|
Lukas 8: 4-15 (door ds. M. Visser) |
|
|
|
Preek op 25 juli 2010 in de gezamenlijke dienst in de Handwegkerk over Lukas 8: 4-15 en Jesaja 6: 1-13; dienst van schrift en tafel
1 In het sterfjaar van koning Oezia zag ik mijn Heer zitten op een troon, hoog en verheven, zijn zomen vulden de hal. 2 Serafs stonden stil boven hem, met zes vleugels, zes vleugels elk; met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. 3 De een riep tot de ander en zei: ‘Heilig, heilig, heilig is de ENE Zebaoth, heel de aarde is vol van zijn glorie!’ 4 De deurpinnen in de drempels schudden van de stem die riep. Het huis werd vol van rook. 5 Ik zei: ‘Wee mij, want ik verga, want een man onrein van lippen ben ik en te midden van een volk onrein van lippen ben ik gezeten! Want: mijn ogen hebben de Koning, de ENE Zebaoth, gezien!’ 6 Toen vloog één van de serafs naar mij toe met in zijn hand een gloeiende kool, met een tang genomen van het altaar. 7 Hij raakte daarmee mijn mond aan en zei: ‘Zie, dit heeft je lippen aangeraakt, geweken is je ongerechtigheid en je zonde is verzoend!’ 8 Ik hoorde de stem van mijn Heer zeggen: ‘Wie moet ik zenden, wie zal voor ons uit gaan?’ En ik zei: ‘Hier ben ik, zend mij!’ 9 Toen zei hij: ‘Gá! Zeggen zul je tot dit volk: “Hoor om te horen, maar versta het niet! Zie om te zien, maar kom niets te weten!” 10 Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren zwaar en strijk zijn ogen dicht. Anders zal hij met zijn ogen zíen en met zijn oren hóren en met zijn hart verstáán; hij zal zich omkeren en genezing vinden!’ 11 Ik zei: ‘Tot wanneer, Heer?’ En hij zei: ‘Totdat de steden zijn vernield, en er geen ingezetene over is, totdat de huizen (zijn vernield), en er geen mens meer over is, en de akker vernield is tot een woestenij. 12 Vér weg zal de ENE de mens brengen, de verlatenheid zal enorm zijn in de ruimte van het land. 13 Maar dan, als daarin nog een tiende deel over is en als dat op zijn beurt weer zo goed als verwoest is: zoals de godseik en de steeneik, waarvan na het vellen een tronk overblijft – zo zal de tronk dáárvan een geheiligd zaad zijn!’
*** 4 Een grote menigte had zich verzameld; uit alle steden waren ze naar hem toegekomen. Toen sprak hij deze parabel: 5 ‘De zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien. En terwijl hij zaaide, viel een deel langs de weg en werd vertrapt; de vogels van de hemel aten het op. 6 Een ander deel viel op de rots, het kwam op en verdorde, omdat het geen vocht had. 7 Een ander deel viel midden tussen de dorens, de dorens kwamen tegelijk op en verstikten het. 8 Een ander deel viel op de goede aarde, het kwam op en droeg vruchten: honderdvoud.’ Toen hij dit gezegd had, riep hij: ‘Wie oren heeft om te horen, laat hij horen!’ 9 Zijn leerlingen vroegen hem: ‘Wat is dit voor een parabel?’ 10 Hij sprak: ‘Jullie is het gegeven de geheimen te kennen van het koninkrijk van God, de anderen horen parabels, opdat zij ziende niet zien en horende niet verstaan (Jes. 6:9). 11 Dit zegt de parabel: het zaad is het woord van God. 12 Die langs de weg: dat zijn zij die het hebben gehoord. Maar dan komt de tweedrachtzaaier en neemt het woord uit hun hart, opdat zij niet vertrouwen, niet bevrijd worden. 13 Die op de rots: dat zijn zij die, als zij het horen, dankbaar het woord aanvaarden. Maar zij hebben geen wortels, zij vertrouwen een tijd lang, maar in tijden van beproeving vallen zij weg. 14 Wat tussen de dorens viel, dat zijn zij die wel hebben gehoord, maar zo bezorgd zijn om rijkdom en de genietingen des levens, dat ze erin stikken en niet opbloeien. 15 Maar wat in mooie aarde viel, dat zijn zij die met een mooi, goed hart het woord gehoord hebben, eraan vasthouden en vrucht dragen in volharding.
Je zou wensen dat we alleen maar de gelijkenis hadden gehad, die eerste verzen van de tekst, dan waren we snel klaar geweest vandaag. Dan waren we er gemakkelijk uitgekomen met elkaar. Dan had hier de dominee gestaan, en die had het mooi kunnen vertellen: ‘Ja, beminde gelovigen, we begrijpen allemaal hoe het zit: de zaaier is God, het zaad is zijn woord, en wij moeten zorgen dat we goede aarde zijn. Dus lieve gemeente, zet hem op. We hebben natuurlijk allemaal wel eens onze mindere dagen. Dan lijkt ons hartje een beetje op de rotsige bodem. Of dan zitten er distels in ons hart. Maar zorg nu dat jouw innerlijk goede grond is. Succes er maar weer mee in de komende week!’ Ongeveer zo zou de dominee het vertellen, en wij zouden geslagen maar gesticht naar huis gaan. En we waren best tevreden, want het was geen lange dienst geweest… Maar de evangelist doet het anders. Hij laat het niet aan ons over. Hij laat namelijk Jezus de parabel die hij verteld heeft, toepassen, uitleggen. Nou, daar zijn we mooi klaar mee. Want het wordt er totaal niet duidelijker op. Nee, het wordt alleen maar ingewikkelder. Wat bedoelt hij nu eigenlijk? Waar gaat het hier over?
II Eerst kijken we naar het zaad dat langs de weg valt en dat door de vogels opgevreten wordt. Daar gaat het over die mensen die Gods woord hebben gehoord. Maar dan komt de diabolos, de duivel, dat betekent letterlijk: de tweedrachtzaaier. En die neemt het weg. Zijn wij dat? Ben jij dat? Is dat een ervaring die je kent? Dat het je ontnomen wordt: het woord van bevrijding? Dat je vertrouwen van je afgepakt wordt? … Dan vertelt Jezus over de mensen die éven vertrouwen. Die een tijdje bij het geloof blijven. Die Gods woord horen en zich erover verheugen. Maar dan komen de beproevingen. Dan komen de zware tijden, het verdriet in je leven. En dan is het weg, dan valt het je uit handen. Ben jij dat? Is het zo gegaan in je bestaan? Dat je het wel wilde, maar het niet kon vasthouden, dat je geloof je ontviel, tussen je vingers door gleed… En dan vervolgens: de zorgen! Waarin je soms kunt stikken: de zorgen om de dingen die je hebt. Je huis, je baan, je toekomst, je gezondheid, je kinderen. Is dat herkenbaar? dat je stikt in zorgen en niet opbloeit. Ben jij dat? Staan wij daar in het verhaal? Laten we eerlijk zijn: dat zou zomaar eens kunnen! En dat geldt voor al deze mogelijkheden: het zou zomaar eens kunnen dat het hier over ons gaat. Een ieder moet dat voor zichzelf nagaan. Laten we in ieder geval maar niet te gauw naar buiten wijzen: ‘Moet je kijken, al die halfgelovigen en ongelovigen daar, tsk tsk tsk allemaal rotsige bodem.’ Nee, kijk naar jezelf. En als het zo is, zie dan je eigen ongeloof onder ogen. Wees eerlijk. Ja, óf zijn wij dit: Maar wat in mooie aarde viel, dat zijn zij die met een mooi, goed hart het woord gehoord hebben, eraan vasthouden en vrucht dragen in volharding… Diepe zucht, moeilijk gezicht. Zijn wij dat? Ik durf maar nauwelijks hardop te zeggen dat ik eigenlijk denk van niet. Eigenlijk denk ik dat deze goede aarde er niet is. Dat geen mens op die plek in het verhaal staat…
III Hoe dan ook! In ieder geval! Het gaat in ieder geval niet aan om met dat bekende christendommelijke moralisme aan te komen: ‘Zet hem op, doe je best, wees goede aarde. Immers, foei, ongelovig-zijn mag niet.’ Nee, want neem het ze eens kwalijk, al die tallozen die het gewoon niet meer zien zitten met het woord van God, vanwege alle ellende die ze zien. Neem het ze eens kwalijk, al die mensen die stikken in hun zorgen. Om binnen het beeld van de gelijkenis te bijven: neem het de weg eens kwalijk dat ‘ie de weg is en dat daar niets wil groeien. Neem het de akker eens kwalijk als het onkruid sterker is dan het ontkiemende zaad! Dus, kom niet aan met die prietpraat van: ‘Je moet er wel voor zorgen dat je hart ontvankelijk is, je moet wel zorgen dat je innerlijk er mooi, goed, gelovig bij ligt…’ Alsof je dat zomaar even doet, alsof die mogelijkheid voor het grijpen ligt. Dat moralisme, mensen, bah! Maar goed, nu komen we wel, vervolgens, terecht bij de reusachtige vraag: wordt het dan wel wat met dat graan? Wordt het dan wel wat met het woord van de God van Israël in de wereld? Gaat dat woord klinken, en gaat het gedaan worden? Zie je, dat is een reusachtige vraag. Dat is voor ons allemaal, voor ons als kerk, de diepe vraag: wat wij horen in de schrift – want dat woord, dat is natuurlijk het woord van de tora, van de profeten – dat woord van de schrift, dat wij horen, zal het vérder gaan, zal het gedaan worden? Dat woord van bevrijding, van leven, wordt het ooit wat? Zal het kiemen, zal het groeien, en komt er ooit de dag van de oogst, zo dat er ooit brood op de tafel staat, voedsel voor mensen om van te leven? Dat vragen wij ons af, als wij naar onszelf kijken, naar de akker, naar de rotsachtige bodem die onze wereld is, naar de dorens, de distels, die welig tieren.
IV Maar misschien is dat wel het hele probleem: dat wij teveel naar onszelf kijken. Dat wij teveel naar de akker staren, en naar de rotsbodem en naar de distels. Dat wij teveel naar ons eigen hart staren. En dat wij ons daar blind op staren. En dat we dan zeker denken te weten dat het nooit wat wordt. Maar de zaaier is er ook nog! En de zaaier gaat uit om het zaad te zaaien! Nu, en om die zaaier en zijn zaad voor ogen te krijgen, om iets van deze God te zien en van zijn woord, worden wij met een grote boog bij Jesaja gebracht. De schrift gaat open en er wordt iets verteld over die God en over het woord dat hij spreekt. We komen via dat gekke citaat terecht in het verhaal van de roeping van de profeet Jesaja. Jesaja wordt geroepen om het woord van de God van Israël te spreken, dat woord van bevrijding en van toekomst. Maar wat blijkt, hij staat voor een onmogelijke opdracht. Het gaat niets worden. Dat woord gaat niet in goede aarde vallen. Het volk heeft zich afgekeerd, wil niet horen, wil niet leven met de tora, wil niet leven met zijn God.
En zo staat Jesaja voor dezelfde toestand als wij na het horen van de gelijkenis, met dezelfde vraag: hoe kan het dan ooit wat worden? Zal dat woord wel klinken en gehoord en gedaan worden? Nee. Met dezelfde vragen en dezelfde onmacht staat Jesaja daar. Maar dan wordt er plotseling iets tegen Jesaja gezegd over een nieuw begin. Aan het einde van de tekst die wij hoorden gaat het plotseling over een rest in het volk, een groepje, waarmee een nieuw begin gemaakt wordt. Het gaat over een ommekeer. Over de onmogelijke mogelijkheid: dat er tóch toekomst is. Jesaja krijgt plotseling het beeld voor ogen van een tronk. Er is een boom geveld, het is over en uit, het wordt niets meer. Maar dan ineens die wonderlijke woorden: die tronk zal zaad zijn. Dat kan niet, maar toch is het zo. Dat is een onmogelijke zin, maar die wil zeggen: het was uit, maar er gaat iets beginnen. Het was afgelopen, maar toch is er toekomst. Want dat betekent dat woord zaad. Dat staat in de bijbelse taal voor nakomelingschap (vandaar die overschrijffout van mij), voor toekomst. Dat staat voor toekomst, maar onmogelijke toekomst. Maar die gaat toch beginnen. Er is toekomst, hoewel dat helemaal niet kan. Het woord gaat door, de bevrijding gaat door. Daarvan leeft Israël, en daarvan moet nu ook Jesaja spreken.
Dat zaad, daarvan vertelt nu ook de gelijkenis. Dát zaad wordt er gezaaid. Terwijl wij niet zien hoe het ooit wat moet worden; terwijl wij denken dat dat zaad nergens in goede aarde zal vallen; terwijl wij die goede toekomst (Góds toekomst) nergens zien – het gaat toch gebeuren. Die toekomst is er. En die is al begonnen. Het zaad gaat op en het groeit en het is onstuitbaar. Dat zaad komt namelijk uit de hand van déze zaaier. Dat woord komt uit de mond van déze God. Zijn woord zál klinken. Zijn bevrijding gaat door.
V Maar hoe dan? Hoe zal dat woord dan klinken en gedaan worden? Hoe zal dat zaad dan ontkiemen en groeien? Ik zei eerder: ik ben bang dat wij die goede aarde niet zijn, en niemand niet. Dat die goede aarde er niet is. Dus hoe moet het dan ooit wat worden! Nee, maar dat is nu juist het hele wonder van deze tekst, het hele wonder van het evangelie. Deze zaaier gaat tóch uit om te zaaien. Hij waagt het erop. Hij neemt het risico van de mislukking. Maar omdat hij het is, zál het niet mislukken. De God van Israël waagt het met ons. Hij neemt ons zoals wij zijn. Met heel onze geschiedenis, en ons karakter, met onze prachtige kanten en onze fouten. Hij wáágt het met ons, en gelooft in ons. Hij geeft het zaad prijs aan onze mensenharten. Hij geeft zijn woord prijs aan onze mensenoren. Hij geeft zijn zoon in de handen van mensen. Hij neemt het risico. Hij gaat de weg van de weerloosheid, de weg van ontkend worden en misverstaan. De weg van vertrapt worden en verstikt. Maar omdat hij het is, zal er toch geoogst worden en gegeten en gevierd. Omdat hij het is, zal er toch brood op de tafel staan. Genoeg voor iedereen.
Lof zij u, Christus!
Kinderverhaal bij het avondmaal
Een zaaier ging uit om te zaaien. Hij ging op een mooie ochtend zijn land op en zaaide en zaaide. Fluitend liep hij over zijn akker. Zijn vrouw stond bij het huis, aan de rand van de akker naar hem te kijken. Haar gezicht werd donker toen ze zag hoe hij bezig was. ‘Hé, je loopt niet op te letten!’ riep ze. ‘Hé, je doet het helemaal verkeerd. Kijk nou toch hoeveel zaad je naast de akker gooit. En op de verkeerde plaatsen. Oen, daar is toch de weg, je gooit allemaal zaad op de weg! En daar waar je nu bent, daar is toch die rotsige bodem, dat wordt nooit wat… O, o, o. Ach nee, niet daar, daar groeien toch allemaal distels!’ Zo stond ze te gebaren aan de rand van de akker. Na een tijd kwam de boer naar haar toe. Zijn zaaigoed was op. Hij kuste haar en zei: ‘Kom, we gaan naar binnen. Het is nog vroeg, zullen we iets leuks gaan doen vandaag?’
Dagen gingen voorbij. Al gauw kon je het zien: het graan kwam op. Kleine, frisgroene plantjes staken overal de kop op. De boer ging regelmatig kijken en lachte dan tevreden. Zijn vrouw kwam dan wel eens bij hem staan en schudde haar hoofd.
Weken gingen voorbij. Toen was het zover: het graan stond prachtig geel en dik en rijp te wuiven in de wind. ‘We gaan oogsten,’ zei de man. ‘Ik pak de sikkels!’ zei de vrouw. Ze gingen het land op. Maar de vrouw kon haar ogen niet geloven: overal stond graan. Op de akker stond graan. Maar op de weg stond ook graan. En op de rotsige bodem stond ook graan. En tussen het onkruid stond ook graan! Sterker nog, er was bijna geen onkruid meer te zien, het graan had het aan de kant gedrukt. ‘Dat kan niet!’ riep de vrouw. ‘Al die halmen, midden op de weg, op het asfalt! En kijk nou, het graan heeft dwars door de rotsen heen wortel geschoten!’ Ze begon, nog altijd hoofdschuddend, maar lachend te oogsten, en bond grote schoven bij elkaar.
Van de graankorrels maakten ze samen meel. En van het meel bakten ze samen brood. Het was meer dan andere jaren natuurlijk, veel meer. ‘Laten we het in vredesnaam maar gaan uitdelen, al dat brood. We hebben veel te veel,’ zei de vrouw. Ze gingen naar het marktplein en begonnen uit te delen. ‘Vers brood, wie wil?’ Het was genoeg, het hele dorp at ervan. Wij eten er vandaag nóg van.
|
|
|
Meditatief bijbellezen 2010-2011 |
|
|
|
|
Meditatief bijbellezen: bidden met de bijbel Voor wie rust zoekt… Voor wie zoekt naar een verdieping van haar of zijn geloof… Voor wie geloven en leven met elkaar wil verbinden… Voor wie bijbelverhalen wil beleven… is er de mogelijkheid mee te doen aan de reeks avonden meditatief bijbellezen. Deze vorm van mediteren omvat oefeningen om tot rust te komen en ontvankelijk te worden voor wat het bijbelverhaal ons in onze persoonlijke situatie wil zeggen. We gebruiken ons voorstellingsvermogen om ons te verplaatsen in wat de mensen in het verhaal beleefden. We zoeken naar verbinding met eigen leven. En alles wat ons daarbij raakt, laten we uitmonden in een stil gebed. In een sfeer van vertrouwen wisselen we uit wat we daarvan meenemen voor ons leven van alledag. Komend jaar maken we gebruik van ‘Een richting te gaan’, werkboek voor Ignatiaanse spiritualiteit. De avonden worden begeleid door drs Riëtte Beurmanjer, die zich in het Ignatiushuis in Amsterdam trainde in het begeleiden van deze christelijke vorm van mediteren. Data: woendagavond 15-9, 13-10, 17-11, 15-12, 26-1, 2-3, 30-3 27-4, 25-5 Aanvang: 20.15 uur Plaats: Handwegkerk, de consistorie of d’Achterkant Kosten: eigen bijdrage voor de bijeenkomsten en aanschaf van het werkboek Opgaven en informatie: 020 – 6654 685 of h.beurmanjer @ planet.nl 020 – 441 78 03 of mhkoops @ planet.nl |
|
|
Zomerse ontmoetingen 2010 |
|
|
|
|
Zomerse ontmoetingen 2010 Ook dit jaar gaan de Handwegkerk, Dorpskerk en Paaskerk in de stille zomermaanden seniorenochtend/-middagen organiseren. Voor iedereen die de zomer lang vindt duren zonder kerkelijke activiteiten, organiseren we drie ‘Zomerse ontmoetingen’ en u bent van harte welkom op:
Woensdagochtend 14 juli in de Paaskerk Aanvang 10.30 uur. Na ontvangst met een kopje koffie of thee en een meditatief moment is er een programma dat op dit moment nog niet helemaal rond is dus nog even een verrassing blijft. De ochtend wordt afgesloten met een lunch. Dinsdagmiddag 27 juli in de Handwegkerk Aanvang 13.30 uur. Na ontvangst met een kopje koffie of thee zal na een meditatief moment een gevarieerd programma worden aangeboden. Donderdag 12 augustus in de Kastanjeflat (Kastanjelaan 21) Aanvang 14.30 uur. U wordt ontvangen met een kopje koffie of thee en na een meditatief moment de middag op een vrolijke wijze worden afgesloten. U kunt u zich telefonisch aanmelden bij mw. R. Mentink, tel. 6436966 (Paaskerk), Mw. F. Ran tel. 6454039 (Dorpskerk) of bij dhr G. Groot tel. 6438558 (Handwegkerk) Aanmelden kan tot 1 week voor de ontmoetingsdagen van uw keuze.
Klik hier voor de flyer `zomerdiensten`
|
|
|
Zomerdiensten 2010
Vanaf zondag 11 juli beginnen de zomerdiensten. De kerken uit Amstelveen Zuid zullen dan beurtelings een aantal weken gesloten zijn. Om u de gelegenheid te geven toch een dienst bij te wonen, volgt hier een overzicht:
Handwegkerk en Dorpskerk gesloten en is er een dienst in de Paaskerk. 11 juli Paaskerk, aanvang 10.00 uur, ds. G.J. de Bruin 18 juli Paaskerk, aanvang 10.00 uur, ds. G.J. de Bruin
Dorpskerk en Paaskerk gesloten en is er een dienst in de Handwegkerk. 25 juli Handwegkerk, aanvang 10.00 uur, ds. M. Visser 1 augustus Handwegkerk, aanvang 10.00 uur, ds. M. Bogaard
Handwegkerk en Paaskerk gesloten en is er een dienst in de Dorpskerk. 8 augustus Dorpskerk, aanvang 10.00 uur, ds. M. Visser 15 augustus Dorpskerk, aanvang 10.00 uur, ds. M. Bogaard
Klik hier voor de complete flyer " zomerdiensten "
Daarna is de vakantie weer voorbij en is alles weer normaal.
Op 12 september is er de startzondag! |
|
|
PREMIERE LABYRINT OP 20 JUNI |
|
|
|
|
Op zondag 20 juni wordt in de Handwegkerk, Handweg 117 te Amstelveen, voor de eerste keer de muzikale liturgische productie Labyrint uitgevoerd. De tekst is van de hand van Gert Jan Slump en de muziek is gecomponeerd door Nico Ph. Hovius. Beide werken inmiddels ruim 10 jaar samen in ‘Liturgisch Project’. De premiere vindt plaats tijdens de kerkdienst om 10 uur waarin ds. Gert Jan de Bruin voorgaat. Het stuk wordt uitgevoerd door 12 zangers en zangeressen en 8 voor het merendeel jonge en getalenteerde instrumentalisten van 11 tot en met 21 jaar.
Dit keer heet de muzikale productie, in eerste instantie bedoeld voor liturgisch gebruik, Labyrint. Bij het schrijven van dit persbericht wordt nog druk aan de compositie gewerkt. De muzikale bezetting bestaat uit piano, gitaar, dwarsfluit, klarinet, en blokfluit. Voor de uitvoering van het vocale gedeelte is er een Labyrintkoor gevormd. Samen met de aanwezigen zal het koor de gezongen gedeelten voor zijn rekening nemen.
In de volksmond wordt een doolhof vaak ook wel labyrint genoemd, maar eigenlijk is die term onjuist. Een labyrint kent eigenlijk maar één pad zonder kruisingen waarin diegene die loopt ‘vanzelf’ in het middelpunt uitkomt. Een van de gedachten is dat het afleggen van de weg misschien wel net zo belangrijk is als het bereiken van het doel. In de middeleeuwen is in vele kerken een labyrint aangebracht om de gewone mens een symbool te geven ter vervanging van een pelgrimage naar het Heilige Land. Eén van de beroemdste labyrinten, daterend uit ongeveer 1200, is te vinden op de vloer in de kathedraal van Chartres in Frankrijk. In Nederland is onder meer in de Sint Servaas in Maastricht een Labyrint te vinden. Voor de Willibrorduskerk in Heiloo ligt een kopie van het Labyrint uit Chartres in het plaveisel.
De gedachte achter muziekproject Labyrint is dat je als mens vanuit de chaos van het leven waarin je voortdurend keuzes moet maken, de gelegenheid krijgt voor een verdiepende en persoonlijke ervaring. Het binnengaan vraagt om een actieve keuze. Eenmaal binnen in het Labyrint kom je als deelnemer en luisteraar een aantal momenten tegen van reflectie en overweging, tot in het hart van het Labyrint, en weer terug. Als je een labyrint inloopt, stap je in feite in een bijzondere ruimte en tijd. Een labyrint werd en wordt vaak gebruikt als pad voor gebed en meditatie, of ook als teken van berouw. Vroeger deden mensen dat vaak op de knieën en werd rustig een uur genomen om in het centrum te komen. Een labyrint werd in die tijd ook wel ‘Weg naar Jeruzalem’ genoemd.
Een labyrint is dus en kruisingsvrij, slingerend pad, dat je als loper (of hoorder) langs een aantal wendingen naar het midden voert en weer terug naar buiten. Naar binnen (introïtus) en weer naar buiten gaan (heenzending) zijn onderdelen uit de klassieke liturgie. Deze muziekproductie leidt langs een aantal wendingen naar het centrum (waar alleen ruimte is voor de Eeuwige en waar alle ‘bedachte’ compositie wegvalt).
In vergelijking met eerdere liturgische projecten van de hand van het schrijversduo zullen in Labyrint slechts weinig woorden en woorden anders klinken. De weg langs de woorden en door de stilte naar de Eeuwige is de grondslag voor de toonzetting.
De rol van de deelnemer en luisteraar in het stuk is naast een gezongen deel dit keer vooral het ‘gaan’ van de weg: momenten waar geen gezongen tekst maar tekstfrasen ter overweging zullen zijn.
De uitvoering is op zondag 20 juni 10.00 tijdens de kerkdienst in de Handwegkerk U bent van harte uitgenodigd om op zondag 20 juni 2010 dit nieuwe en bijzondere muziekstuk mee te beleven. Lees meer op: http://www.zinweb.nl/agenda.aspx?lIntNavId=26&lIntEntityId=9219
|
|
|
Exodus 24 (door ds M. Aalders) |
|
|
|
|
Overweging uit de dienst van 16 mei 2010 (door ds. M. Aalders)
Lezen: Exodus 24:3-11 Matheus 26: 20-31 Gemeente van de Heer, De woorden uit onze tekst hebben hun plaats gekregen in de liturgie van de kerk van alle eeuwen. Ze zijn ontleend aan Exodus 24. Een hoofdstuk van een ongekende intimiteit. Het gaat daarin over het verbond tussen God en zijn volk. Over de verbintenis tussen beide. In het voorafgaande overheerst de afstand. God is aanwezig in bliksem en donder, in luid bazuingeschal. Israel vreest hem te ontmoeten. Maar hier is alles anders. God is niet langer een God van verre. Hij is een God van nabij. Een wonderlijk verhaal is het. De enige plaats in de bijbel waar verteld wordt dat mensen de Here God ontmoeten en toch niet sterven. Zij aten en dronken en zagen de God van Israel. Alsof er sprake is van een bevestiging van het voorafgaande, een maaltijd, als bezegeling van de verbintenis tussen God en zijn volk Israel. Als Jezus met zijn leerlingen voor de laatste keer de maaltijd houdt, dan grijpt hij dus naar woorden die uit dit verhaal komen. Allerlei elementen uit de Paasmaaltijd laten de Bijbelschrijvers weg. Niets over de liturgie van de sedermaaltijd. Het lijkt er volgens sommigen zelfs op –vanwege de woordkeus- dat er van ongezuurd brood geen sprake is, ze menen dat Jezus ‘gewoon’ brood heeft gebroken en gedeeld. Evenmin is er sprake van een paaslam, of van een uitleg over deze nacht, die zo anders is dan andere nachten. Niets van dat alles. Zelfs als we ons realiseren dat we eigenlijk niet goed weten hoe men in de dagen van Jezus het Pascha vierde, is dat opvallend. De evangelisten leggen vooral de nadruk op wat anders ging. En daarbij komt nog iets anders. In het voorafgaande gaat het over de aankondiging van het verraad. En het wordt gevolgd door de aankondiging van de verloochening. Daar tussenin staan deze woorden, uit Exodus 24. Inhoud én opbouw van dit hoofdstuk zeggen iets over de betekenis die Jezus aan de laatste maaltijd heeft gehecht. Natuurlijk. Het was een sedermaaltijd. Maar Jezus legt de nadruk niet op de uittocht uit Egypte. Hij wijst op iets anders. Zoals het toen, in Exodus 24, ging om de verhouding tussen God en zijn kinderen, zo gaat het hier, in dit hoofdstuk, in de viering van het avondmaal, om de verhouding tussen God en zijn mensenkinderen. Daartoe horen ook Judas en Petrus. Christenen vieren niet de sedermaaltijd. Christenen vieren het nieuwe verbond, om met de woorden van Lucas en Paulus te spreken. We lezen in Exodus 24 over vredeoffers en brandoffers die door Mozes gebracht worden. Offers wijzen op een besef van de afstand tussen God en mens. Mijn buurman kan ik zo maar aanspreken. Met God ligt dat anders. ‘God’, wie of wat dat dan ook is, God is niet je buurman, hoe dichtbij hij ook is. God zit niet in ons binnenste, hoezeer hij ook ons wezen bepaalt. God, zegt de Prediker, God is in de hemel en gij zijt op aarde. God is God, wij zijn maar mensen. De bijbel weet van de oneindige afstand tussen God en mens, in allerlei opzicht. Och, we voelen ons heel wat, wij mensen. Iedere nieuwe generatie wetenschappers gelooft dat ze de wereld een stuk verder zal helpen. Om vervolgens te ontdekken dat het raadselachtige van het bestaan toch niet onthuld wordt. Na iedere oorlog roepen de mensen: Nooit weer. En ze geloven dat het een ongeluk was, een vergissing, die oorlog. En iedere nieuwe generatie politici belooft de hemel op aarde. En toch, wij zijn maar mensen. En deze God is zo anders dan bijvoorbeeld de goden van de Grieken, met hun strijd, hun afgunst, hun overspel. Deze God laat ons in Jezus zien hoe hij ons bedoeld heeft. En in dat licht, in Zijn licht, zien we onze kleinheid, onze beperktheid, ons tekort ook. Hoe groot is God. Gans anders is de Heer, Heilig, zegt de Schrift. God is in de hemel, en wij zijn op aarde. Dat besef, van die oneindige afstand tussen God en mensen, ligt ten grondslag aan alle offers, in alle godsdiensten. Ook aan de offercultus van Israël. Niet dat God zich laat omkopen. Wie een offer brengt, spreekt daarmee iets uit. Hij erkent de majesteit van God bijvoorbeeld, in het brandoffer. Hij viert de gemeenschap tussen God en mensen met het vredeoffer. Hij brengt dank voor de zegen van Godswege in het dankoffer. Hij erkent dat hij zijn recht op leven heeft verspeelt, in het zoenoffer. God heeft dat niet nodig. Wij hebben het nodig. Riten en symbolen die ons doen beseffen wie God eigenlijk is. Dat besef, van die afstand, speelt ook hier mee, in Exodus 24. Israel weet van die afstand. Israel erkent die afstand, die majesteit. En God, van zijn kant, overbrugt die afstand. Dat krijgt vorm in het ritueel dat hier beschreven wordt, in het sprenkelen van het bloed over het altaar en over het volk. Een ritueel waarmee zichtbaar wordt dat God zich met ons mensen heeft verbonden. Als Jezus voor de laatste keer de maaltijd met zijn leerlingen gebruikt, verwijst hij naar die gebeurtenis. Een nieuwe verbintenis en verbondenheid, een nieuw verbond, om met de woorden van Paulus te spreken. Een verbondenheid met de Heer en met elkaar. Het ene brood dat gebroken wordt en uitgedeeld. Geen verhaal dat verwijst naar de nacht van de uittocht. Eerder een verhaal dat verwijst naar de wonderbare spijziging van zo velen. Niet over mensen die samen delen, maar over de Heer die overvloedig uitdeelt en daarmee de mensen leven geeft en met elkaar verbindt. En de ene beker die rondgaat. In het ritueel van de sedermaaltijd heeft ieder zijn eigen beker. Hier is er maar één beker. Vandaar, naar Matheus, die extra aansporing. Drinkt allen daaruit. Jezus deelt uit. Opnieuw ligt de nadruk op de verbondenheid van de leerlingen met Jezus en met elkaar. Niet de vorm overigens is het wezenlijke, maar die verbondenheid. Als Paulus later hoort over de avondmaalsviering in Korinthe, dan waarschuwt hij de gemeente. Hier de rijken, die zich tegoed doen en overvloed hebben, daar de armen, die honger hadden. Dat lijkt nergens op. Dat heeft niets te maken met een avondmaalsviering. Zo eet en drink je jezelf een oordeel. Zo verbreek je het wezenlijke van de christelijke gemeenschap. Dat je instaat voor elkaar. Dat je verbonden bent met elkaar. Dat je zorgt voor elkaar. Het ene brood, de ene beker. Je kunt losse bekertjes gebruiken in een sfeer van wezenlijke verbondenheid, je kunt allen drinken uit de ene beker, terwijl je elkaar verbijt en vereet. Over die beker legt Jezus nog iets uit. De beker van het verbond in mijn bloed, dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden. Gaat het avondmaal over de verbondenheid met elkaar en met de Heer, dan toch bij de gratie Gods. Dan toch omdat God genadig is. Wellicht speelde dat in Exodus 24 ook reeds een rol. Sommige uitleggers menen dat de verzoening van belang is bij alle offers. Maar in ieder geval brengt Jezus dit aspect naar voren. Verbondenheid, bij de gratie Gods. Er zijn in de bijbel allerlei beelden en verhalen die duidelijk moeten maken wat deze woorden over verzoening precies betekenen. Er is het beeld van het offer. Er is het beeld van de plaatsvervanging. Van het vrijkopen. En de theologen hebben hun intellect en soms hun kleinzielige spitsvondigheid gebruikt, om het ons uit te leggen. Hier, rond de instelling van het avondmaal, hier wordt het ons in beelden geschetst. In het voorafgaande, zo wees ik reeds aan, gaat het over het komende verraad van Judas. In het vervolg over de naderende verloochening door Petrus. Verbondenheid, zelf met Judas. En met Petrus. Zij hadden de dood verdiend. Niet Jezus. Maar hij stierf. En zij mogen leven. En even later lezen we hoe Barabbas vrijuit gaat, omdat een ander in zijn plaats ging staan. Daarover gaat het avondmaal. Professor Roukema van Kampen heeft onlangs de stelling gelanceerd dat veel kerkgangers geen boodschap meer hebben aan kruis en opstanding, en velen willen niets weten van een verzoening tussen God en mensen. Het heeft ongetwijfeld te maken met ons beeld van God, en het beeld dat we van onszelf hebben. Wat hebben we niet een voorspoed gekend, en een lange periode van vrede, in Europa tenminste. Is de wereld niet met sprongen vooruitgegaan? Bij zo’n mensbeeld passen kruis en opstanding niet echt. Maar de geschiedenis tekent ons een heel ander beeld van de mens dan dat van de vrolijke optimisten uit de late 20e eeuw. Ooit hoorde ik een predikant vertellen dat hij zo’n mooie vakantie had gehad omdat hij het boek van Geert Mak over Europa had gelezen. Ik werd er verdrietig van, van dat boek. Een aaneenschakeling van oorlog en geweld. Zoveel doden. Zoveel moordpartijen. En dat in het zogenaamde christelijke Europa. Zal het ooit anders worden? Wat is dan toch een mens? Zal het ons ooit lukken om ons aan onze afkomst uit het dierenrijk te ontworstelen? Dat is niet alleen zo in de wereld van de machthebbers, van de generaals en de politici. Het is ook zo in de wereld van de kerk. Wie een beetje thuis is in de kerkgeschiedenis weet dat het daar vaak niet anders toegaat dan in de wereld. Als het erop aankomt, wat helpt die zogenaamde christelijkheid ons dan. En wie in de keuken van de kerk heeft mogen kijken, weet dat het tegenwoordig niet beter is dan vroeger. Heeft de catechismus geen gelijk, als hij zegt dat mij mensen geneigd zijn tot alle kwaad? Zal het ons ooit lukken om ons aan onze afkomst uit het dierenrijk te ontworstelen? Zou God er dan nooit genoeg van krijgen? Nu ja, daarover gaat het precies, met dit avondmaal. En in al die Bijbelse beelden en verhalen over de verzoening. Daarover gaat het, dat het kan spannen in God. Dat God meer dan eens op het punt heeft gestaan er een einde aan te maken. Maar dat hij in Christus met ons steeds opnieuw een verbintenis aangaat. Wij mogen leven. Wie we ook zijn, en hoe ons leven ook is. Wat we ervan gemaakt hebben, en wat we er niet van gemaakt hebben. Hij doet ons niet naar onze ongerechtigheden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Maar zover het oosten is van het westen, zover doet hij onze overtredingen van ons. Amen Amstelveen, 12 mei Handwegkerk, 16 mei 2010
|
|
|