er een dag die ik me nog herinner als de dag van gisteren. Ik heb er nog nauwelijks woorden voor. De dag begon als iedere andere dag, er was ogenschijnlijk niets bijzonders aan de hand. Toen ik in de tempel kwam, zag ik Simeon, hij stond te praten met een moeder en vader die gekomen waren, samen met hun kind. Ik vind het altijd weer ontroerend, jonge mensen die hun kind de tempel binnendragen. Je ziet dan hun liefde en verlangen om het kind dicht bij God te brengen. Maar die dag was het toch nog anders, er was iets met het gezicht van Simeon, hij straalde. Zijn gezicht kreeg iets heel jeugdigs, maar dat had niet met zijn eigen leeftijd te maken. Er was vertedering in zijn ogen. Hij sprak over het kind tegen zijn ouders, ik hoorde hem zeggen dat het kind licht zou brengen. Niet alleen voor ons volk, maar voor alle volkeren. Toen zegende hij het kind. Laat hem gaan, bad hij. Ouders moeten hun kinderen immers altijd laten gaan, hun vrijheid en ruimte geven om te groeien. Maar hij had het ook over de pijn die dat met zich mee kon brengen. En Simeon zong. Er ging zoveel bezieling en kracht uit van zijn lied. Het was een lied dat al een leven lang met mij was meegegaan. Ik weet niet hoe het kon, maar het kreeg opeens zo’n diepe betekenis. Alsof alles wat verkeerd was weer goed zou komen. Toen Simeon stil was, nam ik het zingen over. Ons lied werd gedragen door vleugels van de hoop. Vreemd dat dit alles helemaal voorbij leek te gaan aan de mensen die in de tempel aan het werk waren. Waarom zagen de priesters en de levieten het niet… hadden zij het te druk? Waren hun handen te bezig? Ik zou het willen zeggen tegen hen en tegen iedereen: open je ogen, je oren. Hoor de stem die je roept en wenkt en lokt… Zoek het in de stilte van Gods huis. Leg je handen van tijd tot tijd in je schoot, of vouw ze. Laat de dingen van alle dag je niet geheel in beslag nemen. Blijf dromen, houd het vuur in jezelf brandend. Dan zal Gods toekomst niet iets zijn voor overmorgen of voor morgen maar voor vandaag. De laatste dagen van een jaar denk ik meer dan anders terug aan wat is geweest. Als ik me nu vergelijk met de jonge vrouw die ik ooit was…’t is allemaal zo anders geworden. Ik ben nu verzoend met mijn leven, in vrede met mijn God. Ik koester mijn naam, Hanna. De naam die ik zo lang geleden van mijn ouders heb gekregen. Hanna… ja, ik weet me begenadigd!
|
|
|
Geen plaats (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
|
Kerst 2011. De samenvatting van het gesprek dat ds. G.J. de Bruin met de kinderen uit groep 7 en 8 had, vlak voor kerst, door hem verteld aan de aanwezige kinderen op kerstmorgen.
GEEN PLAATS Weet je dat we met zeven miljard mensen op deze aarde leven? Onvoorstelbaar veel. Wat denk je dat het bekendste verhaal onder al die mensen is? Dat vroeg ik vorige week aan sommigen van jullie. We kwamen tot de ontdekking dat het verhaal van de geboorte van Jezus zeer waarschijnlijk op de eerste plaats komt. We hebben het verhaal heel nauwkeurig met elkaar gelezen. Aangekomen bij de zin 'omdat voor hen, voor Maria en Jozef geen plaats was in de stad’ vroeg ik hoe dat zat. Waarom was er eigenlijk geen plaats? 'Het was natuurlijk enorm vol in Betlehem', zei iemand, Maria en Jozef waren echt niet de enigen die daar naartoe moesten. Iemand anders vond dat het dringend nodig om plaats te maken voor een zwangere vrouw, het kindje zou tenslotte bijna geboren worden, maar een derde dacht aan de heisa die de geboorte in het onderkomen zou geven. De andere gasten wilden vast geen last hebben van een huilende baby. Had Jozef dan vergeten af te spreken, vroeg iemand zich af. Een ander die even stil was geweest, dacht vooral aan de portemonnaie van Jozef. Jozef was niet rijk, hij kon vast geen kamer in een hotel betalen. Andere kinderen vonden dit een goede verklaring, maar er was een meisje dat een zandstorm uit de hoge hoed toverde. Daarom was het in Betlehem een drukte van belang, vanwege die zandstorm. Ik kon me niet onmiddellijk een zandstorm in het evangelie herinneren maar lag dat nu aan haar fantasie of veeleer aan mijn geheugen? Ik werd uit mijn getob gehaald door een jongen die meende dat Maria en Jozef misschien als zwervers werden aangezien. Voor zwervers open je niet zomaar de deur. Werden ze niet naar een kelder verwezen opperde een ander. Nou ja, in ieder geval mochten ze binnen de poorten van Betlehem blijven sprak iemand geruststellend en dat betekende toch een zekere veiligheid. Zo zaten we met elkaar te praten over ‘geen plaats in het nachtverblijf’, geen plaats in de herberg zeiden we vroeger. Opmerkelijk vond ik het, hoeveel nieuwe dingen ons gesprek opleverde. Toen vertelde ik dat er toch iets vreemds aan de hand is met het kerstfeest. Het lijkt zo mooi als je deze dagen de versierde etalages ziet en de vrolijke muziek hoort in de winkels. Maar het kerstverhaal van Lucas is eigenlijk helemaal niet zo zoet: voor het kind dat geboren wordt, is geen plaats. Stel je voor dat het je eigen geboorteverhaal was... Later komt Lucas, die het verhaal heeft opgeschreven, er nog eens op terug: De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten maar Jezus heeft geen plaats om z'n hoofd neer te leggen. Je wilt toch net als die vossen en vogels een plek hebben waar je je veilig en geborgen voelt? Misschien bouw je in de zomer graag een hut. Dat is dan jouw eigen nest. Of je verbouwt je eigen kamer met lakens en slaapzakken tot een veilig hol. Ik hoef je niet te vertellen dat iedereen naar een plekje onder de zon verlangt waar het goed is. Maar over Jezus wordt al bij zijn geboorte gezegd dat er voor hem geen plaats was. Stom hè, dat er voor hem geen plaats is? Je kunt kerst een heel mooi feest vinden, daar is niet op tegen, als je maar niet vergeet dat die twee woorden ook in Jezus’ geboorteverhaal staan: ‘geen plaats’.
|
|
|
Lucas 2-21 (door ds. M. Bogaard) |
|
|
|
|
Overweging uit de dienst van zondag 1 januari 2012 (door ds. M. Bogaard)
Gemeente van Christus,
Wij staan aan het begin van een bewogen jaar. Wat er op kerkelijk terrein precies allemaal zal gebeuren weten we nog niet. Gaandeweg zullen we dat met elkaar ontdekken. Maar dat we er over een jaar in Amstelveen-Zuid anders en elders bijzitten weten we al wel. De plannen zijn gemaakt, de contouren geschetst. 2012 zal, zoals het er nu uitziet, het jaar worden van fuseren en samen verder gaan. Van nog een kerk, de Handwegkerk verlaten, en bouwen aan een al bestaande en een nieuwe kerkplek. Ik ervaar het als heel bijzonder dat juist in dit jaar 1 januari op een zondag valt, en wij met een gezamenlijke eredienst het komende jaar inluiden, als protestantse wijkgemeente Amstelveen-Zuid in wording. Dat doen wij, zoals dat zo mooi heet, onder het octaaf van kerst. Het is vandaag de achtste dag van het geboortefeest. Dat was in de traditie van Israël, waar Lucas bij aansluit, een belangrijke dag.
De achtste dag, de dag volgende op de zevende, staat symbool voor een nieuw begin. Joodse jongetjes werden na een volle week door hun besnijdenis deel van het volk van het verbond. Tegelijkertijd ontvingen zij hun naam, en werden zo mens onder de mensen. Dat geldt net zo goed, of misschien nog wel meer, voor het kind van Maria dat geboren is in Bethlehem. Ook hij is een zoon van het verbondsvolk. Zijn oorsprong ligt in de verbinding die de Eeuwige met zijn mensen is aangegaan, door de belofte aan Abraham. Het kerstkind stamt uit dat verbond en zal leven in die traditie. De eerste dag van januari is dus liturgisch gezien niet alleen nieuwjaarsdag, het is óók de dag van Jezus’ besnijdenis en naamgeving. De dag waarop onze kerstliederen als het ware nog een octaaf hoger mogen klinken. De dag waarop de verhalen over aankondiging en geboorte tot een veelbelovende afronding komen……..
Het is niet voor het eerst dat Lucas een verhaal over de geboorte van een kind zorgvuldig afrondt: hier in deze kerk hoorden we op vierde advent al over de achtste dag na de geboorte van Johannes. Ook hij wordt dan besneden, ook zijn naam wordt genoemd. Daarna zingt zijn vader, Zacharias, een lofzang. En tenslotte horen we hoe het het kind verder vergaat: “Het kind nu groeide op en werd gesterkt door de Geest”. Iets dergelijks werd eerder in de Bijbel al gezegd over Samuël, toen die opgroeide in de tempel. “Hij groeide dicht bij de Heer op”, wordt over hem verteld, “en hij was zeer geliefd, zowel bij de Heer als bij de mensen”. En ook Simson “genoot de zegen van de Heer en groeide voorspoedig op” in de NBV-vertaling. In de lijn van deze traditie is het verhaal over de geboorte van Jezus nog niet compleet als dáár niet iets over gezegd is, en als de plaats van de tempel in zijn leven niet ter sprake is gekomen. Dat is geen nagalm, maar afronding van het kerstverhaal. Op verhoogde toon.
Die toon wordt ingezet door twee mensen. Twee mensen die thuis zijn in de tempel. De eerste is Simeon. Een rechtvaardig en vroom man, die zijn hoop heeft gesteld op de vervulling van Zijn Messiaans verlangen. De tweede is de oude profetes Hanna, die in de Statenvertaling Anna wordt genoemd. Als de kleine Jezus door zijn ouders naar de tempel wordt gebracht, is het of Simeon het wéét. Hij is als door een wonder - door de Geest, zegt Lucas - op het juiste moment op de juiste plaats. Simeon is één van de weinigen die doorziet wát hier gebeurt. In de traditie van Israël was het namelijk zo dat de eerstgeborenen van de moeder aan God toebehoorden. Sinds in Egypte in de Paasnacht de eerstgeborenen in Joodse gezinnen gespaard werden moesten de oudste zonen aan God worden afgestaan. Zij werden aan zijn dienst gewijd. Op een gegeven moment namen de Levieten die toewijding over. Eerstgeborenen hoefden nu deze plicht niet meer te vervullen. Zij konden worden losgekocht....vrijgekocht, voor het symbolische bedrag van vijf shekel. Aan die traditie lijken Jozef en Maria hier invulling te geven. Zij gaan met Jezus naar de tempel, hoorden wij. Dat wordt gecombineerd met het ritueel van de reiniging van een pas bevallen moeder. Lucas benadrukt daarbij een aantal keer dat het zo is voorgeschreven door de wet, dat het gebruikelijk is. Als kind al gaat Jezus de weg van de mensen. En toch is dit anders. Want om een eerstgeborene vrij te kopen hoefde je niet helemaal naar de tempel. Bovendien staat er eigenlijk nergens dat er daadwerkelijk betaald wordt voor de losmaking. Dat zou weleens niet toevallig kunnen zijn: dit kind wordt namelijk niet losgekocht. Ze brachten Hem naar Jeruzalem om Hem aan de Eeuwige “aan te bieden”. Het staat volledig in dienst van God. Later, als Hij groot is, zal Hij zelf de prijs betalen en anderen vrijmaken, zal Hij zelf offers brengen. Zó zal Hij in dienst staan van God en de mensen.
In dit schijnbaar eenvoudige verhaal op de morgen van het nieuwe jaar zit dus al enorm veel theologische bagage. De weg van het nieuwgeboren kind schemert er al in door. Simeon doorziet dat. En hij zingt. Op jubeltoon, net als de vader van Johannes. Hij zingt een lofzang, “Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals u hebt beloofd, want met eigen ogen heb ik de redding gezien”. Een ontroerend moment is dat. Als Simeon in de ogen van dit kind de belofte weerspiegelt ziet van Gods Heil voor de mensen, dan weet hij dat het góed is, en dan kan hij het uit handen geven. Het zal goed komen met Gods wereld, want in dit kind laat de Eeuwige zich zien aan de mensen, en krijgen zij opnieuw de kans in Zijn licht te gaan staan. Treffend is dat Tom Naastepad in de gezongen bewerking hier de woorden ‘vrijgekocht in vrede’ gebruikt. Simeon, de rechtvaardige, net als Zacharias, die consciëntieus de Joodse wet heeft nageleefd en de verwachting levend heeft gehouden, wordt hier dankbaar ontslagen van zijn dienst, van zijn toewijding. Zijn taak is voleindigd. Daarom zegent hij Jozef en Maria, die de impact van zijn profetische uitspraken nauwelijks kunnen bevatten. Dat het goed zal komen, wil echter niet zeggen dat het zonder slag of stoot zal gaan. Na de verhoogde jubeltoon van het begin volgen harde woorden, die wel op dissonanten lijken: woorden die uit de toon lijken te vallen. Over ten val komen en opstaan gaat het. Over een teken dat betwist wordt. En over de snijdende pijn, die dit zondagskind zijn moeder zal brengen. Want het licht dat in Hem doorbreekt zal ook de weerstand zichtbaar maken. De glans van Gods trouw zal onherroepelijk stuiten op de grenzen van menselijke ontrouw. De Messiaanse vrede wordt geen werkelijkheid door het zingen van het gloria alleen. De toewijding van dit onschuldige kind, deze schuldeloze mens, is echter niet te doven. Door niets en niemand. Daarin rust de vrijheid die Hij brengen zal. In Hem wordt de profetie van Jesaja waar dat Gods dienaar een licht voor de volken zal zijn, en dat zijn redding reikt tot aan de einden der aarde. Met die belofte voor de toekomst stemt ook Hanna in, een oude, wijze, gelovige weduwe. Als vrouw die zich als geen ander in de tempel aan God heeft toegewijd, opent ook zij al dankend het zicht op wat komen gaat.
Op de grens van het oude naar het nieuwe ontmoeten wij vanmorgen twee mensen, die op hun wijze de traditie levend hebben gehouden. Die door hun vroomheid de oude woorden hebben verder gedragen, en daar hun handelen op hebben afgestemd. Zij worden getekend als ouderen: de één bereidt zich voor op zijn heengaan, de ander heeft vele jaren achter de rug. Twee senioren die hun bijdrage ruimschoots hebben geleverd. Dat is een prachtig beeld. Want juist vanuit de kracht van de traditie zijn het deze twee ouderen die ruimte maken voor een nieuw begin. Simeon doet dat overduidelijk door de generatie na hem te zegenen. Het is nu aan Jozef en Maria, de ouders. Ze hebben er vertrouwen in, Simeon en Hanna. Vertrouwen waarvan het kind Jezus het middelpunt is. In Hem zal God op nieuwe wijze met ons zijn….in Hem zal de traditie een nieuw gezicht krijgen en uitstralen naar alle kanten. Zou dat ook vandaag de dag kunnen? Wat zou dat mooi zijn: als de ouderen van nu, die zijn voorgegaan in geloof, de generaties na hen zegenend de ruimte zouden kunnen geven. En als de ouders van nu gedragen door dat vertrouwen naar nieuwe wegen zouden kunnen zoeken voor hun kinderen…….anno 2012. Wat zou het mooi zijn als we als gemeente van Christus in dit jaar echt een nieuw begin zouden kunnen maken. Geworteld in onze traditie én open naar de toekomst. Niet om het vernieuwen, maar opdat het Licht mensen bereikt, binnen de kerk en daarbuiten. Dat zal van ons allen wat vragen. Maar het verhaal van nieuwjaarsmorgen mag met ons meegaan: het gaat niet alleen om een tandje hoger, het gaat vooral om een toon hoger! Het licht is opgegaan. Halleluja.
Amen |
|
|
Met collega de Bie mocht ik me buigen over een viertal oecumenische vespers in de weken van Advent. We kozen voor lezingen uit de profetieen van Jesaja, ;e;en maal voor het 2 Samuelboek.
De meditatieve vieringen beginnen op de dinsdagavond om 19:30 uur, 29 november in de Paaskerk, 6 december in de Heilige Geestkerk, 13 december in de Handwegkerk en 20 december weer in de Paaskerk. Als u niet alleen van gesproken en gezongen woorden houdt, maar vooral ook van stilte, dan moet u de vespervieringen miet missen. G.J. de Bruin.
|
|
|
Monoloog van de broer van Maria |
|
|
|
|
Monoloog van de broer van Maria We schelen maar vijftien maanden, Maria en ik. Van jongs af aan hebben we veel met elkaar opgetrokken. Maria was een echte wildebras, ze durfde dingen die ik nauwelijks durfde. Ik weet nog wel hoe ze vroeger, voor ik er erg in had, in een boom zat. Nergens bang voor. Maria is een mooie meid, regelmatig zie ik dat mijn vrienden haar aanstaren, dat ze net even te lang naar haar kijken. Daar wordt ze nooit verlegen van, ze gaat er alleen maar vrolijker van kijken. Maria komt dan wel eens naar me toe en fluistert in m'n oor: Ruben, moet je die vrienden van jou zien… Wat een branieschoppers. Eén van mijn vrienden zei me laatst dat hij smoorverliefd op haar is. Moet ik het haar vertellen Jozef, vroeg ik hem. Nee, dat was niet de bedoeling. Ik had gedacht dat Maria steeds meer met haar vriendinnen zou gaan optrekken. Dat ze op een gegeven moment zou zeggen: dag grote broer, de groeten. Maar dat is tot nu toe niet gebeurd. Er gaat haast geen dag voorbij of we doen iets met elkaar. We gaan naar de markt of even naar het plein. Soms gaan we in de namiddag wat verderop zitten, in de olijfgaard van Amos. Amos komt dan wel eens bij ons zitten. Qua leeftijd zou hij onze opa kunnen zijn… Hij is wel oud, maar hij doet niet oud. We vinden het allebei fijn om met hem te praten. Hij begrijpt Maria, hij begrijpt mij. Dat begrip is er ook tussen Maria en mij. We weten zoveel van elkaar… En vaak hebben we aan een half woord genoeg. Maar nu is er iets met Maria... Ik merkte het gisterenavond. Wat is er, heb ik haar gevraagd. Wat is er toch? Niks, helemaal niets zei ze. Ze schudde haar hoofd. Maar ik ben niet gek. Ik zag het aan haar blik, ik zag het aan hoe haar schouders gekromd waren. Ik vond Maria anders dan anders, ze was zo stil. De zon stond al laag, de heuvels kleurden langzaam oranje rood. We zeiden niet veel… Dat vind ik niet erg, je hoeft niet steeds te praten. Maar nu voelde ik dat er iets in de lucht hing, ik keek een paar keer opzij naar Maria. Anders kan ze met van die grote, vrolijke ogen de wereld inkijken. Maar nu was haar blik naar binnen gekeerd. Ik legde m'n hand op haar schouder en vroeg: Maria, zeg het me. Maar ze schudde haar hoofd. Heeft iemand je pijn gedaan, Maria? Ben je ergens bang voor? Wat is het toch? Ik merkte dat ik haar te veel vragen stelde. Uiteindelijk zei ze: het is te groot voor woorden. Heel zacht herhaalde ze dat nog een keer: Ruben, het is te groot voor woorden. Ik voelde dat ik op dat moment niet verder aan moest dringen. We hebben nog een tijdje heel stil bij elkaar gezeten terwijl het donker werd. Toen zijn we naar huis gelopen. Ik hoop dat ik vannacht goed slaap zei Maria. Misschien dat Maria er vandaag wel over wil praten, ik had haar eigenlijk al thuis verwacht… Ik ga maar eens even kijken of ze er al aankomt. |
|
|
Lucas 1: 39-55 (door ds. G.J. de Bruin) |
|
|
|
|
Lucas 1: 39-55 Na de volstrekt onverwachte ontmoeting met een onbekende die zich met de naam Gabriël voorstelde, komt Maria in beweging. Van de broer van Maria (monoloog eerder in de viering) hebben we al iets gehoord over de impact van die ontmoeting. Met de woorden van Gabriël nog in haar oren, gaat Maria op reis. Haar geraaktheid en verwarring geven haar iets van grote haast. Je kunt je afvragen: waarom gaat Maria na deze wonderbaarlijke ontmoeting met een vreemde niet naar haar ouderlijk huis, waarom gaat ze uitgerekend naar haar tante Elisabet? Ik las in een zendingsblad dat dát geen vraag is voor jongeren in Afrika. Je brengt je ouders niet in verlegenheid door te vertellen over een zwangerschap. Zoiets probeer je zo lang mogelijk te verbergen. Als je er al over praat, dan liever met iemand die wat verder weg zit. Ontroerend vonden de Afrikaanse jongeren het, om te merken hoe Elisabet bij de komst van Maria onmiddellijk haar schaamte wegneemt. Elisabet bevrijdt Maria door woorden te geven aan haar geheim. Wat een ontmoeting is het… die beide vrouwen in verwachting. Bij de één komt het bijna te laat, de hoop is eigenlijk al opgegeven, bij de ander komt het veel te vroeg. Nu kunnen Maria en Elisabet elkaar tot steun zijn. Reken maar dat er over beide vrouwen gekletst wordt… Elisabet was al jaren het mikpunt van praatjes en spot. Met recht kan zij tegen Maria zeggen: ik weet wat het is, als ze je nawijzen. Zo zijn deze beide vrouwen lotgenoten, dragen ze elkaars lasten. Aan een half woord hebben zij beiden genoeg, er is onmiddellijk een bijzondere verstandhouding tussen Elisabet en Maria. Maria, de meest gezegende ben je, jubelt Elisabet. Van zulke woorden groeit een mens, die geven je adem en klinken nog lang na, daar kan je op teren… Gezegend ben jij Maria… het is niet verkeerd als die woorden van tijd tot tijd in dit huis klinken. Maria komt er onder ons soms wel wat bekaaid van af. Maria zal het nog moeilijk genoeg krijgen door de weg die haar kind zal gaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt, zegt Simeon na de geboorte tegen haar. Maria zal veel zorgen en verdriet hebben om haar kind. Haar leven wordt één grote zoektocht. Steeds nieuwe vragen worden haar deel door het optreden van Jezus. In haar zoektocht zou je Maria kunnen zien als het beeld van een gemeente of parochie, als beeld van iemand die volgeling van Jezus wil zijn. Wij zijn immers haar vragen nog niet voorbij en kunnen met onze handen in het haar zitten als onze weg maar niet wil lijken op de zijne. Maar overal waar over Jezus gesproken wordt, mag ook over Maria gesproken worden. Lucas schildert haar portret met verwijzingen naar het Eerste Testament. Als was Maria de ark, zo beschikbaar is ze voor Gods woord. De ark die ooit drie maanden verblijf hield in het huis van Obed Edom. Hoelang blijft Maria bij Elisabet? Inderdaad, drie maanden. Als de ark naar Jeruzalem wordt gebracht, jubelt het volk. Dat rijmt op Elisabets luide kreten als zij Maria ziet verschijnen. Misschien weet u nog dat koning David huppelend en dansend voor de ark uitging… Zelfs dat gegeven neemt Lucas op als hij Elisabet laat zeggen: het kind sprong van vreugde op in mijn schoot, toen ik jouw groet hoorde, Maria. Het kind in haar schoot als een dansende David. Maria weet zich door Elisabet gekend en zet het op een zingen. Haar lofzang noemen we naar het eerste woord van de Latijnse vertaling het ‘Magnificat’. Een uiterst indrukwekkend lied waar we nooit klaar mee zijn. Je zou Maria gunnen dat ze zich bezig gaat houden met de kinderkamer, met de gewassen luiers in de kast en de aanschaf van een 'maxi kosie'. Maar in haar lied maakt ze ons duidelijk dat de verwachting van een kind en de verwachting van een nieuwe wereld bij haar hand in hand gaan. Haar leven zal niet alleen ingrijpend veranderen, er gaat van alles onderste boven. Haar danklied is tegelijk een protestsong. Heersers van hun troon gestoten, onaanzienlijke, gebogen mensen omhoog gehaald, hongerigen gevoed, rijken met legen handen weggestuurd. Maria's lied sluit aan bij de profetieën van haar volk. De vraag is wel of wij het lied met Maria kunnen meezingen of dat u en ik door haar woorden buiten adem raken? De mensen in de oudste gemeenten vonden herkenning in Maria's gezang. Gaat het om mensen die gering zijn? Nou, dat zijn wij! Tegelijk waren er toen aanvechtingen, die ook ons ten deel kunnen vallen. Zingen over zo’n nieuwe wereld, haalt dat wat uit? De ene machthebber gaat, de volgende komt. Hebben we het niet te snel over een Arabische lente? Blijven er niet altijd armen en rijken? Zoveel hongerigen in Afrika niet gevoed. Regelmatig breng ik enige tijd door bij de Norbertijnen in Heeswijk. Maria's lied wordt daar iedere dag gezongen, tijdens het avondgebed. Een van de Norbertijnen vertelde me: 'De woorden van Maria houden mijn grondinspiratie levend, dankzij haar blijf ik dicht bij mijn bron. Tegelijk durft Maria mij en mijn medebroeders iedere avond flink wakker te schudden. Steunen wij de mannenmacht in kerk en samenleving? Of durven we anders te kiezen? Wil je weten wat haar lied met mij doet? Het raakt aan mijn diepste verlangen naar een wereld van recht en vrede. Aan die Norbertijn ontdekken we dat het niet om het even is wat wij zingen! Dat is wel het minste wat wij van Maria kunnen leren. De tsaren in Rusland waren bang voor haar lied. Toen er eens een Mariacongres in Argentinie gehouden werd, kwam het Magnificat niet ongeschonden door de censuur. De zinnen over de heersers en geringen, over hongerigen en rijken werden geschrapt. Die passages werden te gevaarlijk bevonden. Maria mocht in het land van prinses Maxima niet haar hele lied zingen. Maar ik ontdek tegelijkertijd dat er gelovigen zijn voor wie Maria een symbool is van verzet en hoop op bevrijding. Het Magnificat is één van de krachten achter een bevrijdingbeweging in Nicaragua geweest. Tijdens de dictatuur moesten mensen een bewijs bij zich dragen dat ze op Somoza hadden gestemd. Dat bewijs werd door veel mensen treffend het ‘Magnificat’ genoemd. Een stembewijs dat sloeg op een wrede machthebber, verbonden met een lied over machthebbers die van hun troon gestoten worden. Zo inspirerend kan Maria's lied zijn. Wat doet Maria's lied met ons? Kunnen Maria's woorden onze hoop voeden, ons is advent helpen aan verwachting? Ik kan en wil haar woorden niet missen, omdat ik haar lied een prachtige mengeling van vrolijkheid en strijdbaarheid vind. Vrolijkheid: mijn hart juicht om God. Strijdbaarheid: de Levende trekt zich het lot van de klein gehouden mensen aan. Laten we Maria’s lied maar blijven wagen, zoals we het vanochtend weer gezongen en op de manier Gods Naam heiligen. Mijn ziel looft de Eeuwige. Halleluja! |
|
|